Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3595

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11487795
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:204 BWArt. 7:206 lid 1 BWArt. 7:207 lid 1 BWArt. 7:217 BWArt. 7:249 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder moet gebreken woning herstellen en huurprijsvermindering toekennen

In deze civiele procedure vorderen [eiser 1] en [eiser 2] herstel van gebreken aan hun huurwoning en huurprijsvermindering wegens deze gebreken. Na een descente op 4 december 2025 en diverse producties heeft de kantonrechter de gebreken beoordeeld.

De kantonrechter stelt vast dat de pui in de woonkamer en werkkamer niet goed sluit, met rottend houtwerk en overlast door wind, vocht en geluid. Ook is er sprake van terugkerende schimmelvorming achter de verwarming, veroorzaakt door vochtdoorslag. Deze gebreken worden als substantieel aangemerkt en rechtvaardigen huurprijsvermindering. Kleine herstellingen zoals het plafond in de badkamer en slaapkamer en de oven worden niet als gebrek aangemerkt.

De huurprijsvermindering wordt vastgesteld op 25% vanaf 29 september 2024, de datum waarop verhuurder van de gebreken op de hoogte werd gesteld. Verhuurder wordt veroordeeld tot herstel van de gebreken binnen drie maanden, onder verbeurte van een dwangsom. De teveel betaalde huur moet worden terugbetaald met wettelijke rente. Proceskosten worden gecompenseerd vanwege onduidelijkheden in de dagvaarding en schending van de wegwijsplicht door eisers.

Uitkomst: Verhuurder moet gebreken herstellen en huurprijsvermindering van 25% toekennen vanaf 29 september 2024 tot herstel, met terugbetaling van teveel betaalde huur en compensatie van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11487795 \ CV EXPL 25-716
Vonnis van 9 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

en
2.
[eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigde: mr. J. du Bois,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.T. Barneveld.

1.Vervolg van de procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 14 augustus 2025 heeft de kantonrechter een descente bevolen in de woning. De kantonrechter heeft daarbij [eiser 1] en [eiser 2] bevolen om een overzicht over te leggen van de gebreken waarbij onder verwijzing naar de bijbehorende productie is vermeld op welke data zij hiervan [gedaagde] op de hoogte hebben gesteld waarbij zij hebben verzocht om dit gebrek te verhelpen.
1.2.
Op 21 augustus 2025 hebben [eiser 1] en [eiser 2] bij akte het verzochte overzicht ingediend.
1.3.
De descente heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. [eiser 1] en [eiser 2] waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. [gedaagde] was ook aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Voorafgaand aan de descente hebben beide partijen aanvullende producties in het geding gebracht. De kantonrechter is samen met de griffier en alle aanwezigen door de woning gelopen. De griffier heeft een proces-verbaal gemaakt.
1.4.
De kantonrechter heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over elkaars producties en over het proces-verbaal. [eiser 1] en [eiser 2] hebben op 27 januari 2026 voornoemde akte ingediend, tevens houdende vermeerdering eis, met één productie genummerd 24 (hierna productie 24). [gedaagde] heeft op 4 februari 2026 voornoemde akte ingediend.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

Eisvermeerdering en productie 24 van [eiser 1] en [eiser 2]
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben bij akte van 27 januari 2026 hun eis vermeerderd. Deze vermeerdering ziet op de stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat zij te veel huur zouden hebben betaald op grond van het woningwaarderingsstelsel. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de eisvermeerdering.
2.2.
Alvorens de kantonrechter tot de beoordeling van dit punt overgaat, merkt zij op dat het hier gaat om een huurovereenkomst voor een woning met een geliberaliseerde huurprijs.
2.3.
De kantonrechter gaat voorbij aan de eisvermeerdering van [eiser 1] en [eiser 2] . De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling van 27 juni 2025 de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] uitdrukkelijk gevraagd op welke grondslag zij de vorderingen baseren in deze zaak, nu dit in de dagvaarding niet (voldoende) is toegelicht. De gemachtigde heeft toen aangegeven dat zij de vorderingen baseert op tijdelijke huurprijsvermindering wegens gebreken. De kantonrechter heeft om die reden in haar vonnis van 14 augustus 2025 opgenomen dat zij begrijpt dat [eiser 1] en [eiser 2] hun eis hebben gewijzigd. De nadien ingediende eisvermeerdering is daarentegen tóch gebaseerd op het woningwaarderingsstelsel. Deze vermeerdering berust op een andere feitelijke en juridische grondslag. Deze vermeerdering is in strijd met de goede procesorde, nu het geschil zich na de mondelinge behandeling heeft toegespitst op de grondslag huurprijsvermindering wegens gebreken. [gedaagde] heeft zijn verweer nadien terecht toegespitst op voornoemde grondslag. De kantonrechter laat de eisvermeerdering daarom buiten beschouwing.
2.4.
[gedaagde] maakt bezwaar tegen het indienen van productie 24. De kantonrechter is met [gedaagde] eens dat [eiser 1] en [eiser 2] door het indienen van deze aanvullende productie buiten de rolopdracht treden die in het proces-verbaal is opgenomen. Het is in strijd met de goede procesorde om in dit late stadium van de onderhavige procedure nieuwe stukken in te dienen. De productie is daarom niet aan het dossier toegevoegd.
Te veel betaalde huur anders dan vanwege gebreken
2.5.
Zoals hiervoor al overwogen blijkt uit de dagvaarding onvoldoende wat de grondslag is van de vordering tot terugbetaling van de huur. Daar heeft de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling opheldering over gevraagd. De gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] heeft toen laten weten dat zij zich beroept op huurprijsvermindering vanwege gebreken. Daar gaat de kantonrechter bij de beoordeling dan ook van uit. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat een beroep op artikel 7:249 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) [eiser 1] en [eiser 2] niet zou baten. Naast het feit dat een dergelijk verzoek bij de huurcommissie dient plaats te vinden en niet bij de kantonrechter, kan dit verzoek slechts tot uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop de huurovereenkomst is ingegaan worden gedaan door huurders. Een verzoek tot verlaging van de huurprijs op grond van artikel 7:254 BW Pro dienen zij overigens tevens bij de huurcommissie in te dienen.
Bekendheid bij verhuurder van de gebreken en verzoek tot verhelpen ervan
2.6.
Voordat de kantonrechter toekomt aan de beoordeling van de gestelde gebreken, dient eerst te worden vastgesteld wanneer [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] behoorlijk in kennis hebben gesteld van de gebreken of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was bij [gedaagde] om tot maatregelen over te gaan (artikel 7:207 lid 1 BW Pro) en wanneer zij [gedaagde] hebben verzocht om de gestelde gebreken te verhelpen (artikel 7:206 lid 1 BW Pro).
2.7.
In het overzicht dat [eiser 1] en [eiser 2] hebben overgelegd voorafgaand aan de descente, staat per gesteld gebrek wanneer zij dit hebben verzocht te verhelpen. Hierbij wijzen zij naar verschillende producties waarvan sommigen uit tientallen pagina’s bestaan. [gedaagde] heeft er terecht op gewezen dat het aan [eiser 1] en [eiser 2] was om concreet te verwijzen waar de melding specifiek in de productie te vinden is. [eiser 1] en [eiser 2] schenden hiermee de wegwijsplicht uit artikel 22b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Het gevolg dat de kantonrechter hieraan verbindt is dat, hoewel het mogelijk is dat [eiser 1] en [eiser 2] eerder hebben verzocht de gebreken te verhelpen, zij ervan uit zal gaan dat alle gestelde gebreken door [eiser 1] en [eiser 2] zijn gemeld in de mail die [eiser 1] en [eiser 2] hebben gestuurd aan [gedaagde] op 29 september 2024. Voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat deze mail van 29 september 2024 niet als formele melding kan worden gezien, omdat [gedaagde] slechts een hele korte tijd heeft gehad om de gestuurde We-Transfer-link te openen en deze dus nooit heeft gezien, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Uit de mail van 29 september 2024 blijkt dat [eiser 1] en [eiser 2] naast dat zij een We-Transfer link met daarin foto’s van de gestelde gebreken sturen aan [gedaagde] , zij ook een bijlage hebben toegevoegd bij de mail waarin de gebreken staan opgesomd. Deze bijlage had [gedaagde] later ook nog kunnen openen, ondanks dat de We-Transfer link met foto’s al was verlopen. Dat [gedaagde] nooit de foto’s en filmpjes heeft geopend, is dus niet relevant. Voorgaande betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de gebreken op 29 september 2024 zijn gemeld.
Gebreken
2.8.
De kantonrechter is in de woning geweest om de gestelde gebreken waar te nemen. Zoals in punt 4.1 van het tussenvonnis is overwogen, moet eerst vast komen te staan dat er gebreken zijn in de woning in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro, voordat beoordeeld kan worden of [eiser 1] en [eiser 2] aanspraak kunnen maken op herstel of huurprijsvermindering.
2.9.
Een gebrek is een staat of eigenschap van het gehuurde of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor het gehuurde aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat hij bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten. Het begrip ‘gebrek’ heeft een ruime betekenis en omvat iedere omstandigheid die eraan in de weg staat dat de huurder het verwachte genot van de zaak heeft. [1] Kleine herstellingen komen voor rekening van de huurder, tenzij deze nodig zijn geworden door het tekortschieten van de verhuurder in de nakoming van zijn verplichting tot het verhelpen van gebreken (artikel 7:217 BW Pro).
2.10.
Nadat is vastgesteld dat er sprake is van een gebrek, dient ingevolge artikel 7:207 BW Pro te worden beoordeeld of er sprake is van dermate ernstig gebrek dat dit huurprijsvermindering rechtvaardigt. De kantonrechter zal hierna per gesteld gebrek, zoals opgesomd in punt 4.1 van het tussenvonnis, beoordelen of er sprake is van een gebrek en of dit gebrek huurprijsvermindering rechtvaardigt.
Sluiting pui woonkamer, rottend houtwerk
2.11.
De sluiting van de pui met daarbij het rottende houtwerk in de woonkamer merkt de kantonrechter samen bezien aan als gebrek. Zoals uit het proces-verbaal van de descente blijkt, sluit de pui in de woonkamer niet goed waardoor er wind, vocht en geluid naar binnenkomt. Het is duidelijk dat dat voor overlast zorgt. De deuren passen niet in het kozijn. Het middelste deel kan daarnaast niet open, omdat dit deel is dichtgekit. Dit deel zou wel open moeten kunnen. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal dat de onderste hoek van het houtwerk/de onderdompel rottend is. Bovendien lijkt [gedaagde] het gebrek ook te erkennen, nu hij de opdracht heeft verstrekt tot herstel daarvan. Wegens de genoemde overlast die dit gebrek veroorzaakt, is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een substantieel gebrek wat [gedaagde] moet herstellen, waarvoor huurprijsvermindering op zijn plaats is.
Sluiting pui werkkamer
2.12.
Tijdens de descente heeft [gedaagde] aangegeven dat de opdracht voor vervanging van de gehele pui reeds is verstrekt. De kantonrechter heeft hieruit opgemaakt dat [gedaagde] het gebrek erkent en hij begrijpt dat hij het moet herstellen. Voor zover de pui nog niet hersteld is, merkt de kantonrechter op dat de sluiting van de pui van de werkkamer als gebrek moet worden aangemerkt wat [gedaagde] moet herstellen. Een pui die niet goed sluit kan niet als kleine herstelling worden aangemerkt. Dit klemt te meer nu [gedaagde] zelf heeft erkend dat hij meerdere malen monteurs heeft ingeschakeld om de deuren goed passend bij te stellen in het kozijn, maar is niet gebleken dat dit heeft gezorgd voor een permanente oplossing. Hieruit kan worden opgemaakt dat hier sprake is van een meer constructief gebrek, wat [eiser 1] en [eiser 2] niet makkelijk zelf kunnen herstellen. De stelling van [gedaagde] dat [eiser 1] en [eiser 2] de deuren niet goed zouden gebruiken door de kiepfunctie te gebruiken, slaagt ook niet. Als een deur een kiepfunctie heeft, mogen [eiser 1] en [eiser 2] als huurders ervan uitgaan dat zij de kiepfunctie naar behoren moeten kunnen gebruiken. Doordat de pui niet goed sluit komt net als bij de pui in de woonkamer, wind, vocht en geluid naar binnen. Dit zorg voor overlast. Wegens deze overlast, is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een gebrek wat [gedaagde] moet herstellen. Dit gebrek levert ook een substantiële vermindering van het huurgenot op, wat aanleiding geeft voor huurprijsvermindering.
Schimmel binnenmuur
2.13.
Tijdens de descente heeft de kantonrechter vastgesteld dat onder en achter een deel van de verwarming/radiator in de woonkamer grijze schimmel is te zien op de wand. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de door [gedaagde] gestelde oorzaak van het gebrek, een gebrekkige regenpijp, reeds is opgelost, maar stelt vast dat er nog sprake is van vochtdoorslag, aangezien de schimmel terugkomt. [gedaagde] heeft tijdens de descente bevestigt dat vochtdoorslag de oorzaak is. Op basis van waarnemingen tijdens de descente, de overgelegde foto’s waarop is te zien dat de schimmel eerst nog veel ernstiger was en het feit dat [gedaagde] de oorzaak zelf heeft erkend, is voldoende gebleken dat er sprake is van een terugkerend probleem ten aanzien van de schimmel. Wanneer deze problematiek, zoals hier, structureel is, ligt het niet op de weg van de huurder om de schimmel te verwijderen, maar is het in beginsel aan de verhuurder om de oorzaak van de schimmelvorming weg te nemen. Een huurder mag immers verwachten dat de woning bij juist gebruik een gezond binnenklimaat heeft, zonder vocht- en schimmel. Het is aan de verhuurder om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de vocht- en schimmelvorming (in overwegende mate) aan de huurder kan worden toegerekend, bijvoorbeeld doordat de huurder niet of onvoldoende ventileert, de woning onvoldoende verwarmt of het ontstaan van te veel vocht in de woning veroorzaakt (bijvoorbeeld door heel veel te douchen, te koken of was op te hangen). [gedaagde] heeft gesteld dat de schimmel ook aan de gedragingen van [eiser 1] en [eiser 2] kan liggen, zoals door te weinig te stoken of te ventileren. De kantonrechter gaat voorbij aan deze stelling van [gedaagde] . Zoals hiervoor overwogen, acht de kantonrechter het aannemelijk dat de oorzaak van de schimmel ligt in vochtdoorslag. Bovendien heeft [gedaagde] zijn stelling niet gemotiveerd toegelicht. Conclusie is dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de aanwezigheid van de schimmel is toe te rekenen aan [eiser 1] en [eiser 2] . Dit betekent dat de schimmel als een gebrek moet worden aangemerkt dat door [gedaagde] permanent dient te worden opgelost. Nu de schimmel blijft terugkomen, levert de schimmel ook een substantiële vermindering van het huurgenot op waarvoor huurprijsvermindering op zijn plaats is.
Plafond badkamer
2.14.
De kantonrechter heeft tijdens de descente waargenomen dat op het plafond in de badkamer afgebladderde verf is en dat er op een klein deel lichte sporen van wat lijkt op schimmel is te zien. De kantonrechter oordeelt dat er in dit geval sprake is van een kleine herstelling die ingevolge artikel 7:217 BW Pro voor rekening van [eiser 1] en [eiser 2] komt. De kantonrechter acht hier van belang dat in de badkamer werkende ventilatie aanwezig is. Het ligt op de weg van [eiser 1] en [eiser 2] om eerst (meer) bij te ventileren en de juiste verf aan te brengen. Gesteld noch gebleken is dat zij dit al hebben gedaan maar dat het probleem toch blijft terugkeren. De kantonrechter oordeelt dat het plafond in de badkamer daarom (nog) niet als gebrek kan worden aangemerkt.
Plafond slaapkamer
2.15.
De kantonrechter heeft tijdens de descente vastgesteld dat op het plafond in de slaapkamer een smalle scheur is te zien in het stucwerk. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat het hier gaat om een kleine herstelling in de zin van artikel 7:217 BW Pro. Gesteld noch gebleken is dat het hier om een constructiefout. De scheur vormt daarom geen gebrek.
De kraan
2.16.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben tijdens de descente toegelicht dat de kraan vervangen moet worden, maar dat zij dit niet kunnen doen omdat het onderliggende leidingwerk in het keukenkastje zich aan elkaar heeft vastgebeten. De kantonrechter heeft tijdens de descente geconstateerd dat de kraan lekt, loszit en dat deze moet worden vervangen. Ook is zichtbaar dat de leidingen zijn verkalkt. [gedaagde] stelt dat het hier gaat om een kleine herstelling. De kantonrechter overweegt dat vervanging van een kraan in beginsel een kleine herstelling kan zijn, maar dat daar in dit geval geen sprake van is. Omdat de leidingen helemaal verkalkt zijn, is het niet meer eenvoudig om de kraan te vervangen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dit overigens ook geprobeerd, maar zijn daar niet in geslaagd. Bovendien moeten de leidingen zelf ook vervangen worden. Het vervangen van leidingen is geen kleine herstelling in de zin van artikel 7:217 BW Pro. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een gebrek wat [gedaagde] moet herstellen. Dit gebrek levert echter niet een dusdanige vermindering van het huurgenot op, waarvoor huurprijsvermindering op zijn plaats is.
Montage balkon
2.17.
Tijdens de descente heeft de kantonrechter van [eiser 1] en [eiser 2] begrepen dat tijdens de taxatie van de woning is aangegeven dat de staalconstructie van het balkon gebrekkig is. De kantonrechter heeft toen aangegeven naar het taxatierapport te kijken, nu zij met het blote oog geen gebrek kan vaststellen aan de stalen constructie. Bij akte hebben [eiser 1] en [eiser 2] echter aangegeven dat dit gebrek niet is opgenomen in het taxatierapport en dat de betreffende makelaar hen dit gebrek slechts mondeling heeft medegedeeld. De kantonrechter is van oordeel dat op dit moment niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van een gebrek aan het balkon. Anders dan dat het mondeling zou zijn gezegd, hebben [eiser 1] en [eiser 2] dit gestelde gebrek op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft [gedaagde] het gebrek gemotiveerd betwist. Er is dus geen sprake van een gebrek.
De oven
2.18.
De kantonrechter heeft tijdens de descente niet kunnen vaststellen dat de besteklade heet wordt door het gebruik van de oven. [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangegeven dat de oven hiervoor langer moet aanstaan. Ook hebben [eiser 1] en [eiser 2] toegelicht dat normaliter een keramische plaat tussen de besteklade en de oven hoort te zitten. Een dergelijke plaat kost ongeveer € 100,00. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat op basis van voorgaande waarnemingen en uitlatingen van [eiser 1] en [eiser 2] , slecht kan worden vastgesteld dat als juist is dat de lade heet wordt door gebruik van de oven, het hier gaat om een kleine herstelling. Plaatsing van de keramische plaat brengt geen noemenswaardige kosten mee en aannemelijk is dat dit gemakkelijk is te verhelpen. Er is dus geen sprake van een gebrek.
Huurprijsvermindering en verhelpen gebreken
2.19.
