ECLI:NL:RBAMS:2026:346

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/13/770181 / HA RK 25-179
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot voorlopige bewijsverrichtingen in een complexe financiële zaak met internationale dimensies

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in een zaak tussen Cheyne European Strategic Value Credit RAIF en Hunkemöller International B.V. en andere verweerders. De verzoeksters, beheerders van investeringsfondsen, vroegen de rechtbank om voorlopige bewijsverrichtingen in verband met een reeks onrechtmatige transacties die zouden hebben plaatsgevonden tussen Hunkemöller en Redwood, waarbij de belangen van de verzoeksters zouden zijn geschaad. De verzoeksters stelden dat Hunkemöller en haar bestuurders onrechtmatig hadden gehandeld door een hogere rang te creëren voor Redwood ten koste van de verzoeksters, wat leidde tot een aanzienlijke waardevermindering van hun obligaties. De rechtbank heeft de verzoeken van de verzoeksters afgewezen, onder meer omdat de verzoeken te prematuur en speculatief waren. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de bestuurders onrechtmatig hadden gehandeld en dat de verzoeksters niet voldoende hadden aangetoond dat zij recht hadden op de gevraagde informatie. De rechtbank benadrukte dat de verzoeksters al procedures hadden lopen in andere jurisdicties, waaronder de Verenigde Staten, en dat het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen niet in overeenstemming was met de goede procesorde. De beschikking werd uitgesproken door rechter B.M. Visser, bijgestaan door griffier A.A.J. Wissink.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/770181 / HA RK 25-179
Beschikking van 22 januari 2026
in de zaak van

1.CHEYNE EUROPEAN STRATEGIC VALUE CREDIT RAIF,

handelend voor rekening van haar compartiment Cheyne European Strategic Value Credit Fund II,
kantoorhoudende te Luxemburg, Groothertogdom van Luxemburg,

2. CHEYNE EUROPEAN STRATEGIC VALUE CREDIT RAIF,

handelend voor rekening van haar compartiment Cheyne European Special Situations Fund,
kantoorhoudende te Luxemburg, Groothertogdom van Luxemburg,

3. CONTRARIAN CAPITAL FUND I LP,

kantoorhoudende te Greenwich, Connecticut, Verenigde Staten van Amerika,

4. CONTRARIAN OPPORTUNITY FUND III LP,

kantoorhoudende te Greenwich, Connecticut, Verenigde Staten van Amerika,

5. MAN FUNDS VI PLC,

kantoorhoudende te Dublin, Ierland,
handelend voor en namens haar subfonds Man High Yield Opportunities DE,

6. MAN FUNDS VI PLC,

kantoorhoudende te Dublin, Ierland,
handelend voor en namens haar subfonds Man High Yield Opportunities,

7. MAN FUNDS VI PLC,

kantoorhoudende te Dublin, Ierland,
handelend voor en namens haar subfonds Man Credit Opportunities Alternative,

8. MAN FUNDS VI PLC,

kantoorhoudende te Dublin, Ierland,
handelend voor en namens haar subfonds Man European High Yield Opportunities,

9. MAN FIXED INTEREST ICVC – MAN HIGH YIELD OPPORTUNITIES FUND,

kantoorhoudende te Londen, Verenigd Koninkrijk,

10. MAN GLOBAL CREDIT OPPORTUNITIES,

kantoorhoudende te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,

11. MAN FUNDS XII SPC – MAN 1783 II SP,

kantoorhoudende te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,
v e r z o e k s t e r s,
advocaat mr. G.C. Berkhout te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HUNKEMÖLLER INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SHERO MIDCO B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SHERO HOLDCO B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4.
[verweerder 4],
wonende te [plaats] ,
5.
[verweerder 5],
wonende te [plaats] ,
6.
[verweerder 6],
wonende te [plaats] ,
v e r w e e r d e r s,
advocaat mr. S. Jansen te Amsterdam.
Verweerders worden hierna afzonderlijk Hunkemöller International, Midco, Holdco, [verweerder 4] , [verweerder 5] respectievelijk [verweerder 6] genoemd. [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] worden hierna gezamenlijk de Bestuurders genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek ex. 196 Rv tot voorlopige bewijsverrichtingen, met producties;
- de tussenbeschikking van 21 augustus 2025;
- het verweerschrift, met producties;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025 en de daarin vermelde stukken.
1.2.
De beschikking is bepaald op heden.

2.De feiten

Verzoeksters
2.1.
Verzoeksters zijn (beheerders van) investeringsfondsen.
Verweerders
2.2.
Hunkemöller International is samen met een aantal met haar in een groep verbonden rechtspersonen en vennootschappen internationaal actief in de productie en verkoop van onder-, nacht- en badmode en aanverwante artikelen.
2.3.
Midco hield van 1 februari 2023 tot 21 maart 2025 alle aandelen in het kapitaal van Hunkemöller International. Holdco hield van 15 februari 2022 tot 11 maart 2025 alle aandelen in het kapitaal van Midco.
2.4.
[verweerder 4] en [verweerder 5] zijn statutair bestuurders van Hunkemöller International, Midco en Holdco. [verweerder 6] was tot 25 april 2025 statutair bestuurder van Hunkemöller International en Midco, en tot 4 februari 2025 statutair bestuurder van Holdco.
2022
2.5.
Na de overname van de Hunkemöller-groep door nieuwe eigenaren heeft een herfinanciering plaatsgevonden.
2.5.1.
In dit verband heeft Hunkemöller International van een aantal banken (hierna: de RCF Lenders) tegen verstrekking van zekerheden een
revolving credit facility(doorlopende kredietfaciliteit) verkregen tot een bedrag van (maximaal) EUR 50 miljoen.
2.5.2.
In dit verband heeft Hunkemöller International voorts van een aantal banken (hierna: de Bridge Lenders) tegen verstrekking van zekerheden een
bridge loan(overbruggingskrediet) verkregen tot een bedrag van EUR 340 miljoen.
2.5.3.
Tot slot heeft Hunkemöller International aan professionele investeerders
Notes(obligaties) uitgegeven tot een bedrag van EUR 272.500.000,00. Hierin hebben deelgenomen:
- Verzoeksters voor EUR 84.325.000,00;
- Redwood Master Fund, Ltd. en Redwood Drawdown Master Fund III, LP (hierna gezamenlijk met hun beheerder Redwood Capital Management LLC: Redwood) voor in totaal EUR 186.075.000,00;
- overige partijen voor EUR 2.100.000,00.
De aflossingsdatum is 15 november 2027, de halfjaarlijks verschuldigde rente bedraagt 9% per jaar, Hunkemöller International moet zekerheden verstrekken, de obligaties zijn verhandelbaar aan een beurs.
2.5.4.
Het met de uitgifte van de obligaties verkregen bedrag van EUR 272.500.000,00 is gebruikt om een deel van het overbruggingskrediet af te lossen, zodat daarvan resteerde EUR 67.500.000,00.
Indenture
2.6.
De obligatievoorwaarden zijn neergelegd in de
Indenture, een overeenkomst naar het recht van de staat New York, Verenigde Staten van Amerika.
2.6.1.
Partij zijn Hunkemöller International als
Issuer, een
Security Agent, een
Registrar and Transfer Agent, een
Paying Agenten een ten behoeve van de obligatiehouders optredende
Trustee.
2.6.2.
Section 02 (“With Consent of Holders”) van Article IX (“Amendments and Waivers”) bepaalt dat een groot deel van de voorwaarden van de Indenture slechts kan worden gewijzigd met instemming van de meerderheid van de obligatiehouders.
2.6.3.
Section 18 (“Payments for Consent”) van Article IV (“Covenants”) verbiedt Hunkemöller International een beloning uit te loven aan een obligatiehouder in ruil voor diens instemming met wijziging van een of meer voorwaarden.
2.6.4.
Section 10 (“Priorities”) van Article VI (“Defaults and Remedies”) bevat een ‘waterval’, dat wil zeggen een regeling van de betalingsvolgorde in geval van
defaultvan Hunkemöller International. Voor de obligatiehouders onderling geldt daarbij het beginsel van de paritas creditorum (betaling naar evenredigheid van ieders vordering).
2.6.5.
Section 6 (“Limitation on Suits”) van Article VI (“Defaults and Remedies”) bevat een
no-action clause, die rechtsmaatregelen van individuele obligatiehouders in verband met de Indenture of de obligaties uitsluit.
2.6.6.
Section 10 (“No Recourse Against Others”) van Article XII (“Miscellaneous”) luidt:
No director, officer, employee, incorporator or shareholder of the Issuer (…) shall have any liability for any obligations of the Issuer or any Guarantor under this Indenture or any Notes Documents, or for any claims based on, in respect of, or by reason of, such obligations or their creation. Each Holder by accepting a Note waives and releases all such liability. The waiver and release are part of the consideration for issuance of the Notes.
2.6.7.
Section 08 (“Consent to Jurisdiction and Service”) van Article XII (“Miscellaneous”) wijst, voor zover hier van belang, als bevoegde rechter aan “any U.S. federal or state court located in the State and City of New York, Borough of Manhattan”.
Intercreditor Agreement
2.7.
De in Section VI.10 van de Indenture vermelde
Intercreditor Agreementis een overeenkomst naar Engels recht.
2.7.1.
Partij zijn Hunkemöller International, Midco, Holdco, de RCF Lenders, de Bridge Lenders, de Trustee en de Security Agent.
2.7.2.
De Intercreditor Agreement regelt de onderlinge rechtspositie van de financiers, in het bijzonder in geval van
defaultvan Hunkemöller International. De hoofdlijnen zijn de volgende.
a. De Security Agent beheert de ten behoeve van de gezamenlijke financiers gestelde zekerheden, waaronder de pandrechten op (de aandelen in) Hunkemöller International.
b. De Security Agent wint deze zekerheden uitsluitend uit op instructie van een
Instructing Group(een vooraf geselecteerde groep van financiers) en – onder meer als het gaat om uitwinning van verpande aandelen – na verkrijging van een
Fairness Opinionvan een deskundige.
c. De Security Agent kan bij uitwinning van verpande aandelen (een deel van) de vorderingen van de financiers kwijtschelden of overdragen aan de koper.
d. Schedule 5 (“Security Enforcement Principles”) luidt, voor zover hier van belang:
It shall be the primary and over-riding aim of any enforcement of the Transaction Security to achieve the Security Enforcement Objective.
Security Enforcement Objective is gedefinieerd als “maximising, so far as is consistent with prompt and expeditious realisation of value from Enforcement of the Transaction Security, the recovery by the Super Senior Creditors, the Senior Secured Notes Creditors and the Future
Pari PassuCreditors”.
e. De Intercreditor Agreeement bevat net als de Indenture een ‘waterval’, dat wil zeggen een regeling van de betalingsvolgorde in geval van
defaultvan Hunkemöller International
2.7.3.
Section 1 (“Jurisdiction”) van Article 34 (“Enforcement”) wijst de “courts of England” aan als exclusief bevoegde rechter.
Up-Tiering
2.8.
In 2024 hebben de obligaties van Redwood een hogere rang gekregen dan die van Verzoeksters (
Up-Tiering). Het verzoekschrift vermeldt in dit verband de volgende genomen stappen: (i) integrale schrapping van het ‘samenspanningsverbod’ (artikel 4.18 van de Indenture); (ii) sluiten
Super Senior Credit Agreementtot een bedrag van EUR 50 miljoen tussen Hunkemöller International en Redwood; (iii) intrekking oude en uitgifte nieuwe obligaties aan Redwood; (iv) wijziging Waterval Indenture.
De eerste Amerikaanse procedure (1)
2.9.
Op 26 november 2024 hebben Verzoeksters bij de Amerikaanse rechter een geding aanhangig gemaakt tegen onder meer Hunkemöller International en Redwood. Verzoeksters vorderen dat voor recht wordt verklaard dat de Up-Tiering gedeeltelijk nietig althans vernietigd is. Verzoeksters baseren hun vordering onder meer op schending van de Indenture.
Onteigening (Verzoeksters) dan wel Herstructurering en uitwinning (Verweerders)
2.10.
In 2025 heeft Redwood nog eens extra financiering aan Hunkemöller International verstrekt, is de Hunkemöller-groep voor nul euro in handen gekomen van een door Redwood gecontroleerde entiteit en zijn de vorderingen van Verzoeksters overgedragen aan deze entiteit. Het verzoekschrift vermeldt in dit verband de volgende genomen stappen: (i) overname door Redwood van de schuldposities van RCF Lenders en Bridge Lenders; (ii) oprichting en invoeging Luxemburgse entiteiten; (iii) creëren Luxemburgse uitwinningsroute; (iv) uitwinning Luxemburgse Pandrecht.
De eerste Amerikaanse procedure (2)
2.11.
Op 17 juli 2025 heeft de Amerikaanse rechter beslist op de onder meer door Hunkemöller International en Redwood ingediende
motions to dismissen is de procedure voortgezet.
De tweede Amerikaanse procedure
2.12.
Bij de Amerikaanse rechter loopt, naast de hiervoor onder 2.9 en 2.11 vermelde eerste Amerikaanse procedure, een tot
discoveryen
disclosurestrekkende procedure tussen Verzoeksters en Redwood.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
In het verzoekschrift verzoeken Verzoeksters de rechtbank, om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking:
a. Verweerders hoofdelijk te veroordelen om uiterlijk binnen twee weken na de in deze procedure af te geven beschikking, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode, aan Verzoeksters afschrift te verstrekken van alle in randnummers 123(a)-(b), 126(a)-(c), 130(a)-(b), 132(a)-(b) en 134(a)-(f), 136(a)-(b), 138(a)-(i) van het verzoekschrift genoemde gegevens dan wel van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen deel van deze gegevens, door toezending van deze gegevens per brief, koerier en/of email aan de in het verzoekschrift vermelde e-mailadressen, dan wel deze gegevens digitaal ter beschikking te stellen door deze op een fileserver te plaatsen dan wel op een wijze die de rechtbank in goede justitie geraden acht;
b. voor zover de rechtbank in het kader van het verzoek onder a bepaalt dat afschrift dient te worden verstrekt van de gegevens waarom wordt verzocht in randnummers 123(a) en 130(a) op basis van specifieke trefwoorden, gelet op het bepaalde in randnummers 149 en 150 van het verzoekschrift, een onafhankelijke deskundige te benoemen om vast te stellen van welke gegevens geen afschrift hoeft te worden verstrekt aan Verzoeksters en de volledigheid van de door de Verweerders te verstrekken gegevens te controleren;
c. omtrent alle in hoofdstuk 3 van het verzoekschrift (Feiten – gebeurtenissen) genoemde onderwerpen gerelateerd aan de Up-Tiering en de Onteigening en met inachtneming van de in randnummer 154 van het verzoekschrift genoemde getuigen, een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, met bepaling van de dag en het uur waarop dit verhoor zal plaatsvinden en voorts, indien van toepassing, met bepaling van de dag waarop Verzoeksters uiterlijk een afschrift van het verzoekschrift en van de op het verzoekschrift te geven beschikking aan de getuigen moet doen toekomen;
d. te bepalen dat de Verweerders gezamenlijk en/of elk voor zich een dwangsom dienen te betalen van EUR 50.000,00 per dag dat zij niet geheel aan het gevorderde onder a voldoen, tot een maximum van EUR 5.000.000,00, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag per dag en maximum;
e. Verweerders te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten ad EUR 131,00 zonder betekening, dan wel EUR 199,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na de beschikking, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van de gehele voldoening.
3.2.
Paragraaf 1.1 (“Kernachtige omschrijving geschil en vordering”) van hoofdstuk 1 (“Inleiding”) van het verzoekschrift luidt:
1. De verzoeksters in deze procedure zijn (beheerders van) investeringsfondsen (de “
Fondsen”). Zij hebben in 2022 EUR 84.325.000 uitgeleend aan verweerster 1 (“
Hunkemöller”) in het kader van een uitgifte van obligaties. Naast de Fondsen nam ook het Amerikaanse
hedgefundRedwood (…) als financier deel aan die uitgifte. De rechten en plichten van de Fondsen en Redwood worden geregeld in de toepasselijke obligatievoorwaarden. Op grond van die voorwaarden hadden alle obligatiehouders aanvankelijk een gelijke rang en dus een gelijke aanspraak op betalingen door Hunkemöller. Verweersters 2 (“
Midco”) en 3 (“
Holdco”) waren tot voor kort de directe respectievelijk indirecte 100%-aandeelhouders van Hunkemöller. Verweerders 4-6 (de “
Bestuurders”, en samen met verweersters 1-3: de “
Verweerders”) vormen gezamenlijk het statutaire bestuur van Hunkemöller, Midco en Holdco.
2. In 2024 hebben de Bestuurders namens Hunkemöller samen met onder meer Redwood heimelijk een serie onrechtmatige transacties uitgedacht, voorbereid en uitgevoerd. Het doel van deze transacties was bewerkstelligen dat Redwood een hogere rang (
