Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.De kern van de zaak
2.De procedure
3.De feiten
Slip Ruleprocedure de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis te verduidelijken en zo aan te passen dat de veroordelingen (behalve de proceskosten) niet hoofdelijk zijn uitgesproken, maar dat elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen aan 360 Europe c.s. verschuldigde bedragen afzonderlijk worden weergegeven. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 januari 2026 heeft de Engelse rechter dit verzoek afgewezen. Dit heeft de Engelse rechter bij vonnis van 30 januari 2026 (hierna: het tweede vonnis) bevestigd en als volgt geformuleerd:
4.Het geschil
5.De beoordeling
Rechtsmacht
- i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,
- ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,
- iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde,
- iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
révision au fond). Het gaat erom dat voorkomen wordt dat een buitenlandse beslissing naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse orde als fundamenteel worden aangemerkt. Als dat het geval is, kan de buitenlandse beslissing niet in Nederland worden erkend. [2] In dit geval is hier echter geen sprake van. Zoals hiervoor is overwogen kan uit de tekst van het eerste vonnis worden afgeleid dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken. Verder staat vast dat HCI 360 c.s. via de weg van de Slip Rule procedure hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken dat zij vinden dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat geen hoofdelijke veroordeling is toegewezen. De daaropvolgende beslissing van de Engelse rechter dat de veroordelingen uit het eerste vonnis wel hoofdelijk zijn toegewezen, is een beslissing die is voorbehouden aan de Engelse rechter. Als HCI 360 c.s. na het uitspreken van het eerste vonnis meenden dat de veroordelingen ten onrechte als hoofdelijk waren uitgesproken, hadden zij hiertegen hoger beroep moeten instellen. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat er geen sprake is geweest van een ‘fair trail’ als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en ook niet dat sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde.
- € 6.293,73 voor kosten deurwaardersexploten (de beslagexploten van 30 juni 2025 voor beslag onder VasteState en Rabobank en op onroerende zaken, de betekening van de beslagen aan HCI 360 c.s. op 2 juli 2025 en de overbetekening van de dagvaarding aan Rabobank op 16 juli 2025 en aan VasteState op 21 juli 2025),
- € 714,00 voor griffierecht,
- € 4.631,00 voor salaris advocaat (1 punt x 4.631,00).