3.3.1.Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.
In de nacht van 2 op 3 september 2025 hield de politie live toezicht op een pand van De Pizzabakkers aan de [adres] , naar aanleiding van eerdere explosies bij panden van De Pizzabakkers. Omstreeks 01:30 uur zag de politie een persoon voor het pand staan en iets aan de deur hangen, terwijl hij bezig was met een aansteker. Toen de politie deze persoon sommeerde te blijven staan, rende hij weg. Deze persoon werd uiteindelijk aangehouden en bleek [naam verdachte 1] te zijn.
[naam verdachte 1] heeft verklaard dat hij via Snapchat was benaderd door twee hem onbekende personen met de opdracht een tas met een explosief aan de deur van het pand van De Pizzabakkers te hangen en daarvan een foto te maken met een aansteker erbij. In de avond van 2 september 2025 moest [naam verdachte 1] naar het Waterlooplein in Amsterdam komen. Daar ontving hij van twee jongens de tas met het explosief erin en een masker. Vervolgens is hij naar de Plantage Kerklaan gefietst, heeft hij de tas aan de deur van de Pizzabakkers gehangen en een aansteker naast de tas gehouden om een foto te maken.
Aan de deur van het pand werd na de aanhouding van [naam verdachte 1] een papieren tas aangetroffen. In de tas bevonden zich drie transparante PET-flessen met daarin een brandbare vloeistof, aan elkaar vastgebonden met ducttape. Tussen de flessen waren drie stuks professioneel vuurwerk van het type 'Super Cobra 6' aan elkaar bevestigd. Het explosief is onderzocht en valt volgens de verbalisant vanwege het vernietigende karakter van een dergelijke explosieve constructie aan te merken als een wapen in de zin van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie. Het explosief is ook forensisch onderzocht op sporen. Op de ducttape werd DNA aangetroffen dat matcht met [naam verdachte 2] en op een van de flessen zat een vingerafdruk van verdachte.
Uit onderzoek van de telefoon van [naam verdachte 1] blijkt dat hij op 2 september 2025 om 21:10 uur is gebeld door een telefoonnummer eindigend op * [nummer] . Op dat moment maakte zijn telefoon verbinding met een cell-id in de omgeving van het Waterlooplein in Amsterdam. De politie vermoedt dat het nummer * [nummer] in relatie staat tot het afhalen van de explosieven door [naam verdachte 1] en doet onderzoek naar dat nummer. Daaruit blijkt dat het nummer * [nummer] op datzelfde moment gebruik maakte van een zogenoemde ‘indoor-cell’ op het Weesperplein in Amsterdam, gelegen in de directe omgeving van het Waterlooplein. Uit de OV-chipkaartgegevens van [naam verdachte 2] blijkt dat hij op 2 september 2025 om 21:13 uur een poortje op het metrostation Waterlooplein is gepasseerd.
3.3.2.Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
Het nummer * [nummer] staat blijkens Ciot-bevraging op naam van verdachte. Bij zijn aanhouding op 10 december 2025 werd een iPhone 16 bij hem aangetroffen, waaraan dit nummer was gekoppeld. In de telefoon wordt het eerder genoemde gesprek met [naam verdachte 1] van 21:10 uur ook gezien. Daarnaast worden foto’s en social media-accounts van verdachte aangetroffen en uit de historische verkeersgegevens volgt dat met dit telefoonnummer regelmatig contact is geweest met het telefoonnummer dat op naam staat van de moeder van verdachte. Uit een tapgesprek van 19 september 2025 volgt verder dat de gebruiker van het telefoonnummer aangeeft ‘thuis’ te zijn, terwijl de telefoon op dat moment verbinding maakt met een zendmast in de omgeving van het woonadres van verdachte.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer * [nummer] . De rechtbank acht daarnaast bewezen dat verdachte ook ten tijde van het delict de gebruiker was van dit telefoonnummer en dat hij degene is geweest met wie [naam verdachte 1] in de avond voorafgaand aan zijn aanhouding om 21:10 uur contact had. Hoewel verdachte op de zitting heeft verklaard dat de bij hem gevonden telefoons onder zijn vrienden rouleren en dat niet bewezen kan worden dat hij ook op dat moment de gebruiker van deze telefoon was, heeft hij deze stelling op geen enkele wijze geconcretiseerd of onderbouwd. De enkele omstandigheid dat mogelijk ook andere gekoppelde Apple-ID’s in de iPhone zijn aangetroffen, is daartoe in elk geval onvoldoende.
