Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3585

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11814107 \ CV EXPL 25-10056
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oud-stewardess krijgt geen onbeperkt recht op gereduceerde vliegtickets via IPB-faciliteit

De zaak betreft een oud-stewardess die aanspraak maakt op onbeperkt gebruik van de Indien Plaats Beschikbaar (IPB)-faciliteit van KLM, waarmee personeel tegen gereduceerd tarief vliegtickets kan kopen. Zij baseert haar vordering op de vaststellingsovereenkomst in het kader van een vrijwillige vertrekregeling (VVR 2-2020), waarin haar indiensttredingsdatum is opgenomen als 16 juni 1998, de datum waarop zij bij Martinair in dienst trad.

KLM voert verweer dat deze datum een kennelijke verschrijving is en dat alleen de dienstjaren bij KLM vanaf 1 februari 2011 meetellen voor de IPB-faciliteit. Dit blijkt ook uit eerdere correspondentie en het protocol van de VVR 2020, waarin expliciet is vermeld dat dienstjaren bij Martinair niet worden meegenomen.

De kantonrechter oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst in de context moet worden uitgelegd en dat de oud-stewardess op grond van de communicatie had moeten begrijpen dat alleen KLM-dienstjaren relevant zijn. Daarom kan zij geen onbeperkt gebruik maken van de IPB-faciliteit. De vorderingen worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van de oud-stewardess op onbeperkt gebruik van de IPB-faciliteit worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11814107 \ CV EXPL 25-10056
Vonnis van 9 april 2026
in de zaak van
[eisende partijd],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partijd] ,
gemachtigde: mr. A.A.F. Talitsch,
tegen
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
te Amstelveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: KLM,
vertegenwoordigd bij mr. E. Lehmann.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het instructievonnis,
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [eisende partijd] een akte wijziging eis tevens houdende een productie ingediend en heeft KLM een antwoordakte tevens houdende uitlating producties en tevens houdende producties ingediend. [eisende partijd] is in persoon verschenen, vergezeld door haar partner en bijgestaan door de gemachtigde. Namens KLM zijn verschenen mr. E. Lehmann (jurist) en [naam] (HR adviseur). Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde van [eisende partijd] mede aan de hand van pleitaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partijd] is op 16 juni 1998 in dienst getreden van luchtvaartmaatschappij Martinair in de functie van stewardess.
2.2.
Per 1 februari 2011 is het cabinepersoneel van Martinair, waaronder [eisende partijd] , bij KLM in dienst getreden.
2.3.
KLM biedt haar personeel de mogelijkheid om tegen gereduceerd tarief vliegtickets te kopen als er op vluchten lege stoelen over zijn. Dit wordt de “Indien Plaats Beschikbaar” faciliteit (hierna: IPB-faciliteit) genoemd. Martinair had een vergelijkbare faciliteit.
2.4.
In 2020 heeft KLM een vrijwillige vertrekregeling (hierna: VVR 2020) opengesteld voor haar cabinepersoneel. Om haar medewerkers te stimuleren van deze VVR gebruik te maken, was onderdeel van de VVR het behoud van een bepaalde vorm van de IPB-faciliteit na het einde van de arbeidsovereenkomst.
2.5.
In de uitwerking van de VVR 2020 is opgenomen dat de diensttijd doorgebracht bij Martinair en/of Transavia niet wordt meegenomen.
2.6.
In het kader van de VVR 2020 hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd. Bij e-mail van 6 november 2020 heeft KLM als reactie op een vraag van [eisende partijd] gereageerd dat de Martinair dienstjaren niet meetellen voor de berekening van dienstjaren voor de IPB-faciliteit. [eisende partijd] heeft geen gebruik maakt van de VVR 2020.
2.7.
In 2021 heeft KLM aan haar cabinepersoneel weer een vrijwillige vertrekregeling aangeboden (hierna: VVR 2-2020). Op de FAQ pagina van KLM stond ten aanzien van de VVR 2-2020 dat de nieuwe VVR wordt opengesteld op basis van dezelfde voorwaarden als de VVR 2020 en daarom de benaming VVR 2-2020 heeft gekregen.
2.8.
Op 3 mei 2021 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten in het kader van de VVR 2-2020. In deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat [eisende partijd] op 16 juni 1998 in dienst is getreden bij KLM en dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2021 wordt beëindigd.
2.9.
Bij brief van 3 mei 2021 heeft KLM de beëindiging van het dienstverband bevestigd. Daarnaast is hierin het volgende opgenomen:
2.10.
Bij e-mail van 3 mei 2021 heeft [eisende partijd] aan KLM onder meer het volgende geschreven:
“(…) In de brief die is bijgesloten wordt de IPB mogelijkheid toegezegd, maar deze komt niet in de vaststellingsovereenkomst terug. Het lijkt me logisch om dit ook in de vaststellingsovereenkomst op te nemen.
Kunnen jullie daarbij de specifieke duur van mijn ipb mogelijkheid in aangeven? (…)”
2.11.
Bij e-mail van 4 mei 2021 heeft KLM gereageerd dat de duur van haar IPB faciliteiten afhankelijk is van haar actieve dienstjaren bij KLM (diensttijd min periodes van non-activiteit).
2.12.
Bij e-mail van 3 juni 2021 heeft KLM aan [eisende partijd] meegedeeld dat in de vaststellingsovereenkomst van 3 mei 2021 per abuis de datum in dienst foutief staat vermeld. Volgens KLM had hier 1 februari 2011 vermeld moeten staan, de datum waarop [eisende partijd] in dienst is getreden bij KLM.
2.13.
Op 1 oktober 2021 is het dienstverband geëindigd.
2.14.
Sinds oktober 2024 is de IPB-faciliteit niet meer beschikbaar voor [eisende partijd] .

