Art. 55 RvArt. 115 lid 2 RvArt. 6 onder a RvArt. 99-109 RvArt. 6:119a BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Betalingsovereenkomst inzameling restafval met proceskostenveroordeling
Eisende partij, de gemeente Amsterdam, vordert betaling van een bedrag van €7.150,11 van gedaagde partij Trevia Taxi B.V., gevestigd in Algerije, wegens niet-nakoming van een overeenkomst tot inzameling van restafval. Gedaagde partij is niet verschenen en verstek is verleend.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 6 onderPro a Rv, omdat de verbintenis in Nederland is uitgevoerd. Het toepasselijke recht is Nederlands recht conform de Rome I Verordening. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding tot volledige betaling, maar niet over het reeds verschenen deel omdat niet is aangetoond dat dit over een vol jaar is verschuldigd.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen op basis van artikel 6:96 BWPro en het Besluit vergoeding incassokosten, waarbij de hoofdsommen worden samengevoegd en een redelijke vergoeding van €484,92 wordt vastgesteld. Over deze incassokosten wordt wettelijke rente toegekend. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van €1.221,66, te vermeerderen met kosten van betekening en wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van hoofdsom, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten wegens niet-nakoming van overeenkomst.
Uitspraak
RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12040443 \ CV EXPL 26-3
Vonnis van 7 april 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: van Twuijver Incasso B.V.,
tegen
TREVIA TAXI B.V.,
gevestigd te Constantine, Algerije,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1.De procedure
1.1.
Eisende partij heeft bij dagvaarding van 29 oktober 2025 een vordering tegen gedaagde partij ingesteld overeenkomstig de door haar overgelegde dagvaarding.
1.2.
Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin op de in het exploot van de dagvaarding vermelde terechtzitting van 3 februari 2026 te 10:00 uur geantwoord.
2.De beoordeling
Betekening
2.1.
Gedaagde partij is gevestigd in Algerije. Algerije is geen partij bij het Haags Betekeningsverdrag [1] , en ook niet bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag [2] . Ook de Betekeningsverordening [3] is niet van toepassing.
Artikel 55 lid 1 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt in dat geval dat betekening dient plaats te vinden aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie, die een afschrift van het exploot ten behoeve van degene voor wie het bestemd is, toezendt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Een tweede afschrift dient door de deurwaarder per aangetekende brief onverwijld te worden toegezonden aan de woonplaats of het werkelijk verblijf van de betrokkene.
2.2.
Uit het exploot van de dagvaarding blijkt dat de voorschriften van artikel 55 lid 1 RvPro is voldaan. Gedaagde partij is opgeroepen om op de zitting van 3 februari 2026 te 10:00 te antwoorden. Gedaagde partij is niet in de procedure verschenen.
2.3.
Op grond van artikel 115 lid 2 RvPro bedraagt de dagvaardingstermijn indien de gedaagde noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in het eerste lid, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, ten minste drie maanden. Eisende partij heeft deze termijn in acht genomen. Daarom wordt verstek tegen gedaagde partij verleend.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
2.4.
Het gaat om een zaak met een internationaal aspect, nu eisende partij in Nederland is gevestigd en gedaagde partij in Algerije. Allereerst moet daarom ambtshalve worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Nu er geen sprake is van een toepasselijk verdrag of verordening dat in dit geval de rechtsmacht regelt, moet de bevoegdheid worden vastgesteld aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 Rv. Op grond van artikel 6 onderPro a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is in deze zaak een overeenkomst tot inzameling van restafval. De plaats van uitvoering is gelegen in Amsterdam. Dat betekent dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
2.5.
De relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dagvaardingsprocedures is geregeld in de artikelen 99 tot en met 109 Rv. Omdat de artikelen 99 tot en met 108 geen bevoegde rechter aanwijzen, is deze rechtbank als de rechter van de woonplaats van eisende partij op grond van artikel 109 RvPro bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
2.6.
Het op de overeenkomst van partijen toepasselijke recht dient te worden bepaald aan de hand van de Rome I Verordening. Artikel 4 lid 1 sub b vanPro voornoemde verordening bepaalt dat “de overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft”. Nu dit Nederland is, is het Nederlands recht van toepassing op de overeenkomst tussen partijen.
De verdere beoordeling
2.7.
Eisende partij vordert betaling van een bedrag van € 7.150,11, vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de dag der dagvaarding. Dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 3.599,23, (verschenen) wettelijke handelsrente van € 1.350,88 en buitengerechtelijke incassokosten van € 2.200,00.
2.8.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de verschenen wettelijke handelsrente is slechts toewijsbaar over dat deel dat een vol jaar is verschuldigd (artikel 6:119a lid 3 BW). Nu niet is gesteld of gebleken dat of welk deel van de gevorderde verschenen wettelijke handelsrente reeds over een vol jaar is verschuldigd, is dit deel van het gevorderde niet toewijsbaar. De kantonrechter zal daarom de gevorderde wettelijke handelsrente toewijzen over de hoofdsom vanaf datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
2.9.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BWPro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Eisende partij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Eisende partij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Eisende partij heeft meer dan één vordering op gedaagde partij en heeft daarvoor afzonderlijke incassohandelingen verricht. Het gaat steeds om kleine vorderingen. Voor die vorderingen had in één aanmaning kunnen worden aangemaand. Voor de vaststelling van de vergoeding worden de hoofdsommen daarom bij elkaar opgeteld. Toewijzing van een hogere vergoeding wordt niet redelijk geoordeeld. Daarom zal een bedrag van € 484,92 worden toegewezen.
2.10.
Buitengerechtelijke (incasso)kosten zijn een vorm van vermogensschade (art. 6:96 sub c BWPro). Omdat de wettelijke handelsrente-regeling van artikel 6:119a BW niet van toepassing is op schadevergoedingsbedragen, wordt de wettelijke rente van artikel 6:119 BWPro toegewezen over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
2.11.
De vordering komt de kantonrechter voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen als vermeld onder de beslissing.
2.12.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
158,66
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
360,00
(1 punt × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.221,66
3.De beslissing
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen:
€ 3.599,23 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
€ 1.350,88 aan verschenen wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:199a BW,
€ 484,92 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro vanaf 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 1.221,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
64443
Voetnoten
1.Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, 's-Gravenhage, 15-11-1965;
2.Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering;
3.Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (herschikking);