ECLI:NL:RBAMS:2026:3585
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Oud-stewardess krijgt geen onbeperkt recht op gereduceerde vliegtickets via IPB-faciliteit
De zaak betreft een oud-stewardess die aanspraak maakt op onbeperkt gebruik van de Indien Plaats Beschikbaar (IPB)-faciliteit van KLM, waarmee personeel tegen gereduceerd tarief vliegtickets kan kopen. Zij baseert haar vordering op de vaststellingsovereenkomst in het kader van een vrijwillige vertrekregeling (VVR 2-2020), waarin haar indiensttredingsdatum is opgenomen als 16 juni 1998, de datum waarop zij bij Martinair in dienst trad.
KLM voert verweer dat deze datum een kennelijke verschrijving is en dat alleen de dienstjaren bij KLM vanaf 1 februari 2011 meetellen voor de IPB-faciliteit. Dit blijkt ook uit eerdere correspondentie en het protocol van de VVR 2020, waarin expliciet is vermeld dat dienstjaren bij Martinair niet worden meegenomen.
De kantonrechter oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst in de context moet worden uitgelegd en dat de oud-stewardess op grond van de communicatie had moeten begrijpen dat alleen KLM-dienstjaren relevant zijn. Daarom kan zij geen onbeperkt gebruik maken van de IPB-faciliteit. De vorderingen worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de oud-stewardess op onbeperkt gebruik van de IPB-faciliteit worden afgewezen.