Uit de in de telefoon aangetroffen berichten, waarop hierna nader wordt ingaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat verdachte steeds degene is geweest die de telefoon gebruikte en blijkt juist niet dat een ander of anderen deze telefoon eveneens gebruikte(n). Zo zijn de berichten afkomstig van of gericht aan verdachte, wordt in de gesprekken niet aangegeven of geverifieerd of een ander dan verdachte op dat moment de telefoon gebruikte en lijkt er bij de andere partij aan de gesprekken geen twijfel te zijn dat dat verdachte is.
Dat betekent dat de rechtbank vaststelt dat het verdachte is geweest die op 2 september 2025 om 21:10 uur met [naam verdachte 1] heeft gebeld en dat verdachte, [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] op dat moment in de omgeving van de door [naam verdachte 1] genoemde ontmoetingsplek, het Waterlooplein, aanwezig waren. De telefoon van [naam verdachte 1] maakte immers verbinding met de cell-id aan het Waterlooplein, terwijl de telefoon van verdachte op dat moment een indoor-cell aanstraalde aan het Weesperplein. Hoewel er ongeveer een kilometer afstand ligt tussen het Weesperplein en het Waterlooplein, kan op basis van de indoor-cell worden vastgesteld dat de telefoon zich in de ondergrondse metro-omgeving van dit gebied bevond. Vanaf metrostation Weesperplein is het metrostation Waterlooplein binnen één minuut met de metro bereikbaar, hetgeen bevestigt dat verdachte zich in de directe omgeving van het Waterlooplein bevond.
Ook ander bewijs wijst naar de betrokkenheid van verdachte bij de feiten.
Op de bij verdachte aangetroffen iPhone 16 zijn zes afbeeldingen van een Google Maps-locatie aangetroffen, waarbij het filiaal van De Pizzabakkers aan de Plantage Kerklaan was ‘vastgezet’. Daarnaast zijn er twee afbeeldingen van nieuwsberichten aangetroffen die betrekking hadden op de explosies bij De Pizzabakkers op de Plantage Kerklaan. Verder zijn er gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat verdachte medeverdachte [naam verdachte 2] kent. Het bij de politie bekende nummer van [naam verdachte 2] staat namelijk in zijn telefoon opgeslagen en met dit nummer wordt regelmatig contact onderhouden. De dag voor het tenlastegelegde (2 september 2025) wordt er zeventien keer tussen hen gebeld en op het moment dat verdachte screenshots maakt van de locatie van de Pizzabakkers is hij aan het bellen met (de telefoon van) [naam verdachte 2] . Tot slot zijn verdachte en [naam verdachte 2] samen te zien op diverse afbeeldingen op de iPhone 16.
In de iPhone 16 zijn daarnaast opvallende en belastende berichten aangetroffen. Op 23 oktober 2025 stuurt verdachte naar het bij de politie bekende nummer van [naam verdachte 2] : “(…) Maar faka met die bom, ga je nog op die tape, ik ga je bijna steunen man.” Op 13 november 2025 wordt aan verdachte gestuurd: “Broer een rechercheteam zit op die man (…) beweeg voorzichtig en maak jezelf niet heet.” In daaropvolgende gesprekken op 19 november 2025 zegt verdachte onder meer: “Maar niffo, me mattie is, me mattie is, eergister geklemd voor iets. Ik ben die gast die het gaat vermijden, het is altijd één legendary one die nooit is geklemd.” en “ (…) die man is nu geveegd, terwijl ik dat eigenlijk (…) ben.” In een ander gesprek reageert verdachte op de vraag of die man hem zal “nekken” met: “(…) hij weet helemaal niks van mij (…) hij weet niet naam, niet welke buurt niks.” Op 20 november 2025 stuurt verdachte: “(…) ik ben fuck up gegaan. Misschien ga ik ff een tijdje weg (…) mannen worden opgepakt voor dingen die ik heb gedaan (…) als ik moet banken dan is dat zo.” Op 7 december 2025 zegt verdachte: “Ik word gesurcht man (…) de federale (…) Alleen ze weten niet dat ze mij zoeken (…) Met Casinohuis met C6 man.”
Verdachte heeft in de verhoren en op zitting geen uitleg willen geven over deze berichten. De rechtbank kan de berichten dan ook niet anders interpreteren dan dat deze betrekking hebben op de tenlastegelegde feiten. De rechtbank begrijpt de berichten zo dat daarin wordt gesproken over een explosief, dat verdachte onder de radar van de politie moet blijven en de politie altijd weet te ontlopen. Ook maakt de rechtbank daaruit op dat verdachte spreekt over de medeverdachten die zijn aangehouden, terwijl hij zelf degene is die het heeft gedaan en ervan uitgaat dat [naam verdachte 1] hem niet zal verraden, omdat [naam verdachte 1] niets over verdachte weet.
Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte een van de twee jongens is geweest die de tas met daarin het explosief op enig moment voorhanden heeft gehad en deze tas op het Waterlooplein heeft overhandigd aan [naam verdachte 1] , die met de tas naar De Pizzabakkers moest gaan om deze aan de deur van het pand op te hangen en tot ontploffing te brengen. De verklaring van [naam verdachte 1] dat hij alleen een foto moest maken en het explosief niet tot ontploffing mocht brengen, laat onverlet dat de rechtbank er wel vanuit gaat dat een ontploffing het uiteindelijke doel was van het plaatsen van het explosief, nu het bij de andere aanslagen op De Pizzabakkers wel tot uitvoering is gekomen. De aanwezigheid van en het ingrijpen door de politie ter plaatse heeft dat in dit geval weten te voorkomen.
Gevaar voor goederen, levensgevaar, zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bij de poging tot ontploffing brengen van het explosief gevaar voor goederen, levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
De [adres] betreft een horecagelegenheid met daarboven gelegen vier verdiepingen woningen. Deze woningen waren op het tijdstip van de (beoogde) explosie bewoond. De rechtbank stelt vast dat het explosief op een doordeweekse dag rond 01:30 uur werd ontdekt, een tijdstip waarop volgens algemene ervaringsregels de kans groot is dat zowel de bewoners van de bovenliggende woningen als van de omliggende woningen thuis zijn. De rechtbank is van oordeel dat bij het gebruik van een dergelijk zwaar explosief in een dichtbebouwd deel van Amsterdam, op een tijdstip waarop doorgaans veel bewoners thuis zijn, het gevaar voor de bovenliggende en omliggende woningen en het risico op levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor personen in de directe omgeving van de ontploffing voorzienbaar is.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat bij de poging tot het tot ontploffing brengen van het explosief gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
Medeplegen
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als medeplegen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
Daarvoor acht de rechtbank allereerst redengevend dat, zoals hiervoor aangegeven, verdachte samen met een medeverdachte aan [naam verdachte 1] de opdracht heeft gegeven om een Cobra op te hangen bij het bedrijfspand van De Pizzabakkers en hem daartoe ook de middelen heeft verschaft. Verdachte heeft bovendien een sturende rol gehad door [naam verdachte 1] aan te sporen het explosief op te hangen en daarbij een foto te maken met een aansteker. Zijn actieve rol blijkt verder uit de in zijn telefoon aangetroffen berichten, waarin hij onder andere schrijft dat “mannen worden opgepakt voor dingen die ik heb gedaan” en “die man is nu geveegd, terwijl ik het eigenlijk ben”. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet slechts een passieve rol had, maar actief heeft bijgedragen aan de uitvoering van het delict.
Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest. De rechtbank concludeert daarom dat het medeplegen ten aanzien van beide feiten bewezen is.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een explosie op 3 september 2025 (feit 1 primair) en het medeplegen van het voorhanden hebben van een explosief in de periode van 2 september tot en met 3 september 2025 (feit 2).
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feiten hebben betrekking op hetzelfde explosief en de gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, zodat verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt.