Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3553

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
AWB 25/6319
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen naheffing parkeerbelasting wegens ontbreken bezwaar

De rechtbank Amsterdam beoordeelt het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De naheffing is opgelegd aan de zoon van eiser omdat diens auto op 30 augustus 2025 zonder voldoende betaling geparkeerd stond.

Eiser, de vader, stelt dat hij gebruikmaakt van de bezoekersregeling en per abuis een te korte parkeerduur registreerde. Hij verzoekt om clementie. De rechtbank beoordeelt ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat alleen de zoon bezwaar heeft gemaakt, niet eiser zelf. Het door eiser overgelegde document is geen geldig bezwaarschrift.

Daarom is het beroep niet-ontvankelijk en kan de rechtbank niet inhoudelijk oordelen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de naheffingsaanslag een herstelmaatregel is en geen straf, en dat het enkele feit van te weinig betaling voldoende is voor naheffing. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij zelf geen bezwaar heeft gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6319
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 oktober 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan [persoon] een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van [persoon] ongegrond verklaard (de bestreden uitspraak). De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de heffingsambtenaar in de persoon van [hefiingsambtenaar] .

Bestreden uitspraak

2. De heffingsambtenaar heeft aan [persoon] een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, omdat zijn auto met kenteken [kenteken] op 30 augustus 2025 rond 20.00 uur geparkeerd stond ter hoogte van de [adres] , terwijl daar geen of te weinig parkeerbelasting voor was betaald.
3. Eiser, de vader van [persoon] , heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Hij voert aan dat hij gebruik maakt van de bezoekersregeling. Toen zijn zoon langskwam heeft hij per abuis een parkeerduur van twee minuten geregistreerd in plaats van twee uur. Eiser kwam daar pas achter nadat zijn zoon een parkeerboete opgestuurd kreeg. Eiser verzoekt om clementie te hebben voor deze fout.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep
4. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of het beroep van eiser ontvankelijk is.
5. Beroep kan alleen kan worden ingesteld door iemand die bezwaar heeft gemaakt. [1] De rechtbank stelt vast dat niet eiser, maar zijn zoon bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaarschrift staat alleen op naam van [persoon] . Eiser heeft op de zitting gesteld dat hij ook bezwaar heeft gemaakt en een brief van 9 oktober 2024 getoond. De rechtbank stelt vast dat dit document van twee dagen
nade uitspraak op bezwaar is. Het kan daarom niet aangemerkt worden als bezwaarschrift. Gelet hierop en nu niet gebleken is waarom eiser geen bezwaar heeft kunnen maken, kan eiser geen beroep bij de bestuursrechter instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen.
6. De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt. Zelfs als de rechtbank aan de inhoud zou toekomen, zou eiser geen gelijk krijgen. Eiser ervaart de naheffingsaanslag als een boete. De naheffingsaanslag is echter geen straf, maar een herstelmaatregel: een objectieve belasting vermeerderd met een bedrag om de kosten goed te maken die met de oplegging ervan zijn gemoeid. Daarbij maakt het niet uit of eiser al dan niet met opzet te weinig parkeergeld heeft betaald. De rechtbank gaat er overigens van uit dat eiser geen opzet had. Het enkele feit dat hij te weinig parkeergeld heeft betaald, is voldoende voor het opleggen van de naheffingsaanslag.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.H. Kalse-Spoon, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 10 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.