Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3602

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
25/2034
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AOWArt. 2 AOWArt. 3 AOWArt. 7 AOWEG-Verordening 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond: geen AOW-verzekering voor zeevarende zonder duurzaam verblijf in Nederland

Eiser, een zeevarende die van 1998 tot 2007 voor een Nederlandse werkgever werkte, vordert erkenning van AOW-verzekering voor de periode 1998-2004. Verweerder kende hem AOW toe vanaf 2020 op basis van vier verzekerde jaren, waarbij de periode 1998-2004 niet als verzekerd werd beschouwd.

De rechtbank oordeelt dat voor de periode vóór 1 mei 2004, toen Polen nog geen EU-lid was, het Nederlandse recht geldt. Volgens de AOW is verzekering afhankelijk van ingezetenschap, waarbij ingezetene is wie in Nederland woont met een duurzame persoonlijke band. Hoewel eiser regelmatig op een Nederlands schip verbleef, was er geen duurzame band met Nederland: hij stond niet ingeschreven in Nederland, had geen verblijfsvergunning, zijn gezin woonde in Polen en hij had geen woning in Nederland.

De rechtbank wijst ook het beroep af dat verblijf op een schip met Nederlandse thuishaven gelijkstaat aan wonen in Nederland. Daarnaast is werken aan boord van een Nederlands schip geen arbeid in Nederland voor AOW-doeleinden. Omdat eiser geen vrijwillige verzekering heeft afgesloten, is hij voor de periode 1998-2004 niet verzekerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt en daardoor niet verzekerd was voor de AOW in de periode 1998-2004.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2034

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] (Polen), eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de periode waarin hij verzekerd is geacht voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Verweerder heeft eiser met het primaire besluit van 1 februari 2024 een AOW-pensioen toegekend per 1 augustus 2022 op basis van in totaal vijf verzekerde jaren. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met een brief van 22 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om eiser voor slechts vier jaar verzekerd te achten. Met het bestreden besluit van 31 januari 2025 heeft verweerder besloten dat eiser recht heeft op een AOW-pensioen vanaf 24 mei 2020 op basis van in totaal vier verzekerde jaren.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Eiser was niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1. Eiser is in de periode van 4 januari 1998 tot en met 2 augustus 2007 als zeevarende werkzaam geweest voor een Nederlandse werkgever. In de jaren daarvoor werkte hij voor een Zwitserse zeevaartmaatschappij en bracht hij enkele periodes door aan boord van een schip dat voer onder de Nederlandse vlag. Op 12 oktober 2023 heeft eiser een
AOW-pensioen aangevraagd.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser vanaf 1 augustus 2022 een AOW-pensioen toegekend op basis van een pensioenopbouw van 10%. Volgens verweerder was eiser gedurende de periode van 24 mei 1970 tot en met 7 januari 1998 en de periode van 19 januari 2002 tot en met 23 mei 2020 niet verzekerd voor de AOW. In die periode is geen AOW opgebouwd en daarom bedraagt de korting in totaal 90%. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3. Met een brief van 22 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om eiser voor slechts vier jaar verzekerd te achten. Het AOW-pensioen van eiser wordt met 92% gekort omdat hij in de periode van 24 mei 1970 tot en met 30 april 2004 en de periode van 3 augustus 2007 tot en met 23 mei 2020 niet verzekerd was voor de AOW. Het door eiser vanaf 1 augustus 2022 te veel ontvangen AOW-pensioen hoeft hij niet terug te betalen. Verder heeft verweerder met het voornemen kenbaar gemaakt dat eiser recht heeft op een AOW-pensioen vanaf 24 mei 2020 in plaats van een toekenning vanaf
1 augustus 2022. Met het bestreden besluit heeft verweerder in overeenstemming met het voornemen besloten.

Beoordeling door de rechtbank

4. Tussen partijen staat vast dat eiser in de periode van 1 mei 2004 tot en met 2 augustus 2007 verzekerd was voor de AOW. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiser ook in de periode van 4 januari 1998 tot en met 30 april 2004 verzekerd was voor de AOW, omdat hij in deze periode als zeevarende werkzaam was voor een Nederlandse werkgever.
5. Eiser heeft aangevoerd dat hij in de periode van 4 januari 1998 tot 2 augustus 2007 voor dezelfde werkgever heeft gewerkt. Hij begrijpt niet waarom hij met ingang van 1 mei 2004 wel als verzekerd voor de AOW is aangemerkt, maar voor de periode daarvoor niet. De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit heeft toegelicht dat Polen met ingang van 1 mei 2004 is toegetreden tot de Europese Unie. Vanaf dat moment is EG-Verordening 1408/71 van toepassing in situaties met een grensoverschrijdend karakter tussen Polen en Nederland. Voor de periode daarvoor geldt dit niet. Nu er in die periode ook geen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Polen en Nederland van kracht was, dient voor die periode aan de hand van het Nederlandse recht te worden beoordeeld of eiser verzekerd was voor de AOW.
6. Omdat sprake is van een aanvraagsituatie ligt de bewijslast bij eiser. Dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat hij voldoet aan de voorwaarden om een AOW-pensioen te ontvangen. In de AOW staat dat iemand recht heeft op een AOW-pensioen wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en minimaal één jaar verzekerd is geweest voor de AOW in de periode tussen de aanvangsleeftijd en de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. [1] Iemand is verzekerd voor de AOW als hij ingezetene is van Nederland en in Nederland woont of werkt. [2]
7.1.
Uit artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW volgt dat degene die ingezetene is van Nederland verzekerd is voor AOW. Volgens artikel 2 van Pro de AOW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland ‘woont’. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld. In een arrest van de Hoge Raad [3] is overwogen dat het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aankomt of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. De rechtbank merkt daarbij op dat voor de vraag of iemand verzekerd is op grond van de AOW omdat hij in Nederland ‘woont’, dus een andere maatstaf geldt dan ‘wonen’ zoals dat in het dagelijks taalgebruik wordt gebruikt.
7.2.
Dat eiser in de periode vanaf 4 januari 1998 op een Nederlands schip werkte, is tussen partijen niet in geschil. Evenmin is in geschil dat dit schip met enige regelmaat in Den Helder lag, waardoor eiser gedurende delen van het jaar op een schip in de Nederlandse haven verbleef. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om aan te nemen dat eiser vanaf dat moment in Nederland ‘woonde’ in de zin van de AOW en daarom als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Daarvoor is van belang of vanaf dat moment sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake was. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiser in deze periode niet stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen en evenmin beschikte over een verblijfsvergunning voor Nederland. Verder is van belang dat eiser gehuwd is en dat zijn echtgenote en kinderen in die periode in Polen woonden. Eiser beschikte niet over een koop- of huurwoning in Nederland. In zijn AOW-aanvraag heeft hij bovendien verklaard dat hij niet in Nederland woonde. In een latere aanvulling heeft hij toegelicht dat hij volgens een patroon werkte waarbij hij acht weken op een schip verbleef en vervolgens vier weken naar Polen ging. Nu eiser geen verdere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij in Nederland woonde, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
7.3.
Voor zover eiser stelt dat hij op grond van artikel 3, tweede lid, van de AOW geacht moet worden in Nederland te hebben gewoond omdat hij werkte en verbleef op een schip met een Nederlandse thuishaven, volgt de rechtbank hem daarin niet. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep [4] dient deze bepaling zo te worden uitgelegd, dat alleen zeevarenden ten aanzien van wie, beoordeeld naar de omstandigheden, geen woonplaats aan de vaste wal is aan te wijzen, aan boord van het schip wonen. Van een dergelijke situatie is bij eiser geen sprake, nu hij in de betreffende periode een woning in Polen had.
8. Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de AOW is ook verzekerd degene die in Nederland of op het continentaal plat arbeid verricht in loondienst en daarvoor aan de loonbelasting is onderworpen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat hiervan in het geval van eiser geen sprake is. Het verrichten van werkzaamheden aan boord van een zeeschip dat onder Nederlandse vlag vaart, wordt immers niet aangemerkt als het verrichten van arbeid op Nederlands grondgebied. De relevante uitvoeringsbesluiten bij de AOW, te weten Koninklijke Besluiten 164 en 746, bevatten geen regeling die een dergelijke gelijkstelling tot stand brengt. Tegen deze achtergrond kan het werken aan boord van een Nederlands schip niet op zichzelf leiden tot AOW-verzekering op basis van het werken in Nederland.
9. Nu verder niet is gebleken dat eiser gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren, heeft verweerder eiser terecht als niet verzekerd beschouwd voor de periode van 4 januari 1998 tot en met 30 april 2004. De bepalingen van de AOW met betrekking tot het verzekerd zijn, zijn dwingendrechtelijk voorgeschreven, zodat geen ruimte bestaat om eiser om andere redenen dan die in de AOW opgenomen, als verzekerd aan te merken.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. Verweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat eiser in de periode van 4 januari 1998 tot en met 30 april 2004 niet verzekerd is voor de AOW. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van hoger beroep kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de AOW.
2.Dit staat in artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van Pro de AOW.
3.Het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA7165.