Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3597

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11982357
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens aanhoudende overlast door huurder

Verhuurder verhuurt sinds 2013 een woning aan huurder, die vanaf 2020 herhaaldelijk overlast veroorzaakt door schreeuwen, deuren hard dichtslaan en intimiderend gedrag. Ondanks meerdere waarschuwingen en pogingen tot hulpverlening, waaronder een maatwerkverzoek en woningaanbiedingen, weigert huurder medewerking en blijft hij volhouden dat er een drugslab bij zijn bovenburen is, wat niet is vastgesteld.

De overlast is dermate ernstig dat omwonenden zich geïntimideerd voelen en het woongenot van anderen wordt aangetast. Huurder erkent soms boos te zijn, maar wijt dit aan vermeende overlast en een lastercampagne tegen hem. De kantonrechter oordeelt dat huurder tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst en dat het belang van omwonenden zwaarder weegt dan dat van huurder.

De rechtbank wijst de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming toe, onder de voorwaarde dat verhuurder huurder eerst een eenmalig aanbod voor een andere woning doet. De gevorderde machtiging voor ontruiming met politie-inzet wordt afgewezen. Huurder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11982357 \ CV EXPL 25-16437
Vonnis van 9 april 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: verhuurder,
gemachtigde: mr. M.G. Blokziel,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: huurder,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025, met producties;
- het proces-verbaal van het mondeling antwoord;
- het aanvullend schriftelijk antwoord;
- het instructievonnis van 6 januari 2026;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Namens verhuurder is [naam 1] (regisseur zorg en overlast) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Huurder is in persoon verschenen. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
1.4.
Huurder heeft na de zitting nog een brief aan de rechtbank gestuurd. De kantonrechter heeft deze brief echter niet in behandeling genomen, omdat tijdens de mondelinge behandeling al een datum voor vonnis was bepaald en stukken die daarna worden opgestuurd niet meer bij de beoordeling worden meegenomen.

2.De feiten

2.1.
Verhuurder verhuurt met ingang van 8 april 2013 aan huurder de woning aan het adres [adres 1] (hierna: het gehuurde). Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
Artikel 10.1 van de algemene voorwaarden bepaalt dat een huurder zich als goed huurder moet gedragen en dat dit ook inhoudt dat de huurder zich in de omgang met verhuurder en omwonenden correct gedraagt. In de artikelen 10.5 en 10.6 van de algemene voorwaarden is bepaald dat een huurder geen overlast, hinder of gevaar mag veroorzaken. Onder overlast worden in ieder geval het veroorzaken van lawaai, het uiten van intimidaties of bedreigingen verstaan.
2.3.
Huurder heeft in 2016 melding gedaan bij verhuurder dat uit de woning op [adres 2] stank/penetrante giftige dampen zouden komen. Hierbij heeft huurder vermeld dat hij het vermoeden heeft dat het zou gaan om een drugslab. Zowel verhuurder als de politie hebben vervolgens een bezoek gebracht aan de woning boven huurder, maar hebben geen drugslab of iets anders dat eventuele giftige dampen zou kunnen veroorzaken aangetroffen.
2.4.
Vanaf 2020 heeft verhuurder klachten van omwonenden ontvangen over overlast die zij ondervinden van huurder. Deze overlast bestaat uit schreeuwen, deuren hard dichtslaan en gooien met spullen. Verhuurder heeft huurder voor het eerst per brief van 7 december 2020 middels een officiële waarschuwing gesommeerd tot het staken van de overlast. In de periode na 2020 heeft verhuurder meermalen meldingen gekregen over overlast en ook huurder meermalen aangeschreven om de overlast te stoppen.
2.5.
In maart 2021 heeft de heer [naam 2] , medewerker Sociale Teams [plaats 1] en [plaats 2] , een brief van huurder ontvangen waarin hij stelt langzaam te worden vergiftigd door het drugslab van zijn bovenburen.
2.6.
Verhuurder heeft in 2022 besloten een maatwerkverzoek voor het vinden van een nieuwe woning voor huurder te starten. Verhuurder heeft daarop huurder tweemaal een andere woning aangeboden. Huurder heeft beide woningen niet geaccepteerd.
2.7.
Op 10 april 2025 is huurder via een interventie van de politie gezien door medewerkers van de psycholance. Tijdens dit bezoek hebben de medewerkers gezien dat huurder in zijn woning elke opening en kier heeft dichtgeplakt omdat hij denkt dat de bovenburen een drugslab hebben.
2.8.
Op 28 april 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden met verhuurder, de Gemeente [gemeente] , de politie en de broer en zus van huurder. Tijdens deze gesprek zijn de mogelijkheden onder de Wet aanpak woonoverlast besproken. Verder is naar voren gekomen dat huurder geen zorg accepteert en dat broer en zus een zorgmelding bij de huisarts gaan doen.
2.9.
Op 17 september 2025 is de politie bij huurder langsgegaan naar aanleiding van een overlastmelding. Huurder heeft hierbij wederom aangegeven dat er een drugslab bij zijn bovenburen zou zijn. De Zorgambulance is ter plaatse geweest en hebben geoordeeld dat huurder op dat moment geen gevaar was voor zichzelf of anderen.
2.10.
Op 27 oktober 2025 heeft verhuurder huurder per brief gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen. Hierin geeft verhuurder – kort gezegd – aan dat de door huurder veroorzaakte overlast niet stopt, huurder weigert met de zorg verlenende instanties in gesprek te gaan en huurder blijft volhouden dat er een drugslab boven zijn woning zou bevinden.

