Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3521

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/13/773139 / HA ZA 25-1328
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 431 lid 2 RvArt. 2 RvArt. 4 lid 1 EU-verdrag erkenning en tenuitvoerleggingArt. 6 EVRMArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning en tenuitvoerlegging van Engelse vonnissen met hoofdelijke veroordeling

360 Europe c.s. vorderen de erkenning en tenuitvoerlegging van twee Engelse vonnissen tegen HCI 360 c.s. waarin deze laatste zijn veroordeeld tot betaling van aanzienlijke geldbedragen. De kern van het geschil betreft de vraag of de veroordelingen in het eerste vonnis hoofdelijk zijn, hetgeen HCI 360 c.s. betwisten. De rechtbank oordeelt dat de veroordelingen als hoofdelijk moeten worden begrepen, mede bevestigd door het tweede vonnis van de Engelse rechter.

HCI 360 c.s. voerden aan dat een hoofdelijke veroordeling strijdig zou zijn met artikel 6 EVRM Pro en de Nederlandse openbare orde, omdat zij zich niet tegen deze hoofdelijke veroordeling konden verweren. De rechtbank verwerpt dit verweer, stellende dat er voldoende waarborgen van behoorlijke rechtspleging zijn geweest en dat een inhoudelijke toetsing niet aan de orde is bij erkenning.

De rechtbank wijst de vorderingen van 360 Europe c.s. toe, inclusief de gevorderde rente, buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten. Tevens verklaart zij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken, waardoor iedere veroordeelde het volledige bedrag kan worden aangesproken.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk tot betaling van de gevorderde bedragen en kosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773139 / HA ZA 25-1328
Vonnis van 1 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
360 EUROPE ASSET MANAGEMENT LTD,
gevestigd te Amstelveen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
360 EUROPE CENTRE MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: 360 Europe c.s.,
advocaat: mr. L.P. Lustermans,
tegen

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HCI 360 AALSMEER B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 ALMERE B.V.,
gevestigd te Almere,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 HOUTEN B.V.,
gevestigd te Houten,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 INNSBRUCKWEG B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 LEIDERDORP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 UTRECHT B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: HCI 360 c.s.,
advocaat: mr. M. Deckers.

1.De kern van de zaak

1.1. 360
Europe c.s. hebben een procedure tegen HCI 360 c.s. gevoerd bij de Engelse rechter. De Engelse rechter heeft in twee vonnissen HCI 360 c.s. veroordeeld om een aantal bedragen aan 360 Europe c.s. te betalen. 360 Europe c.s. willen deze veroordelingen in Nederland ten uitvoer leggen en vorderen daarom in deze procedure dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld tot hetgeen waartoe zij in de Engelse vonnissen zijn veroordeeld.
1.2.
HCI 360 c.s. zijn het met name niet eens met de door 360 Europe c.s. gevorderde hoofdelijke veroordeling. HCI 360 c.s. menen dat het eerste Engelse vonnis zo moeten worden uitgelegd dat geen hoofdelijke veroordeling is uitgesproken, behalve als het gaat om de proceskosten.
1.3.
De rechtbank geeft HCI 360 c.s. hierin geen gelijk en wijst daarom de vorderingen van 360 Europe c.s. toe. Hierna wordt nader uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 juli 2025, met producties,
- de exploten van overbetekening dagvaarding aan derden, ontvangen ter griffie op 6 augustus 2025,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis, met producties,
- de akte uitlating verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis van 360 Europe c.s., met een productie,
- het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 en de daarin genoemde stukken, en de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden,
- de berichten van mr. Lustermans en mr. Deckers van 9 maart 2026, waarin verzocht is om vonnis te wijzen.

3.De feiten

3.1.
HCI 360 c.s. zijn eigenaar van onroerend goed in Nederland en houden zich bezig met het verhuren van bedrijfsruimte.
3.2. 360
Europe c.s. hebben in opdracht van HCI 360 c.s. werkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit het verrichten van commerciële en beheeractiviteiten voor HCI 360 c.s.
3.3. 360
Europe c.s. zijn een procedure gestart tegen HCI 360 c.s. bij de County Court in Central London, Verenigd Koninkrijk, waarbij zij hebben gesteld dat HCI 360 c.s. hebben nagelaten om afgesproken vergoedingen te voldoen. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis op tegenspraak van 12 mei 2025 (hierna: het eerste vonnis), waarin HCI 360 c.s. onder meer zijn veroordeeld tot betaling van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. Dit is in het vonnis als volgt weergegeven:
“2) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of EUR 960,887.12, (…)
3) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of £72,577.70, (…)
7) By 4 pm on 26 May 2025, the Defendants shall pay the Claimants the sum of £350,000 on account of costs.”
3.4.
Op verzoek van 360 Europe c.s. heeft de Engelse rechter op 12 juni 2025 een verbeterd vonnis verstrekt, waarbij de juiste namen van de vennootschappen van HCI 360 c.s. op het vonnis zijn vermeld.
3.5.
Bij brief van 21 mei 2025 hebben 360 Europe c.s. HCI 360 c.s. gesommeerd om uiterlijk op 26 mei 2025 om 16:00 uur aan de veroordelingen in het Engelse vonnis te voldoen.
3.6. 360
Europe c.s. hebben in juni 2025 met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank conservatoire beslagen gelegd onder derden ten laste van HCI 360 c.s. en op onroerende zaken van HCI 360 c.s.
3.7.
HCI 360 c.s. hebben in een kort geding procedure bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank opheffing van de conservatoire beslagen gevorderd. Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 28 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het door 360 Europe c.s. gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak van HCI Aalsmeer opgeheven.
3.8.
HCI 360 c.s. hebben in oktober 2025 via een
Slip Ruleprocedure de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis te verduidelijken en zo aan te passen dat de veroordelingen (behalve de proceskosten) niet hoofdelijk zijn uitgesproken, maar dat elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen aan 360 Europe c.s. verschuldigde bedragen afzonderlijk worden weergegeven. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 januari 2026 heeft de Engelse rechter dit verzoek afgewezen. Dit heeft de Engelse rechter bij vonnis van 30 januari 2026 (hierna: het tweede vonnis) bevestigd en als volgt geformuleerd:
“(…)the Defendants are jointly and severally liable to pay the Claimants the sums ordered in each of paragraphs 2, 3 (…) and 7 of the Order, which means that each Claimant is entitled to enforce such sums or any part of them against the Defendants or any combination of them in whole or part.”
Daarnaast heeft de Engelse rechter bepaald dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld in de kosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,- en dat deze kosten uiterlijk op 5 februari 2026 om 16:00 uur moeten worden betaald.

4.Het geschil

4.1. 360
Europe c.s. vorderen na wijziging van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat HCI 360 c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:
I. € 960.887,12, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025,
II. GBP 72.577,70, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,
III. GBP 350.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,
IV. GBP 10.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 4 februari 2026, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,
V. de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-,
VI. de beslagkosten,
VII. de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2. 360
Europe c.s. baseren hun vordering op artikel 431 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij leggen primair aan hun vorderingen ten grondslag dat gezag moet worden toegekend aan de Engelse vonnissen en subsidiair dat een nieuwe inhoudelijke beoordeling van deze rechtbank moet plaatsvinden. 360 Europe c.s. stellen dat de Engelse vonnissen in Nederland moeten worden erkend en ten uitvoer kunnen worden gelegd, omdat aan de in de rechtspraak ontwikkelde criteria is voldaan.
4.3.
HCI 360 c.s. zijn het niet met de vorderingen eens en voeren aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van 360 Europe c.s. in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Rechtsmacht

5.1.
Er is sprake van een internationaal geschil. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van 360 Europe c.s. kennis te nemen. Dat is het geval, omdat gedaagden in Nederland gevestigd zijn (art. 2 Rv Pro.).
Toetsingskader
5.2.
De vorderingen van 360 Europe c.s. zijn gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv Pro. Ambtshalve dient de rechtbank echter ook uitvoering te geven aan het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken (Pb EU L 187/4 van 14 juli 2022). Zowel Nederland (door toetreding van de Europese Unie met inwerkingtreding op 1 september 2023) als het Verenigd koninkrijk (door toetreding met inwerkingtreding op 1 juli 2025) zijn partij bij dit verdrag.
Het eerste vonnis valt niet onder de werking van dat verdrag, het tweede vonnis wel en dit wordt op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Pro genoemd verdrag in Nederland erkend en kan ten uitvoer worden gelegd.
5.3.
Wat het eerste vonnis betreft is de vraag die in deze zaak centraal staat is of HCI 360 c.s. kunnen worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe zij in dat vonnis zijn veroordeeld, dat wil zeggen of in Nederland aan die beslissing gezag toekomt. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van een aantal voorwaarden zoals opgesomd in het zogenaamde Gazprombankarrest. [1] Hieruit volgt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
  • i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,
  • ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,
  • iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde,
  • iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
5.4.
Op het moment dat aan de hiervoor vermelde voorwaarden is voldaan, moet de Nederlandse rechter als uitgangspunt nemen dat partijen aan de buitenlandse beslissing zijn gebonden. Een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv Pro tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, is dan in beginsel toewijsbaar.
De veroordelingen in het eerste Engelse vonnis moeten als hoofdelijk worden begrepen
5.5.
De kern van het geschil is hoe het eerste Engelse vonnis moet worden uitgelegd. In dat vonnis zijn HCI 360 c.s. veroordeeld tot betaling aan 360 Europe c.s. van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. 360 Europe c.s. vorderen in deze procedure dat deze veroordelingen hoofdelijk worden uitgesproken. HCI 360 c.s. verzetten zich hiertegen en voeren aan dat 360 Europe c.s. in de Engelse procedure geen hoofdelijke veroordeling hebben gevorderd, dat dit niet in het partijdebat naar voren is gekomen en dat een dergelijke veroordeling niet uit het vonnis volgt. Volgens HCI 360 c.s. moeten daarom de veroordelingen in het eerste vonnis niet als hoofdelijk toegewezen begrepen worden, met uitzondering van de proceskosten.
5.6.
De rechtbank volgt HCI 360 c.s. hierin niet. Het eerste vonnis bevat namelijk geen uitsplitsing van het door elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk te betalen bedragen, maar slechts de bepaling dat “the Defendants” de daarin genoemde totaalbedragen dienen te betalen. Dat betekent dat de veroordelingen als hoofdelijk moeten worden begrepen, hetgeen ook door de Engelse rechter in het tweede vonnis is bevestigd. HCI 360 c.s. hebben namelijk via de Slip Rule procedure verduidelijking van het eerste vonnis gevraagd. Zij hebben de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis zo aan te passen dat zij niet hoofdelijk zijn verbonden tot betaling van de totaalbedragen aan 360 Europe c.s., maar om de elk door de HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk verschuldigde bedragen in de veroordeling te specificeren. De Engelse rechter heeft vervolgens in het tweede vonnis nadrukkelijk overwogen dat HCI 360 c.s. gezamenlijk en hoofdelijk (‘joint and several’) zijn veroordeeld tot de in het eerste vonnis toegewezen bedragen en heeft daarom de gevorderde aanpassing voor individuele veroordelingen van HCI 360 c.s. in het gedeelte van de totaalbedragen afgewezen. De conclusie is dan ook dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken.
Het verweer van HCI 360 c.s. dat niet aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest is voldaan slaagt niet
5.7.
HCI 360 c.s. hebben zich erop beroepen dat als hun uitleg van het eerste vonnis niet wordt gevolgd, wat hier aan de orde is, niet voldaan wordt aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest. Volgens HCI 360 c.s. levert een hoofdelijke veroordeling namelijk een strijd op met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de Nederlandse openbare orde, omdat een hoofdelijke veroordeling niet in de Engelse procedure was gevorderd. Nu HCI 360 c.s. zich hiertegen niet hebben kunnen verweren, heeft geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Daarnaast zou toewijzing van de vorderingen van 360 Europe c.s. ertoe leiden dat meer van HCI 360 c.s. kan worden geëxecuteerd dan in het eerste vonnis is toegewezen.