higher tier) dan de Fondsen zou krijgen onder de obligatievoorwaarden als beloning voor het verstrekken van een nieuwe lening aan Hunkemöller. Redwoods beloning kwam echter integraal uit de zak van de Fondsen die door deze
up-tieringwerden achtergesteld. De
up-tieringleidde tot grote schade voor de Fondsen, omdat hun achterstelling, vanwege de liquiditeitspositie van Hunkemöller op dat moment, meebracht dat de kans op aflossing – en daarmee de waarde – van hun obligaties kelderde. Dit is in het bijzonder kwalijk, omdat de Fondsen Hunkemöller meermaals hadden aangeboden zelf additionele financiering te verstrekken (en in schril contrast met Redwood, deden de Fondsen daarbij geen verzoek tot non-pro-rata behandeling). De
up-tieringhad dus als doel het verschaffen van voordeel aan Redwood (in de vorm van obligaties met een hogere rang/waarde) en Hunkemöller (in de vorm van een nieuwe lening) met benadeling van de Fondsen (in de vorm van waardevernietiging van hun obligaties) tot gevolg.
3. Na de
up-tieringhebben de Fondsen contact gezocht met Hunkemöller en haar Bestuurders met het verzoek toelichting te geven en te spreken over een ongedaanmaking van de
up-tiering. De Bestuurders hebben daarop zowel geweigerd toelichting te geven op de
up-tieringals te spreken over ongedaanmaking daarvan. De Fondsen zijn daarom op 26 november 2024 een gerechtelijke procedure begonnen tegen onder meer Hunkemöller en Redwood. Aangezien op grond van de obligatievoorwaarden de Amerikaanse rechter bevoegd is in het kader van een dergelijke procedure, hebben de Fondsen hun eis ingesteld voor de Rechtbank van de Staat New York. De inzet van deze procedure is ongedaanmaking van de serie onrechtmatige transacties uit 2024. De Fondsen zijn positief over hun kansen in deze procedure vanwege de evidentie van het feit dat Hunkemöller en Redwood zichzelf hebben bevoordeeld ten koste van de Fondsen, in strijd met de contractuele en wettelijke bepalingen.
4. In 2025 hebben de Bestuurders namens Hunkemöller, Midco en Holdco samen met onder meer Redwood een – nog vele malen agressievere – tweede serie onrechtmatige transacties uitgedacht, voorbereid en uitgevoerd, alles opnieuw volledig buiten het zicht van de Fondsen. Deze keer was het doel de algehele onteigening van de obligaties van de Fondsen om op eenzijdige wijze af te geraken van zowel Hunkemöllers schulden aan de Fondsen als de Amerikaanse procedure. Het betrof een ultieme poging van Hunkemöller en Redwood om met bruut transactiegeweld hun straatje schoon te vegen. In het kader van deze onteigening heeft Redwood bovendien 100% van de Hunkemöller-groep verkregen tegen een koopprijs die naar alle waarschijnlijkheid ver onder de marktwaarde ligt. De onteigening had dus als doel het verschaffen van voordeel aan Redwood (in de vorm van de bevrijding van een bedreigende procedure en de goedkope acquisitie van de Hunkemöller-groep) en Hunkemöller (in de vorm van de bevrijding van een bedreigende procedure én de bevrijding van schulden aan de Fondsen) met benadeling van de Fondsen (in de vorm van definitief verlies van hun obligaties) tot gevolg.
5. De
up-tieringen de onteigening hebben geleid tot verbijstering en verontwaardiging in de internationale investeringssector en uiteraard in het bijzonder bij de Fondsen. Het feit dat Redwood, een als zeer agressief
hedgefundte boek staande partij, daartoe in staat bleek, was één, maar dat een groot Nederlands bedrijf ervoor zou kiezen mee te werken aan dit soort malafide
financial powerplaywas een grote verrassing. Vanwege de opzettelijke aard, het heimelijke karakter en de destructieve gevolgen van de samenhangende series transacties staat voor de Fondsen vast dat alle betrokkenen bij de onrechtmatige transacties, waaronder Holdco (actief betrokken bij de onteigening) en de Bestuurders, jegens de Fondsen (ernstig verwijtbaar) onrechtmatig hebben gehandeld en gehouden zijn tot vergoeding van schade. Hun handelwijze moet immers worden aangemerkt als strijdig met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarnaast houden de Fondsen het erop dat (onderdelen van) de transacties moeten worden aangemerkt als in strijd met de goede zeden wat leidt tot nietigheid.
6. De Fondsen zijn dan ook voornemens tegen Holdco en de Bestuurders in Nederland een gerechtelijke procedure aanhangig te maken waarin zij onder meer schadevergoeding en een verklaring voor recht van nietigheid zullen eisen. De hoogte van de schadevergoedingsvordering kunnen de Fondsen op dit moment nog niet begroten, maar deze zal substantieel zijn gelet op het feit dat zij hun obligaties nog in 2022 hebben genomen tegen EUR 84.325.000. Voorafgaand aan het instellen van een hoofdzaak wensen de Fondsen over de transactie informatie te vergaren ter opheldering van feiten en ter nadere bepaling van hun rechtspositie. Het bestaan van die behoefte is het directe gevolg van het feit dat de onrechtmatige transacties consequent opzettelijk buiten het zicht van de Fondsen zijn uitgevoerd en de betrokkenen sinds de ontdekking van de onrechtmatige gedragingen structureel hebben geweigerd toelichting en documenten te verstrekken.
In een voetnoot voegen Verzoeksters hieraan toe:
Overigens overwegen de Fondsen ook een procedure aanhangig te maken tegen Hunkemöller, maar vanwege een jurisdictiebeding in een overeenkomst tussen partijen (de Intercreditor Agreement (…)) is de Engelse rechter bevoegd kennis te nemen van vorderingen tegen haar. Tegen die achtergrond is Hunkemöller in het kader van dit verzoekschrift slechts verweerder als partij die bepaalde relevante gegevens onder zich heeft en niet als beoogde gedaagde in de hoofdzaak. Midco heeft eveneens te gelden als derde die bepaalde relevante gegevens onder zich heeft, nu zij ook geen gedaagde in de hoofdzaak zal zijn.
3.3.
Verweerders voeren verweer en concluderen tot afwijzing van het verzoek, subsidiair tot beperking zoals uiteengezet in hoofdstuk 6 van het verweerschrift. Die beperkingen betreffen de te verstrekken afschriften en komen, in de bewoordingen van Verweerders zelf, neer op: (i) selectie van relevante onderwerpen en passages; (ii) zwartlakken persoonsgegevens en bedrijfsvertrouwelijke informatie; (iii) geen verstrekking van verschoningsgerechtigde informatie; (iv) strikte geheimhouding voor zover stukken worden verstrekt; (v) termijn voor verstrekking; (vi) geen dwangsommen of in ieder geval vergaande matiging; (vii) voorschot op kosten; (viii) geen uitvoerbaarheid bij voorraad; (ix) benoeming deskundige onnodig.
3.4.
Hoofdstuk 2 (“Kern van de zaak”) van het verweerschrift luidt, voor zover hier van belang:
2.1
De AHG (Verzoeksters;
rechtbank) richt zich op twee afzonderlijke transacties. Ten eerste tegen de zogenoemde up-tiering van de door Redwood gehouden Notes in juni 2024 (hierna: de
Up-Tiering), in het kader van een destijds door Redwood verstrekte lening. Ten tweede klaagt zij over de uitwinning van zekerheden door Redwood, de grootste schuldeiser, op 21 maart 2025 (hierna: de
Herstructurering). De AHG stelt dat beide transacties onrechtmatig zouden zijn uitgevoerd en dat de bestuurders van de Hunkemöller Groep persoonlijk aansprakelijk zouden zijn voor de daardoor beweerdelijk geleden schade. Deze stellingen missen feitelijke en juridische grondslag: beide transacties worden door buitenlands recht beheerst en zijn conform de uitdrukkelijk overeengekomen contractuele bepalingen uitgevoerd.
2.2
De Notes worden beheerst door de afspraken in een door New Yorks recht beheerste
indenture(obligatievoorwaarden) (de
Indenture). De Indenture is na uitvoerige onderhandelingen tussen (zeer) professionele partijen gesloten. Voor de beoordeling van de Up-Tiering is de New Yorkse rechter bevoegd. Die rechter heeft inmiddels, bij toewijzing van een door onder meer Hunkemöller ingestelde
motion to dismiss, het merendeel van de door AHG ingestelde vorderingen afgewezen bij gebrek aan juridische grondslag, zonder dat een inhoudelijk feitenonderzoek nodig was.
2.3
Naast de Up-Tiering gaat deze zaak over de herstructurering van de kapitaalstructuur van de Hunkemöller Groep, een ingreep die noodzakelijk was omdat de onderneming haar bestaande schuldenlast niet langer kon dragen. De herstructurering is uitgevoerd overeenkomstig de door Engels recht beheerste
intercreditor agreement(de
ICA). Professionele schuldeisers, waaronder de AHG, zijn daarin kort gezegd expliciet overeengekomen dat zij hun vorderingen volledig kunnen kwijtraken indien zich bepaalde omstandigheden voordoen. Bij de herstructurering, en de daarmee samenhangende uitwinning van zekerheden, zijn de in de ICA neergelegde spelregels strikt gevolgd. Op grond van deze ICA mag een meerderheid van de schuldeisers (gevormd door Redwood) bij een
Event of Defaultop een beslissende wijze haar stemrechten uitoefenen, ongeacht of de overige schuldeisers zich daarin kunnen vinden.
2.4
De contractuele risico’s waren voor de AHG bekend en zijn uitdrukkelijk aanvaard. Dat de AHG zich niet kan verenigen met de voor haar nadelige consequenties, hoe teleurstellend ook, rechtvaardigt geen actie tegen de Hunkemöller Groep en zeker niet tegen haar bestuurders. De beschuldigingen ontberen iedere feitelijke en juridische grondslag en onderbouwing. Bovendien negeert de AHG volledig de commerciële en contractuele risico’s die de fondsen bewust hebben aanvaard toen zij de Notes kochten.
2.5
De AHG is al procedures begonnen in New York (tegen de Up-Tiering) en Luxemburg (waar de uitwinning van zekerheden heeft plaatsgevonden). Daarnaast heeft de AHG aangekondigd dat ook op korte termijn in Engeland te zullen doen tegen de Herstructurering. Daarbovenop wenst de AHG nu ook aanknopingspunten te vinden voor een procedure in Nederland, terwijl de kern van het geschil elders beslecht wordt en moet worden.
2.6
In Nederland richt de AHG haar pijlen op Shero Holdco B.V. (
Holdco) en de bestuurders van de groep. Holdco speelde geen enkele rol bij de Up-Tiering en slechts een bijrol bij de uitwinning. Bovendien is Holdco partij bij de ICA, waardoor de Engelse rechter exclusief bevoegd is. De AHG miskent voorts dat bestuurders van een Nederlandse vennootschap tegenover derden slechts aansprakelijk zijn bij een persoonlijk ernstig verwijt. De bestuurders hebben juist gehandeld onder de omstandigheden: geconfronteerd met een acute liquiditeitscrisis had Hunkemöller de plicht een herstructurering door te voeren in het belang van álle stakeholders. Alle besluiten zijn genomen na inwinning van deskundig juridisch en financieel advies, in het vennootschappelijk belang en binnen de contractuele en wettelijke kaders.
2.7
Verweerders zullen uiteenzetten dat de verzoeken van de AHG niet toewijsbaar zijn. Het verzoek tot inzage voldoet niet aan de voor toewijzing geldende vereisten, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien. Van een voldoende aannemelijke rechtsbetrekking is immers al geen sprake: de AHG baseert haar vermeende vorderingen kennelijk op (ernstig verwijtbaar) onrechtmatig handelen van bestuurders en Holdco. De AHG kan echter op grond van de financieringsdocumentatie helemaal geen procedures starten tegen deze partijen. De Indenture bevat een zogenaamde
no-action clause, op grond waarvan het de AHG niet is toegestaan een procedure te beginnen die verband houdt met de Indenture of de daaronder uitgegeven Notes. Daarnaast is de AHG overeengekomen in de Indenture dat zij geen verhaal kan nemen op enige bestuurder (director) of aandeelhouder (Holdco) van Hunkemöller (de Issuer). Deze (…) afspraak betekent dat, zelfs in het theoretische geval dat er grond zou zijn voor de vorderingen die de AHG pretendeert te kunnen instellen, een dergelijke vordering niet aan haar toekomt en de AHG dus niet-ontvankelijk is.
(…)
2.8
De AHG speculeert bovendien slechts een mogelijke rechtsbetrekking te hebben met Holdco en/of de bestuurders; zij maakt geenszins aannemelijk dat de bestuurders of Holdco jegens AHG onrechtmatig handelden. (…).
2.9
Naast het ontbreken van een rechtsbetrekking, heeft de AHG ook onvoldoende belang bij haar verzoek. Er is overstemming tussen partijen dat de AHG de belangrijkste stukken op vertrouwelijke basis zal ontvangen, waaronder het waarderingsrapport en de fairness opinion van Grant Thornton en stukken over de uitwinning. Er is daarom geen reden voor een ongeclausuleerde speurtocht door grote bergen aan interne e-mails, notulen van (bestuurs)vergaderingen en financiële rapportages. Het belang dat AHG daartoe opvoert is louter speculatief: de aanname dat onvoldoende onderzoek naar alternatieven is gedaan, het “vermoeden” van mogelijk hogere opbrengsten of een gefabriceerd event of default onder de financieringsdocumentatie én “mogelijke” extra gedaagden. Daarmee probeert de AHG uitsluitend aanknopingspunten te vinden voor nieuwe vorderingen en ‘nader te bepalen’ of iets onrechtmatigs valt te construeren. Artikel 194 jo. 196 Rv is niet bedoeld als voorportaal voor onbeperkte
discoverynaar Amerikaans model. Bovendien loopt in die jurisdictie nota bene al een uitgebreid
discovery proces, dat sterk overlapt met het verzoek tot inzage in deze procedure. Alle voor de AHG relevante documenten zijn of worden in dat kader al verstrekt. Dat zij daarnaast naar Nederlands recht op nóg meer informatie recht zou hebben, is op zichzelf al hoogst onaannemelijk.
2.1
De gevraagde categorieën zijn bovendien veel te breed geformuleerd (…) en louter afgebakend met generieke zoekwoorden (…). Dat is niet alleen een onrechtmatige
fishing expedition, het zou Verweerders ook dwingen hun gehele (interne) administratie te openen zonder enigerlei concrete aanwijzing dat daarin relevant bewijs besloten ligt. Het doorzoeken van potentieel miljoenen documenten, in aanvulling op het al kostbare lopende
discovery procesin New York zou Verweerders voor onevenredige kosten stellen en maanden tijd kosten.
2.11
Ten slotte is het verzoek in strijd met de goede procesorde en is sprake van misbruik van recht. De AHG procedeert reeds in New York over de Up-tiering en heeft aangekondigd de Security Agent en Hunkemöller te dagvaarden in Engeland over de uitwinning. Eerst dienen die procedures te worden afgewacht. Dat de AHG ervoor kiest om vooruitlopend op de uitkomsten in die procedures nu ook in Nederland een procedure te beginnen tegen (vooral) de bestuurders lijkt uitsluitend een oneigenlijk drukmiddel; met aanzienlijke kosten tot gevolg, voor een onderneming die net uit een omvangrijke Herstructurering komt. Iedere procedure in Nederland tegen de bestuurders zal in afwachting van de procedures in New York en Engeland moeten worden aangehouden om het risico op tegenstrijdige beslissingen te voorkomen.
2.12
Ook ten aanzien van de verzochte getuigenverhoren is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor toewijzing. De AHG heeft nagelaten in enige mate van concreetheid aan te geven welke feiten en omstandigheden zij wil bewijzen; volstrekt onduidelijk is ten aanzien van welke specifieke onderwerpen welke specifieke getuigen gehoord zouden moeten worden en over welke feiten en omstandigheden zij (uit eigen waarneming) kunnen verklaren. Zelfs als aan het minimumvereiste voor toewijzing zou worden voldaan, dwingt toetsing aan de afwijzingsgronden tot afwijzing van het verzoek. In het licht van lopende en aangekondigde procedures in andere (aangewezen) jurisdicties misbruikt de AHG kennelijk het verzoek als actie- of pressiemiddel en de goede procesorde belet dat in dit stadium prematuur een kostbaar, tijdrovend en voor alle betrokkenen belastend middel van een getuigenverhoor wordt ingezet, terwijl de AHG nalaat aannemelijk te maken dat een getuigenverhoor iets zal toevoegen aan de reeds beschikbare informatie en de mogelijkheden die zij heeft om getuigen te horen in het kader van (reeds lopende) procedures in andere jurisdicties. In ieder geval zal de heer [verweerder 4] binnenkort in het kader van de Amerikaanse procedure al worden gehoord.
2.13
Tegen deze achtergrond zijn de verzoeken van de AHG slechts te zien als een uitgebreide
fishing expeditionnaar een groot aantal interne, bedrijfsvertrouwelijke stukken, in de hoop om enige aanknopingspunt voor een vordering op in het bijzonder de bestuurders te kunnen construeren. Daarvoor biedt ook het nieuwe inzagerecht of een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor geen basis, en deze verzoeken dienen dan ook te worden afgewezen.
3.5.
Bij brief van 22 september 2025 hebben Verzoeksters hun verzoek gewijzigd. Zij hebben hun verzoek verminderd in die zin dat zij niet langer verzoeken om (afschrift van) (a) de akte van verpanding van 11 maart 2025 waarmee Luxco 1 het Luxemburgse Pandrecht heeft gevestigd op de aandelen in Luxco 2, (b) de notificatie aan Luxco 1 van de uitwinning van het Luxemburgse Pandrecht en (c) de Opinie van Grant Thornton UK. Zij hebben hun inzageverzoek voorts op een aantal punten vermeerderd casu quo geconcretiseerd.
3.6.
Ter zitting hebben Verzoeksters nader toegelicht dat het hen bij de te verstrekken afschriften in het kort gaat om:
a. communicatie tussen (a) Bestuurders onderling en tussen (b) de Bestuurders en enkele specifieke andere partijen over de Up-Tiering en de Onteigening, in een bepaalde periode;
b. notulen van vergaderingen van de Bestuurders waarin de Up-Tiering en Onteigening aan bod is gekomen, in een bepaalde periode;
c. contractuele lenings- en zekerhedendocumentatie die ziet op de te onderscheiden stappen van de Up-Tiering en Onteigening, veelal met specifieke datum;
d. overnamedocumentatie en aanverwante documenten ter zake van de oprichting van Luxco 1 en Luxco 2 door Holdco en de verkoop van de aandelen van Midco door Holdco aan Luxco 2, eveneens veelal met specifieke datum;
e. financiële documentatie waarmee de financiële toestand van Hunkemöller voorafgaand aan en na de Up-Tiering kan worden beoordeeld, en die is gedeeld met Grant Thornton; en
f. documentatie over het voor de Onteigening cruciale event of default dat beweerdelijk op 21 maart 2025 heeft plaatsgevonden, zoals de instructies aan de Security Agent en het aan de Security Agent verschafte bewijs van vermeende niet-nagekomen betalingsverplichtingen door Hunkemöller.

4.De beoordeling

Rechtsmacht
4.1.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het verzoek van Verzoeksters moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 november 2014, PbEU 2015, L 54 (de Verordening Brussel I-bis). Verzoeksters hebben immers woonplaats buiten Nederland, het verzoekschrift is ingediend na 10 januari 2015 en de zaak valt binnen het materiële toepassingsgebied van de verordening. Voor dit laatste is bepalend dat uit de stellingen over en weer naar voren komt dat de eventueel aanhangig te maken zaak een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van de verordening zal zijn. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 van de verordening bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van Verzoeksters, omdat Verweerders alle woonplaats hebben in Nederland.
Interne bevoegdheid
4.2.
De bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van het verzoek van Verzoeksters moet worden beoordeeld aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.3.
Het verzoek van Verzoekers strekt tot verstrekking van afschrift van gegevens als bedoeld in paragraaf 7 van de negende afdeling (Bewijs) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en tot voorlopige bewijsverrichtingen als bedoeld in paragraaf 8 van dat wetboek.
Paragraaf 7 kent geen afzonderlijke bevoegdheidsbepaling zodat van toepassing is de algemene bevoegdheidsbepaling, artikel 262 Rv. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat, indien het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding in te leiden geding, bevoegd is de rechter die bevoegd is van dat geding kennis te nemen.
Paragraaf 8 kent wel een afzonderlijke bevoegdheidsbepaling. Artikel 197 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt.
4.4.
Zoals hiervoor onder 3.2 onder 6 al is vermeld, zijn Verzoeksters voornemens een geding aanhangig te maken tegen de Bestuurders en Holdco.
4.5.
[verweerder 4] en [verweerder 5] hebben beiden woonplaats in [plaats] . Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is deze rechtbank ten aanzien van hen bevoegd.
4.6.
[verweerder 6] heeft woonplaats in [plaats] . Nu Verweerders zich niet hebben beroepen op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank (en ook niet hebben aangekondigd dat zij, althans de Bestuurders en Holdco, dat in de aanhangig te maken zaak alsnog zullen doen), acht de rechtbank zich ook ten aanzien van hem bevoegd. In dit verband wordt ook verwezen naar artikel 110 lid 1 Rv.
4.7.
Verweerders beroepen zich met betrekking tot Holdco op artikel 34.1 van de Intercreditor Agreement (zie hiervoor onder 2.7.3). Verzoeksters stellen hiertegenover dat dit beroep niet opgaat. De aard van de onderhavige procedure laat geen nader onderzoek op dit geschilpunt toe. De rechtbank gaat er in deze procedure van uit dat zij ook ten aanzien van Holdco bevoegd is. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat Verweerders niet bestrijden dat de rechtbank in elk geval bevoegd is om de positie van Holdco als over gegevens beschikkende derde te beoordelen.
Toepasselijk recht
4.8.
Te onderscheiden zijn het toepasselijke formele recht (het burgerlijk procesrecht) en het toepasselijke materiële recht (het recht betreffende de aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders).
4.9.
Artikel 10:3 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is.
4.10.
Met betrekking tot het materiële recht gaan partijen in hun stellingen over en weer allereerst uit van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht. Mede gelet op artikel 10:119 aanhef en onder d en e BW volgt de rechtbank hen hierin. De enkele omstandigheid dat bij de beoordeling van de aansprakelijkheid ook bepalingen uit de Indenture en de Intercreditor Agreement (overeenkomsten naar het recht van New York respectievelijk Engels recht) van belang (kunnen) zijn leidt niet tot een ander oordeel.
Voorlopige bewijsverrichtingen
4.11.
Paragraaf 8 van de negende afdeling (Bewijs) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voegt de verschillende verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen samen en stemt de beoordelingscriteria nader op elkaar af.
4.12.
Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 9) is het eerste uitgangspunt van de wetgever het verzamelen door partijen van zoveel mogelijk relevante informatie over hun geschil voorafgaand aan een procedure.
4.13.
Centraal staat in dit verband artikel 196 lid 2 Rv: de rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat: (a) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, (b) onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, (c) het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, (d) sprake is van misbruik van bevoegdheid of (e) andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Over artikel 196 Rv is in de Memorie van Toelichting te lezen (Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 57):
Voordat de afwijzingscriteria afzonderlijk worden toegelicht, wordt nog opgemerkt dat de afwijzingscriteria geen van elkaar afgescheiden criteria vormen, maar min of meer in elkaar overlopen en om die reden naast elkaar van toepassing kunnen zijn. De criteria beogen de rechter houvast te geven om een verzoek tot informatie af te wijzen als daarvoor een gegronde reden aanwezig is. Van een onderlinge rangorde is daarom geen sprake, hoewel het vierde en vijfde criterium (misbruik van bevoegdheid en het bestaan van gewichtige redenen) als sluitstuk fungeren. Daarmee wordt bedoeld dat een verzoek dat de toetsingsgronden a), b), of c) doorstaat, alsnog kan worden afgewezen op grond van de criteria d) of e). Aan de hand van deze vijf criteria kan de rechter bij de beslissing op het verzoek om informatie verschillende aspecten in zijn oordeel meewegen, zoals de aard van het geschil, de aard en hoeveelheid van de verzochte informatie, de beschikbaarheid ervan, de kosten, de moeite die het kost om de informatie te verzamelen en te verstrekken, de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie en de hoedanigheid van partijen en van eventuele derden.
4.14.
Voor het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van gegevens komt hier via de artikelen 204 en 195 lid 1 Rv bij artikel 194 lid 1, eerste volzin, Rv: een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft.
4.15.
In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 57) wordt opgemerkt dat de afwijzingsgronden van artikel 196 Rv deels overlap vertonen met de voorwaarden waaronder een recht op inzage, afschrift of uittreksel bestaat. De in artikel 194 Rv gestelde voorwaarden betreffen de materiële gronden voor de toewijzing van een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel en zijn meer gericht op een inhoudelijke beoordeling van een dergelijk verzoek. De processuele gronden van artikel 196 Rv zijn bedoeld als toetsingscriteria voor de toewijzing van een voorlopige bewijsverrichting (waaronder een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel) voorafgaand aan een procedure en zien vooral op het processuele belang van een partij bij een voorlopige bewijsverrichting. Met de overlap tussen de materiële en processuele toetsingsgronden is verder geen inhoudelijk verschil beoogd, aldus de Memorie van Toelichting.
4.16.
Het verzoek van Verzoeksters strekt tot twee voorlopige bewijsverrichtingen: (i) afschrift van bepaalde gegevens en (ii) een voorlopig getuigenverhoor.
Tussenstap
4.17.
De rechtbank roept in herinnering dat Verzoeksters voornemens zijn in Nederland een geding aanhangig te maken tegen de Bestuurders en Holdco, waarin zij onder meer schadevergoeding en een verklaring voor recht van nietigheid zullen vorderen.
Verzoeksters stellen dat alle betrokkenen bij de (volgens hen onrechtmatige) transacties (de Up-Tiering en de Onteigening), waaronder de Bestuurders en Holdco, jegens hen (ernstig verwijtbaar) onrechtmatig hebben gehandeld en gehouden zijn tot schadevergoeding. Zij kwalificeren de handelwijze van de Bestuurders en Holdco als strijdig met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW).