3.Het geschil

3.1.
[eisende partijd] vordert – na wijziging van eis – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat de kantonrechter:
a. voor recht verklaart dat [eisende partijd] voor onbeperkte duur gebruik kan maken van de IPB-faciliteit volgens de onderste regel van de staffel die in de uitdiensttredingsbrief staat,
b. KLM gelast om binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis [eisende partijd] toegang te verlenen tot het elektronische portaal dat haar in staat stelt een IPB-aanvraag te doen en die toegang onbeperkt te handhaven,
c. KLM gelast om IPB-aanvragen die [eisende partijd] doet aan haar toe te kennen conform de daartoe bij KLM geldende procedures,
d. bepaalt dat KLM een dwangsom verschuldigd is aan [eisende partijd] van € 3.500,00 per keer dat [eisende partijd] niet wordt toegelaten tot het elektronische systeem voor een IPB-aanvraag en/of een IPB-aanvraag, die aan de geldende regels voldoet, niet wordt toegekend,
e. KLM veroordeelt tot betaling van € 5.176.32, te vermeerderen met de wettelijke rente,
f. KLM veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eisende partijd] legt hieraan ten grondslag dat 16 juni 1998 geldt als datum indiensttreding voor de berekening van de aanspraak op de IPB-faciliteit. Dit is zo opgenomen in de vaststellingsovereenkomst waardoor [eisende partijd] daar ook van mocht uitgaan. Voor [eisende partijd] was het evident dat als indiensttredingsdatum 16 juni 1998 zou worden gehanteerd, omdat dat zij toen in dienst is getreden bij Martinair en haar werkzaamheden na de overgang ononderbroken heeft voortgezet bij KLM. De vaststellingsovereenkomst en de uitdiensttredingsbrief vormen één geheel. Het recht om gebruik te maken van de IPB-faciliteit is afhankelijk van het aantal dienstjaren en uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat het aantal dienstjaren 23,3 is. Het concrete aanbod in 2021 voor de VVR 2-2020 waaruit voortvloeide dat [eisende partijd] onbeperkte rechten zou verkrijgen op gebruikmaking van de IPB-faciliteit maakte dat zij de overeenkomst wilde accepteren. Verder kwalificeert de overgang van werkzaamheden van Martinair naar KLM als opvolgend werkgeverschap. Ook vanuit dit oogpunt heeft [eisende partijd] recht op de onbeperkte IPB-faciliteit. De datum van indiensttreding bij Martinair dient in dit geval als aanvangsdatum te gelden voor de duur van het dienstverband van [eisende partijd] en daarmee het aantal dienstjaren dat in aanmerking wordt genomen bij toepassing van de duur van de IPB-faciliteit. Doordat [eisende partijd] zich ten onrechte niet meer kan inschrijven voor IPB vliegtickets, lijdt zij schade.
3.3.
KLM voert verweer. KLM voert aan dat de datum 16 juni 1998 in de vaststellingsovereenkomst een kennelijke verschrijving is. KLM heeft dit direct gecorrigeerd. Bovendien wist [eisende partijd] dit volgens KLM, althans behoorde zij dit te weten, en zij kon er dan ook niet op vertrouwen dat dit zou leiden tot onbeperkte IPB-faciliteiten. Uit de communicatie voorafgaand aan en tijdens het sluiten van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat [eisende partijd] wist dat de duur van de IPB-faciliteit beperkt was. Zo heeft KLM op 6 november 2020 aan [eisende partijd] laten weten dat de Martinair jaren niet meetellen voor de berekening van de dienstjaren voor IPB en is in het Protocol uitwerking VVR Cabine over de VVR 2020 opgenomen dat de diensttijd doorgebracht bij Martinair en/of Transavia niet wordt meegenomen. Verder vermeldde de FAQ pagina van KLM ten aanzien van de VVR 2-2020 dat de nieuwe VVR zou worden opengesteld op basis van dezelfde voorwaarden als de VVR 2020 en daarom de benaming VVR 2-2020 heeft gekregen. Ook heeft KLM op 4 mei 2021 nog aan [eisende partijd] laten weten dat de duur van de IPB-faciliteit afhankelijk is van de actieve dienstjaren bij KLM. Volgens KLM is de vraag of sprake is van opvolgend werkgeverschap niet van belang voor de IPB-faciliteit. Deze faciliteit betreft immers een interne KLM-regeling die geen wettelijke basis kent, maar door KLM zelf in het leven is geroepen en dus niet gebonden is aan de regels van opvolgend werkgeverschap. Daarnaast is de IPB-faciliteit geen arbeidsvoorwaarde en ook geen onaantastbaar recht. Verder stelt KLM dat de schadeclaim van [eisende partijd] grondslag mist en niet is onderbouwd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vooropgesteld wordt dat de brief van 3 mei 2021 een onderdeel vormt van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Hoewel de IPB-faciliteit geen arbeidsvoorwaarde is zoals aangevoerd door KLM, is dit wel een onderdeel van vaststellingsovereenkomst in het kader van de VVR 2-2020 waar [eisende partijd] rechten aan kan ontlenen. Deze faciliteit kent geen wettelijke basis en is dus ook niet gebonden aan de regels van opvolgend werkgeverschap.
4.2.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de indiensttredingsdatum van de [eisende partijd] en welke datum als uitgangspunt dient voor de berekening van de IPB-faciliteit.
4.2.
Bij de uitleg van bepalingen in een overeenkomst geldt volgens vaste rechtspraak dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet alleen kan worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Bij de uitleg dient eveneens acht te worden geslagen op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.3.
Uit de letterlijke tekst van de vaststellingsovereenkomst volgt de indiensttredingsdatum van [eisende partijd] 16 juni 1998 is. De letterlijke tekst van vaststellingsovereenkomst ondersteunt dus de stelling van [eisende partijd] . KLM betoogt dat deze datum een kennelijke verschrijving is en niet strookt met de werkelijke bedoeling van partijen, omdat volgens haar de relevante dienstjaren beginnen op 1 februari 2011. KLM baseert dit op correspondentie waaruit volgt dat dienstjaren bij Martinair niet meetellen voor de IPB-faciliteit en alleen de KLM-dienstjaren worden meegenomen.
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de correspondentie voorafgaand aan en tijdens het sluiten van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat [eisende partijd] wist, of in ieder geval had moeten weten, dat de dienstjaren bij Martinair niet meetellen voor de IPB-faciliteit. Zo is in de communicatie van 6 november 2020 expliciet aan [eisende partijd] meegedeeld dat de Martinair jaren niet meetellen voor de berekening van de dienstjaren voor de IPB.
Daarnaast is in het Protocol uitwerking VVR Cabine over de VVR 2020 nadrukkelijk vermeld dat de diensttijd bij Martinair en/of Transavia niet wordt meegenomen in de bepaling van de IPB-rechten. Verder volgt uit de FAQ-pagina van KLM over de VVR 2-2020 dat deze nieuwe vertrekregeling wordt aangeboden op basis van dezelfde voorwaarden als de VVR 2020. Gezien deze informatie had [eisende partijd] moeten begrijpen dat de Martinair jaren ook niet zouden meetellen voor de VVR 2-2020, aangezien KLM duidelijk had gemaakt dat het om dezelfde regeling ging. Daarnaast heeft [eisende partijd] na ontvangst van de vaststellingsovereenkomst nog expliciet om een toezegging omtrent de IPB-faciliteit gevraagd en specifiek geïnformeerd naar de duur ervan. KLM heeft toen meegedeeld dat de duur van de IPB-faciliteit afhankelijk is van de actieve dienstjaren bij KLM zelf. Omdat [eisende partijd] sinds 1 februari 2011 door middel van een nieuwe arbeidsovereenkomst bij KLM in dienst is getreden, had zij moeten begrijpen dat KLM op deze datum doelde.
4.5.
Gelet op de context en de herhaalde communicatie van KLM, kon [eisende partijd] er niet redelijkerwijs op vertrouwen dat 16 juni 1998 als indiensttredingsdatum zou gelden voor de IPB-faciliteit. Een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst brengt mee dat partijen hebben bedoeld 1 februari 2011 als indiensttredingsdatum in de vaststellingsovereenkomst op te nemen. [eisende partijd] maakt op basis daarvan geen aanspraak op een onbeperkte duur van de IPB-faciliteit. Dit betekent dat de vorderingen van [eisende partijd] worden afgewezen.
4.6.
[eisende partijd] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KLM worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
506,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eisende partijd] in de proceskosten van € 506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partijd] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
51447