Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3431

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
AMS 24/7492
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Woo-verzoek inzake commerciële taken Havenbedrijf Amsterdam

Eiseres diende een Woo-verzoek in om stukken en correspondentie te verkrijgen over erfpachtverzoeken, waaronder documenten bij het Havenbedrijf Amsterdam. Verweerder gaf deels gehoor aan het verzoek, maar weigerde inzage in documenten die berusten bij het Havenbedrijf vanwege de commerciële aard van die taken.

De rechtbank oordeelt dat het Havenbedrijf twee taken heeft: een publieke taak (verkeersafhandeling in de haven) en een commerciële taak (beheer Westpoort en uitgifte gronden). De publieke taak valt onder verantwoordelijkheid van verweerder en valt binnen de Woo, maar de commerciële taak niet.

De gevraagde informatie betreft de uitvoering van erfpachtrechtelijke bestemmingswijzigingen, die onder de commerciële taak vallen. Daarom vallen deze documenten buiten het bereik van de Woo. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, en zij krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

De uitspraak is gedaan door rechter L.H. Waller op 8 april 2026. Eiseres kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het Woo-verzoek voor documenten over commerciële taken van het Havenbedrijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/7492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

Steenbergen Boon B.V., eiseres

(gemachtigde: mr. K.L. Markerink),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het Woo [1] -verzoek van eiseres voor zover het stukken en correspondentie betreft die berusten bij het Havenbedrijf. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het Woo-verzoek.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft op 20 juli 2023 een Woo-verzoek ingediend dat erop is gericht om alle stukken en correspondentie naar aanleiding van haar twee erfpacht-verzoeken te verkrijgen, waaronder ook de stukken en correspondentie die berusten bij het Havenbedrijf. Met het besluit van 5 september 2023 heeft verweerder ten dele aan dit verzoek voldaan. Het verzoek is afgewezen voor zover het de stukken en correspondentie betreft die berusten bij het Havenbedrijf. Met het bestreden besluit van 1 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek gebleven. Volgens verweerder hoefde geen zoekslag plaats te vinden bij het Havenbedrijf, omdat de commerciële tak van het Havenbedrijf buiten de reikwijdte van de Woo valt.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Artikel 4.1, eerste lid, van de Woo bepaalt dat eenieder een verzoek om publieke informatie kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] (de Afdeling) volgt dat het antwoord op de vraag of een instelling, dienst of bedrijf werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan afhankelijk is van de mate waarin het bestuursorgaan opdrachten of aanwijzingen kan geven aan de instelling, de dienst of het bedrijf en/of in hoeverre de instelling, de dienst of het bedrijf zich dient te richten naar de opdrachten of aanwijzingen van het bestuursorgaan.
4. Eiseres voert, samengevat, aan dat er ten onrechte geen zoekslag heeft plaatsgevonden bij het Havenbedrijf. Het Havenbedrijf betreft volgens eiseres een instelling die onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzaam is in de zin van artikel 4.1, eerste lid van de Woo. Eiseres voert daarvoor drie samenhangende argumenten aan. Volgens eiseres is verweerder erfverpachter en contractueel verantwoordelijk voor besluiten over het erfpachtrecht. De behandeling van erfpachtverzoeken betreft volgens eiseres daarom een bestuurlijke aangelegenheid waarvoor de verantwoordelijkheid bij verweerder ligt. Eiseres stelt dat het Havenbedrijf beschikt over een volmacht om in naam van verweerder alle beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten alsof het zelf erfpachter is. Als lasthebber handelt het Havenbedrijf daarom onder verantwoordelijkheid van verweerder, die eindverantwoordelijk blijft. Daarnaast handelt het Havenbedrijf volgens eiseres onder verantwoordelijkheid van verweerder bij de afhandeling van erfpachtverzoeken die betrekking hebben op vierde-linie bedrijven. Dat betekent dat het Havenbedrijf altijd toestemming van verweerder nodig heeft om op het verzoek van eiseres te kunnen beslissen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het Havenbedrijf heeft twee taken, een publieke taak en een commerciële taak. De publieke taak, ondergebracht in de divisie Havenmeester, betreft de verkeersafhandeling in de haven (het nautisch beheer). Bij de uitoefening van deze publieke taak handelt het Havenbedrijf onder verantwoordelijkheid van verweerder en valt dus voor dit onderdeel onder de werking van de Woo. Onder de commerciële taak vallen het beheer van Westpoort en het uitgeven van gronden aan de bedrijven die in het gebied actief zijn. Het Havenbedrijf neemt zelf besluiten in het kader van deze taak en heeft de vrijheid om grond uit te geven, onder de voorwaarden die het Havenbedrijf zelf bepaalt. Het Havenbedrijf valt wat betreft de commerciële taak daarom niet onder de verantwoordelijkheid van verweerder.
6. In het onderhavige geval gaat om een vierde-linie bedrijf. Het Havenbedrijf moet aan verweerder schriftelijke toestemming vragen of een dergelijk bedrijf zich mag vestigen. Enkel die toestemming betreft de publieke taak. In het onderhavige geval is de communicatie waarbij toestemming aan verweerder wordt gevraagd of het bedrijf zich mag vestigen in Westpoort middels het besluit van 5 september 2023 geopenbaard. De verdere uitvoering en daarmee de gevraagde informatie over het verzoek om de erfpachtrechtelijke bestemming te wijzigen van het perceel hebben naar het oordeel van de rechtbank echter betrekking op de commerciële taak van het Havenbedrijf. De rechtbank is daarom, met verweerder, van oordeel dat deze documenten daarmee buiten het bereik van de Woo vallen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet open overheid.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:658 en