Alles overziend komt de kantonrechter tot het oordeel dat de schimmel achter de verwarming en zowel de pui in de woonkamer, inclusief de rottende onderdorpel, als de pui in de werkkamer moeten worden aangemerkt als gebreken die leiden tot een vermindering van het huurgenot. Deze gebreken zijn van zodanige ernst en betekenis dat zij een tijdelijke huurprijsvermindering rechtvaardigen. De kantonrechter acht een huurprijsvermindering van 25% redelijk. [gedaagde] zal deze gebreken moeten verhelpen, net als de kraan en het onderliggende leidingwerk.
2.20.
Nu in punt 2.6 is vastgesteld dat de [eiser 1] en [eiser 2] op 29 september 2024 [gedaagde] in kennis hebben gesteld van de gebreken, kunnen zij met ingang van die datum aanspraak maken op huurprijsvermindering. De kantonrechter zal daarom een huurprijsvermindering van 25% toewijzen vanaf 29 september 2024 tot het moment waarop de gebreken zijn verholpen. [gedaagde] moet de teveel betaalde huur als onverschuldigd betaald aan [eiser 1] en [eiser 2] terugbetalen, vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd over de respectieve vervaldata van elke huurtermijn tot aan de datum van dit vonnis. Omdat de huurprijs in de loop der jaren één of meerdere malen is verhoogd en [eiser 1] en [eiser 2] niet inzichtelijk hebben gemaakt op welke wijze en tot welke bedragen deze verhogingen hebben plaatsgevonden, is het aan partijen zelf om op basis van dit vonnis het exacte bedrag aan huurkorting te berekenen.
2.21.
[gedaagde] heeft nog gesteld dat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 BW Pro, omdat [eiser 1] en [eiser 2] de afspraak voor het herstel van de puien hebben verplaatst en daarmee een spoedig herstel zouden hebben gefrustreerd. De kantonrechter volgt dit betoog niet. [eiser 1] en [eiser 2] hebben gemotiveerd toegelicht dat de afspraak eenzijdig door verhuurder was ingepland en dat zij op de voorgestelde datum wegens werk verhinderd waren. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat zij het herstel hebben tegengewerkt. Daarbij komt dat [eiser 1] en [eiser 2] gelijk een nieuwe afspraak hebben ingepland en dat vaststaat dat de puien tot op heden niet zijn hersteld, zodat van schuldeisersverzuim geen sprake is.
Dwangsom
2.22.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben nog een dwangsom gevorderd indien de gebreken niet binnen drie maanden na het te wijzen vonnis zijn verholpen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, maar gemaximeerd zoals in hierna in het dictum is opgenomen.
Subsidiaire vorderingen
2.23.
Nu de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld dat [eiser 1] en [eiser 2] aanspraak kunnen maken op de primair gevorderde huurprijsvermindering en het herstel van de gebreken, komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van subsidiaire vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] .
De proceskosten
2.24.
Hoewel de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] gedeeltelijk worden toegewezen, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Zoals onder 2.7 reeds is overwogen en door [gedaagde] terecht is aangevoerd, hebben [eiser 1] en [eiser 2] niet voldaan aan hun wegwijsplicht, door de wijze waarop zij het dossier hebben aangebracht en bleek de grondslag van hun vorderingen daarbij onvoldoende duidelijk uit de dagvaarding, waardoor [gedaagde] zich in eerste instantie niet goed heeft kunnen verweren. De kantonrechter verbindt hieraan het gevolg dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de gebrekkige pui in de woonkamer inclusief het rottende deel in de onderdompel, de pui in de werkkamer en de kraan inclusief leidingwerk in de keuken te herstellen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,00 voor,
3.2.
vermindert de huurprijs met 25% over de periode van 29 september 2024 tot en met de dag dat de gebreken volledig zijn hersteld,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van voornoemde huurprijsvermindering aan [eiser 1] en [eiser 2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 over de respectieve vervaldata van elke huurtermijn tot aan de datum van dit vonnis,
3.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026, bijgestaan door de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289

Voetnoten

1.Zie