5.8. 360
Europe c.s. hebben hiertegen ingebracht dat de tekst van het eerste vonnis van tevoren bij partijen bekend was en dat zij daar commentaar op mochten leveren. Daarnaast is een hoofdelijke veroordeling in de Slip Rule procedure onderdeel van het partijdebat geweest en zijn beide partijen in de gelegenheid geweest hun standpunten toe te lichten. Vervolgens heeft de Engelse rechter in het tweede vonnis het eerste vonnis bevestigd en uitgesproken dat de daarin opgenomen veroordelingen hoofdelijk zijn. Ten slotte hebben HCI 360 c.s. geen gebruik gemaakt van hun mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen tegen de vonnissen.
5.9.
Het betoog van HCI 360 c.s. dat een hoofdelijke veroordeling in strijd is met artikel 6 EVRM Pro en de Nederlandse openbare orde slaagt niet. De voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest hangen met elkaar samen en zien op de behoorlijke rechtspleging. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, gaat het er niet om of de buitenlandse beslissing juist is. Er is geen plaats voor een inhoudelijke toetsing (het verbod van
révision au fond). Het gaat erom dat voorkomen wordt dat een buitenlandse beslissing naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse orde als fundamenteel worden aangemerkt. Als dat het geval is, kan de buitenlandse beslissing niet in Nederland worden erkend. [2] In dit geval is hier echter geen sprake van. Zoals hiervoor is overwogen kan uit de tekst van het eerste vonnis worden afgeleid dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken. Verder staat vast dat HCI 360 c.s. via de weg van de Slip Rule procedure hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken dat zij vinden dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat geen hoofdelijke veroordeling is toegewezen. De daaropvolgende beslissing van de Engelse rechter dat de veroordelingen uit het eerste vonnis wel hoofdelijk zijn toegewezen, is een beslissing die is voorbehouden aan de Engelse rechter. Als HCI 360 c.s. na het uitspreken van het eerste vonnis meenden dat de veroordelingen ten onrechte als hoofdelijk waren uitgesproken, hadden zij hiertegen hoger beroep moeten instellen. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat er geen sprake is geweest van een ‘fair trail’ als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en ook niet dat sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde.
Het Engelse vonnis is voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar
5.10.
Omdat partijen het er verder over eens zijn dat aan de overige voorwaarden uit het Gazprombankarrest (zie 5.3) is voldaan, kan ook het eerste Engelse vonnis in Nederland worden erkend en ten uitvoer worden gelegd.
Slotsom
5.11.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van 360 Europe c.s. hoofdelijk worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde proceskosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,-, omdat uit het tweede vonnis volgt dat deze kosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. Een hoofdelijke veroordeling betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen. Op grond van artikel 6:123 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen 360 Europe c.s. de vorderingen II tot en met IV executeren in Nederlands geld. Dit moet overeenkomstig artikel 6:124 BW Pro gebeuren door omrekening van de Britse pond in euro’s naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.
Rente
5.12.
De gevorderde binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk over de vorderingen I tot en met IV wordt toegewezen, omdat deze niet door HCI 360 c.s. is betwist. 360 Europe c.s. vorderen binnenlandse rente over de vorderingen I tot en met III vanaf 12 mei 2025 en over de vordering IV vanaf 4 februari 2026. Uit het eerste vonnis blijkt dat de daarin opgenomen veroordelingen uiterlijk op 26 mei 2025 moeten worden betaald en uit het tweede vonnis volgt dat de proceskostenveroordeling op 5 februari 2026 moet worden voldaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat vanaf die data binnenlandse rente is verschuldigd. De gevorderde rente wordt dan ook toegewezen zoals hierna in de beslissing is bepaald.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.13. 360
Europe c.s. vorderen hoofdelijk een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). 360 Europe c.s. hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. 360 Europe c.s. hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 6.775,- hoofdelijk toegewezen.
Beslagkosten
5.14. 360
Europe c.s. vorderen HCI 360 c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. HCI 360 c.s. voeren aan dat deze kosten moeten worden afgewezen omdat deze kosten geen deel uitmaken van de procedure als bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv Pro en deze kosten nodeloos zijn gemaakt. De rechtbank overweegt dat artikel 706 Rv Pro bepaalt dat de beslagkosten voor rekening komen van de beslagene. Dit is alleen anders als de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren. In dit geval is het de rechtbank van dit laatste niet gebleken, zodat de beslagkosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. De beslagkosten worden vastgesteld op:
  • € 6.293,73 voor kosten deurwaardersexploten (de beslagexploten van 30 juni 2025 voor beslag onder VasteState en Rabobank en op onroerende zaken, de betekening van de beslagen aan HCI 360 c.s. op 2 juli 2025 en de overbetekening van de dagvaarding aan Rabobank op 16 juli 2025 en aan VasteState op 21 juli 2025),
  • € 714,00 voor griffierecht,
  • € 4.631,00 voor salaris advocaat (1 punt x 4.631,00).
De beslagkosten bedragen in totaal € 11.638,73 en HCI 360 c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld deze te betalen.
Proceskosten
5.15.
HCI 360 c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van 360 Europe c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
143,00
- griffierecht
9.474,00
(verminderd met griffierecht voor beslag)
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
19.068,00
5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.17.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.18. 360
Europe c.s. vorderen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. HCI 360 c.s. voeren hiertegen verweer. De rechtbank wijst de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toe en legt hierna uit waarom.
5.19.
Uitgangspunt is dat een veroordeling die is uitgesproken uitvoerbaar moet zijn en ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er nog hoger beroep of een andere hogere voorziening mogelijk is. Dit kan anders zijn als het belang van de veroordeelde om de huidige situatie te behouden totdat op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling wil laten uitvoeren. Bij de beoordeling hiervan kijkt de rechter naar de beslissing die uitgevoerd moet worden en de feiten en oordelen die daaraan ten grondslag liggen. De rechter houdt geen rekening met de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel. Wel kan de rechter bij zijn oordeel betrekken of de beslissing die uitgevoerd moet worden berust op een kennelijke misslag. [3]
5.20.
Omdat het hier gaat om veroordelingen tot betalingen van geldsommen, is daarmee het belang van 360 Europe c.s. bij de tenuitvoerlegging gegeven. Er bestaat in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt. HCI 360 c.s. betogen dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaring voor hen tot onomkeerbare financiële gevolgen zal leiden, maar zij hebben het gestelde onaanvaardbare restitutierisico niet verder onderbouwd of toegelicht. Dat brengt mee dat het belang van HCI 360 c.s. niet zwaarder weegt dan het belang van 360 Europe c.s. Het argument van HCI 360 c.s. dat het niet aannemelijk is dat 360 Europe c.s. in hun verhaalsmogelijkheden worden beperkt en zij hun aanspraken kunnen waarborgen via conservatoire maatregelen, gaat niet op. HCI 360 c.s. hebben namelijk zelf tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij enorme verliezen lijden en dat er feitelijk gezien geen verhaal bij haar mogelijk is. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt dan ook toegewezen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 960.887,12, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 72.577,70, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,
6.3.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 350.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,
6.4.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 10.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 5 februari 2026, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,
6.5.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten,
6.6.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 11.638,73,
6.7.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 19.068,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HCI 360 c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (
2.Zie HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (
3.Hof Amsterdam 28 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:753.