3.Het geschil

3.1.
Verhuurder vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van huurder in de proceskosten. Hierbij heeft te gelden dat verhuurder huurder als laatste kans eerst nog een eenmalig aanbod voor een andere woning zal aanbieden alvorens zij tot daadwerkelijke ontruiming over zal gaan.
3.2.
Verhuurder legt aan deze vordering ten grondslag dat huurder tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst door het blijven veroorzaken van de overlast. Het gedrag van huurder is onrechtmatig en tast de veiligheid in de buurt aan. De overlast is dermate ernstig dat het belang van huurder moet wijken voor het belang van een rustig woongenot en een rustige woonomgeving van de andere huurders.
3.3.
Huurder voert verweer. Huurder voert aan dat dat juist andere bewoners overlast veroorzaken als gevolg van drugscriminaliteit. Volgens huurder is hij daarbij slachtoffer geworden van een lastercampagne die bestaat uit onder andere doxting, sexting en diefstal van digitale persoonsgegevens.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het uitgangspunt is dat huurder zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat huurder zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Indien huurder deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
4.2.
Verhuurder heeft ter onderbouwing van haar stelling dat huurder overlast veroorzaakt vele overlastmeldingen overgelegd over de jaren 2020-2025. Deze meldingen zijn afkomstig meerdere omwonenden. Uit deze meldingen volgt dat huurder zowel overdag als ’s nachts (veel) geluidsoverlast veroorzaakt. Er wordt onder andere melding gedaan van schreeuwen, slaan met deuren en het intimideren en lastigvallen van omwonenden. Verder is huurder ervan overtuigd dat er een drugslab in de woning van zijn bovenburen is, terwijl dit door verhuurder en de politie niet is vastgesteld. Gelet daarop lijkt deze overtuiging van huurder niet te kloppen, maar hij blijft volhouden dat dit wel het geval is. De bovenburen ervaren hierdoor overlast van huurder, aangezien hij daarvan meerdere (onterechte) meldingen doet. Huurder heeft erkend dat hij wel eens boos is geworden en dan ook schreeuwt, maar volgens hem is dit het gevolg van de overlast die hij ervaart van het drugslab en de lastercampagne die tegen hem wordt gevoerd. Hoewel de kantonrechter wil aannemen dat huurder de problemen die hij stelt te hebben ook op die wijze ervaart, bestaan er geen aanwijzingen dat dit ook daadwerkelijk het geval is.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor is opgenomen voldoende blijkt dat huurder overlast veroorzaakt. Hiermee schiet huurder tekort in de nakoming van de huurovereenkomst.
4.4.
Hoewel de kantonrechter begrijpt dat huurder een groot belang heeft bij het behoud van zijn woning, dient dit belang te wijken voor het belang van de omwonenden. De overlast is al begonnen in 2020 en is door de jaren heen niet gestopt. Verhuurder heeft samen met de gemeente, politie en zijn directe familie meerdere pogingen gedaan om huurder te helpen, maar huurder heeft dit telkens geweigerd. Bovendien heeft verhuurder huurder tweemaal een andere woning aangeboden, maar daarop is huurder niet ingegaan. Uit de stukken en wat ter zitting naar voren is gekomen volgt dat huurder hulp nodig heeft. Omdat hij echter alle hulp weigert, bestaat er geen concreet zicht op verbetering. Daarbij komt dat de overlast dusdanig ernstig is dat omwonenden zich geïntimideerd voelen. Van omwonenden kan dan ook niet langer worden gevergd dat zij de overlast van huurder dulden. Ondanks dat een ontruiming voor huurder grote gevolgen heeft, namelijk dat hij mogelijk op straat komt te staan, rechtvaardigt de ernst van de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen.
4.5.
De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst is dan ook toewijsbaar. De gevorderde ontruiming is ook toewijsbaar. Verhuurder heeft te kennen gegeven dat zij als laatste kans huurder eerst een eenmalig aanbod zal doen voor een andere woning alvorens zij tot daadwerkelijke ontruiming zal overgaan. De kantonrechter zal dan ook deze voorwaarde aan de ontruiming verbinden. De kantonrechter adviseert huurder met klem om op dit aanbod van verhuurder in te gaan, omdat hij anders op straat komt te staan.
4.6.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat op grond van de wet alleen de deurwaarder een ontruiming van een woning mag uitvoeren. [2]
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eigen Haard worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
786,45
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres 1] ,
5.2.
veroordeelt huurder om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, en de sleutels af te geven aan verhuurder, onder de voorwaarde verhuurder huurder eerst een eenmalig aanbod doet voor een andere woning,
5.3.
veroordeelt huurder in de proceskosten van € 786,45, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
5.4.
veroordeelt huurder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.Artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro.