Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3413

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
784565
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verhuisverbod en wijziging omgangsregeling in kort geding ouders minderjarige

Partijen, voormalige partners met een minderjarige dochter, zijn in geschil over een verhuisverbod en omgangsregeling. De man vordert een verbod voor de vrouw om met de dochter naar Suriname te verhuizen en wil de hoofdverblijfplaats van de dochter aan hem toevertrouwd krijgen. De vrouw verzoekt in reconventie om wijziging van de omgangsregeling en vervangende toestemming voor een reis naar Suriname.

De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende belang heeft bij het verhuisverbod omdat de dochter onder gezamenlijk gezag staat en de vrouw niet zonder toestemming kan verhuizen. Ook wijkt de rechtbank niet af van de bestaande omgangsregeling, die partijen in goed overleg naleven. De gevraagde vervangende toestemming voor de reis naar Suriname wordt geweigerd vanwege de verhuisplannen van de vrouw en het feit dat de dochter al meerdere keren in Suriname is geweest.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter wijst alle gevorderde voorzieningen in conventie en reconventie af en bevestigt de bestaande omgangsregeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot verhuisverbod, wijziging omgangsregeling en vervangende toestemming voor reizen af wegens gebrek aan voldoende belang.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/784565 / KG ZA 26-168 MV/GR
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 16 maart 2026
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.E. Zaunbrecher-Boschloo.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 24 maart 2026 heeft [eiser] de dagvaarding en de conclusie van antwoord in reconventie toegelicht. [gedaagde] heeft mede op basis van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd, waarbij tevens een vordering in reconventie is ingesteld.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
[eiser] met mr. Schoenmakers,
[gedaagde] met mr. Zaunbrecher-Boschloo.
Na verder debat is de zaak aangehouden tot 27 maart 2026, waarbij vonnis in het vooruitzicht werd gesteld op 9 april 2026. Op 27 maart 2026 heeft [eiser] vonnis gevraagd.
Vonnis is bepaald op 7 april 2026.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. Ten tijde van hun relatie woonden partijen samen in [plaats] . Uit de relatie is op [geboortedatum] 2024 hun dochter [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren.
2.2.
Begin 2025 hebben partijen hun relatie beëindigd en is [eiser] naar een woning in de nabije omgeving verhuisd.
2.3.
Nadat de relatie en het samenwonen van partijen was beëindigd, hebben zij afspraken gemaakt over een omgangsregeling, die erop neerkomen dat [minderjarige] van dinsdag tot vrijdag bij [eiser] verblijft en de overige dagen bij [gedaagde] en dat zij bij [gedaagde] haar hoofdverblijfplaats heeft.
2.4.
Van de laatste afspraak tussen partijen, dat [minderjarige] op 2 maart 2026 met [gedaagde] mee zou reizen naar Suriname, is [eiser] teruggekomen. Vanaf dat moment onthoudt [eiser] zijn toestemming voor het reizen van [gedaagde] met [minderjarige] naar het buitenland.
2.5.
[gedaagde] is op 2 maart 2026 alleen naar Suriname afgereisd. [minderjarige] verbleef toen bij [eiser] .
2.6.
In de week voorafgaand aan de mondelinge behandeling van dit kort geding op 24 maart 2026 is [gedaagde] teruggekeerd naar Nederland. Partijen hebben de hiervoor (onder 2.3) vermelde omgangsregeling hervat.
2.7.
[gedaagde] heeft vliegtickets besteld, voor [minderjarige] en haarzelf, om van 10 april tot en met 22 mei 2026 naar Suriname te reizen.

3.Het geschil

in conventie

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te verbieden met [minderjarige] naar Suriname, althans het buitenland te verhuizen en te bepalen dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd (wijziging hoofdverblijf); een en ander versterkt met een dwangsom en een proceskostenveroordeling.
3.2.
[eiser] legt hieraan zijn bezorgdheid ten grondslag dat [gedaagde] zich samen met [minderjarige] definitief in Suriname vestigt. Gelet op de uitgesproken plannen van [gedaagde] , en het feit dat zij druk doende is met haar zakelijke activiteiten in Suriname, om zich daar te vestigen, moet [eiser] er rekening houden dat [gedaagde] [minderjarige] zonder zijn toestemming (definitief) meeneemt naar Suriname. Dit leidt tot onrust bij [eiser] ; temeer omdat Suriname niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV).
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] verzoekt de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] van maandag 16.00 uur tot vrijdag 16.00 uur bij [gedaagde] verblijft en van vrijdag 16.00 uur tot maandag 16.00 uur bij [eiser] , dan wel van dinsdag 16.00 uur tot zaterdag 16:00 uur bij [gedaagde] en van zaterdag 16.00 uur tot dinsdag 16:00 uur bij [eiser] .
Daarnaast verzoekt zij de voorzieningenrechter te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de van [eiser] verlangde toestemming voor het reizen van [gedaagde] met [minderjarige] naar Suriname in de periode van 10 april tot en met 22 mei 2026, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.5.
[gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat [minderjarige] bij [eiser] vaak tot laat wakker is en [eiser] op woensdagen vaak zijn eigen verplichtingen heeft, waardoor [minderjarige] dan alsnog bij [gedaagde] verblijft. [gedaagde] biedt [minderjarige] meer rust en regelmaat. Daarnaast acht [gedaagde] het in het belang van [minderjarige] dat zij met haar mee naar Suriname kan reizen. [minderjarige] vindt het heerlijk in Suriname, omdat het land een heerlijk klimaat heeft, waarbij het leven voornamelijk buiten plaatsvindt. Bovendien zijn er veel familieleden en vrienden van [minderjarige] in Suriname en kan [minderjarige] daar naar de crèche, waarvan in Nederland nog geen sprake is.
3.6.
[eiser] voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen van eiser zal toewijzen en in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd dat hij die uitkomst in een bodemprocedure afwacht. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
in conventie
4.2.
De vorderingen van [eiser] zullen bij gebrek aan voldoende belang (zie artikel 3:303 BW Pro) worden afgewezen. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.3.
Omdat [minderjarige] onder gezamenlijk gezag staat, mag [eiser] er redelijkerwijs op vertrouwen dat [gedaagde] niet zonder zijn toestemming met [minderjarige] naar het buitenland kan verhuizen. Dat betreft immers een beslissing die onder het gezamenlijk gezag valt. Zonder [eiser] ’s instemming kan [gedaagde] ook niet zomaar met [minderjarige] naar Suriname reizen. Het risico dat het [gedaagde] toch lukt om zonder toestemming van [eiser] met [minderjarige] naar Suriname te reizen, wordt te gering bevonden voor toewijzing van het gevorderde verhuisverbod; daargelaten de constatering dat toewijzing daarvan feitelijk niets aan de huidige situatie verandert.
4.4.
Mede in het licht daarvan valt ook niet in te zien waarom [minderjarige] , bij wijze van voorlopige voorziening, aan [eiser] zou moeten worden toevertrouwd (de voorzieningenrechter begrijpt: haar hoofdverblijfplaats bij [eiser] krijgt), al dan niet voorlopig. Tot nog toe hebben partijen altijd in goed overleg afspraken met elkaar kunnen maken over de omgang met [minderjarige] en over haar hoofdverblijfplaats bij [gedaagde] .
De informele regeling is na de recente terugkeer van [gedaagde] uit Suriname ook hervat. De voorzieningenrechter acht het niet in het belang van [minderjarige] om bij vonnis in kort geding af te wijken van de afspraken en [minderjarige] toe te vertrouwen aan [eiser] .
in reconventie
4.5.
Ook de door [gedaagde] gevraagde omgangsregeling zal worden geweigerd. De informele omgangsregeling die partijen zelf hebben afgesproken strekt tot uitgangspunt in dit kort geding. De voorzieningenrechter acht de door [gedaagde] gestelde omstandigheden (dat [minderjarige] bij [eiser] vaak tot laat wakker is en [eiser] op woensdagen vaak zijn eigen verplichtingen heeft, waardoor [minderjarige] dan alsnog bij [gedaagde] verblijft) onvoldoende zwaarwegend om de regeling aan te passen. Dat geldt eens te meer nu [eiser] heeft aangevoerd dat hij in het weekend niet voor [minderjarige] kan zorgen, sinds december 2025 op woensdagen geen verplichtingen meer heeft en hij, zolang [gedaagde] in Nederland verblijft, de huidige omgangsregeling nakomt en daaraan zijn medewerking verleent.
4.6.
De door [gedaagde] gevorderde vervangende toestemming voor haar reis met [minderjarige] naar Suriname zal ook worden geweigerd, gelet op hetgeen [eiser] ten aanzien van de verhuisplannen van [gedaagde] heeft gesteld. [gedaagde] heeft die verhuisplannen niet betwist; zij zou graag naar Suriname willen verhuizen. De door [gedaagde] geplande reis wordt ook niet zodanig in het belang van [minderjarige] geacht dat [eiser] zijn toestemming daarvoor in redelijkheid niet kan weigeren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het doel van de reis werkgerelateerd is, dat [minderjarige] pas anderhalf jaar oud is en zij in die anderhalf jaar al drie keer in Suriname is geweest; waarvan de laatste keer relatief recent en voor een langere periode. De objectiveerbare vrees dat [gedaagde] met [minderjarige] op 22 mei 2026 niet (zonder slag of stoot) terugkeert naar Nederland weegt daarmee zwaarder dan het belang van [minderjarige] bij een vierde reis naar Suriname, al dan niet om haar familie (en vrienden) daar weer te zien. Tot slot wordt overwogen dat partijen er beiden van uitgaan dat de door [gedaagde] aangekondigde bodemprocedure, waarin zij vervangende toestemming zal vragen voor verhuizing met [minderjarige] naar Suriname, ongeveer een half jaar zal duren; vooralsnog kan daarop in redelijkheid worden gewacht.
in conventie en in reconventie
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.3.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Coll: MV