Verzoekster stellen voorts dat (onderdelen van) de transacties moeten worden aangemerkt als in strijd met de goede zeden, wat leidt tot nietigheid.
4.18.
De rechtbank gaat er hierna veronderstellenderwijs van uit dat artikel 6.6 (de
no-action clause) (zie hiervoor onder 2.6.5) en artikel 12.10 (“No Recourse Against Others”) (zie hiervoor onder 2.6.6) van de Indenture niet aan een dergelijk geding in de weg staan en dat – voor Holdco – hetzelfde geldt voor artikel 34.1 van de Intercreditor Agreement.
Het verzoek om afschrift van bepaalde gegevens
4.19.
In de Memorie van Toelichting wordt onder het kopje Partij bij een rechtsbetrekking het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 47):
Onder een «rechtsbetrekking» worden alle burgerrechtelijke betrekkingen tussen twee of meer partijen verstaan. Hieronder vallen de rechten en plichten van partijen bij een tussen hen gesloten overeenkomst en bij verbintenissen uit de wet, zoals een onrechtmatig daad. Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft nog niet in rechte vast te staan. Partij bij een rechtsbetrekking kan een ieder zijn die bij een rechtsbetrekking is of wordt betrokken. Ook degene die zich op het standpunt stelt dat er helemaal geen rechtsbetrekking bestaat waarbij hij partij is, kan aanspraak maken op bepaalde gegevens om dat aan te tonen. De inzet van een procedure kan juist bestaan in de vraag of tussen partijen al dan niet een rechtsbetrekking bestaat. Vaak zijn bepaalde feiten die van belang zijn voor het bestaan, de inhoud of de omvang van een rechtsbetrekking nog niet helder. Precies om die reden kan een partij aanspraak maken op bepaalde gegevens waarover zij niet zelf beschikt, maar een ander wel. Uit de verkregen informatie kan ook blijken dat een partij die meende bij een rechtsbetrekking betrokken te zijn, dat toch uiteindelijk niet is, waardoor een potentieel geschil tussen partijen vroegtijdig kan worden beëindigd. Gelet op het doel om opheldering van de feiten te verkrijgen en geschillen zo effectief mogelijk op te lossen, moet het begrip «partij bij een rechtsbetrekking» ruim worden opgevat. Naar aanleiding van enkele consultatiereacties wordt opgemerkt dat de partij die om inzage verzoekt, niet eerst voldoende aannemelijk hoeft te maken dat zij een vorderingsrecht heeft, zoals in zaken van intellectuele eigendom (IE-zaken) is vereist. Die eis hangt samen met dit specifieke rechtsgebied en artikel 1019a dat de implementatie vormt van artikel 6 van de Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48/EG, PbEG 2004, L 195/16).
4.20.
Deze overwegingen van de wetgever laten onverlet dat voldaan moet worden aan de overige vereisten van artikel 194 lid 1, eerste volzin, Rv (bepaalde gegevens en voldoende belang). Deze overwegingen laten ook onverlet dat, ook al is voldaan aan de vereisten van artikel 194 lid 1, eerste volzin, Rv, het verzoek niettemin kan afstuiten op een of meer van de gronden van artikel 196 lid 2 Rv.
4.21.
Verzoeksters kunnen dan ook niet volstaan met de stellingen dat zij herhaalde malen tevergeefs hebben aangeboden Hunkemöller International extra financiering te verstrekken, dat zij door Hunkemöller International en Redwood echter overal buiten zijn gehouden, dat zij achteraf slechts summier zijn geïnformeerd, dat zij uiteindelijk met lege handen zijn achtergebleven en dat zij over de oorzaken daarvan zo hun vermoedens hebben. Deze stellingen – zo al juist – impliceren geen aansprakelijkheid van de Bestuurders en/of Holdco. Verzoeksters moeten hun verzoek op zijn minst enige daarop toegespitste inhoud geven. Dit geldt zeker nu hun verzoek zich richt op een groot aantal gegevens over een groot aantal stappen in een lang durend proces. Het verzoek zou anders ontaarden in een
fishing expedition. In dit opzicht schiet het verzoek van Verzoeksters tekort. Dit wordt hierna toegelicht.
4.22.
Vooropgesteld wordt dat vooralsnog geen enkele direct bij een transactie betrokken partij door een bevoegde buitenlandse rechter aansprakelijk is gehouden voor de door Verzoeksters gestelde schade en dat vooralsnog geen enkele transactie door een bevoegde buitenlandse rechter nietig is geoordeeld, een en ander naar welk recht en op welke grond dan ook.
4.23.
Verzoeksters verwijten de Bestuurders onrechtmatig handelen, te weten handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zij lichten niet voldoende toe waarop zij dit verwijt baseren.
a. Verzoeksters erkennen dat volgens vaste (Nederlandse) rechtspraak voor ‘gewone’ bestuurdersaansprakelijkheid nodig is dat (ook) de betrokken vennootschap (in dit geval Hunkemöller International, Midco en/of Holdco) aansprakelijk (of anderszins ‘fout’) is en dat de bestuurder ter zake een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor onder 4.22 is vastgesteld, is tot dusverre in rechte niet geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. De Amerikaanse procedures lopen nog, een Engelse procedure is, naar Verzoeksters zelf stellen, in voorbereiding. Pas na afronding van deze procedures staat vast of en, zo ja, in hoeverre aan deze voorwaarde is voldaan. Tot dan toe is de stelling van Verzoeksters dat deze procedures in hun voordeel zullen uitvallen (te) speculatief. Het is daarom in strijd met artikel 196 lid 2 Rv om van Verweerders te verlangen dat zij reeds thans aan het verstrekkende verzoek om afschrift van bepaalde gegevens voldoen.
b. Hier komt bij dat Verzoeksters niet of nauwelijks duidelijk maken welk ernstig persoonlijk verwijt de Bestuurders (mogelijk) treft. Dit past ook bij hun insteek, die erop neerkomt dat zij op zoek zijn naar argumenten. Dat de Bestuurders hebben gehandeld op grond van ongerechtvaardigde motieven en evident onjuiste afwegingen is, anders dan Verzoeksters stellen, (nog) geen feit. Verder dan vermoedens over de beweegredenen van de Bestuurders bij de Up-Tiering en de Onteigening komen zij niet.
c. Het Nederlandse recht kent ook bestuurdersaansprakelijkheid los van onrechtmatig (of anderszins ‘fout’) handelen van de betrokken vennootschap. Verzoeksters maken niet duidelijk dat hiervan sprake zou (kunnen) zijn.
4.24.
Verzoeksters verwijten ook Holdco onrechtmatig handelen. Zij geven echter ook aan dit verwijt te weinig handen en voeten. Bedacht moet worden dat de drempel voor aandeelhoudersaansprakelijkheid nog hoger ligt dan die voor bestuurdersaansprakelijkheid. Verzoeksters maken ook ten aanzien van Holdco niet of nauwelijks duidelijk wat hun verwijt is en waarop zij dat baseren. Verweerders voeren aan dat Holdco niet betrokken is geweest bij de Up-Tiering en dat haar rol bij de Herstructurering/uitwinning van de zekerheden niet noemenswaardig is geweest. Verzoeksters gaan op dit verweer niet of nauwelijks is, terwijl dit wel op hun weg had gelegen.
Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor
4.25.
Verzoeksters wensen de Bestuurders als getuigen te doen horen.
4.26.
Dit verzoek stuit allereerst af op dezelfde overwegingen als het verzoek om afschrift van gegevens. Voorts is niet voldoende gespecificeerd over welke feitelijke gebeurtenissen welke bestuurder gehoord zou moeten worden en dat en waarom hij hierover zou kunnen verklaren. Verweerders wijzen erop dat [verweerder 4] in de tweede Amerikaanse procedure is of zal worden gehoord. Goed beschouwd wensen Verzoeksters de Bestuurders te doen horen over alle wezenlijke stappen in het hele proces. Mede gelet op de (nog) niet onderbouwde rechtsbetrekking tussen hen en de Bestuurders is dit in strijd met de goede procesorde en/of misbruik van recht.
Conclusie
4.27.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de verzoeken als (te) prematuur en (te) speculatief moeten worden afgewezen. Een ander oordeel zou tot een ongeoorloofde
fishing expeditionleiden en daarvoor zijn voorlopige bewijsverrichtingen niet bedoeld.
4.28.
Verweerders verzoeken niet om een proceskostenveroordeling. Mede gelet op artikel 289 Rv ziet de rechtbank geen aanleiding om ambtshalve een proceskostenveroordeling uit te spreken.

5.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.M. Visser, rechter, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.