Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3619

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1497
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 Wet BRPArt. 2.21 Wet BRPArt. 2.22 Wet BRPArt. 4.6 Circulaire Adresonderzoek BRPBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen registratie als vertrokken naar onbekend adres in BRP

Verzoeker is per 17 november 2025 door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP) als 'vertrokken naar onbekend adres'. Dit besluit is genomen na een huisbezoek waarbij verzoeker niet werd aangetroffen en op basis van verklaringen van zijn ex-partner en betaalgegevens. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het onderzoek van verweerder onvoldoende gedegen was. Zo ontbrak een voorgenomen besluit, was er slechts één huisbezoek tijdens afwezigheid verzoeker, en is de verklaring van de ex-partner vanwege relatiebreuk en belangenconflict niet betrouwbaar. Ook de betaalgegevens kunnen niet eenduidig worden toegeschreven aan het bestreden adres.

Gezien de grote gevolgen van ambtshalve uitschrijving en het ontbreken van voldoende bewijs acht de voorzieningenrechter het bezwaar kansrijk. Het belang van verzoeker bij inschrijving op het adres weegt zwaarder dan het belang van verweerder. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot registratie als vertrokken naar onbekend adres wordt geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1497

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. O.H.G. Daane Bolier),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Lensink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de registratie in de Basisregistratie personen (Brp) als 'vertrokken naar onbekend adres'. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Het bestreden besluit zal worden geschorst. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 heeft verweerder besloten om verzoeker per 17 november 2025 in de Brp te registreren als ‘vertrokken naar onbekend adres’. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Achtergrond en besluitvorming
3. Uit het dossier blijkt dat het gaat om een samenlevingssituatie tussen verzoeker en [ex-partner] . Verzoeker heeft zelf verklaard samengewoond en- geleefd te hebben met [ex-partner] (ex-partner). Daar is een einde aan gekomen. Verzoeker stelt dat hij niet meer wil dat zijn ex-partner woont op het bestreden adres, namelijk [adres] . Daarom heeft hij melding gedaan bij de gemeente. Naar aanleiding van deze melding is er een onderzoek uitgevoerd naar verzoekers feitelijke woonadres.
3.1.
Op 17 november 2025 heeft verweerder een huisbezoek afgelegd op het adres. De ex-partner heeft verklaard dat verzoeker al geruime tijd in Marokko woont. Tijdens het huisbezoek is verzoeker niet aangetroffen, wel zijn ex-partner en een stiefzoon. De toezichthouders hebben geconstateerd dat de ex-partner een foto heeft gemaakt van ongeopende post. Hiervan hebben de toezichthouders een foto gemaakt. Hieruit blijkt volgens verweerder dat verzoeker langere tijd zijn post niet heeft geopend. Verder blijkt volgens verweerder uit de betaalafschriften dat verzoeker veel in de buurt pint, maar dit is ook in de buurt van zijn moeder en zijn zussen. Feitelijk lijkt verzoeker volgens verweerder meer in de buurt van het adres van zijn moeder en zussen te pinnen dan in de buurt van het bestreden adres.
3.2.
Verweerder heeft geconstateerd dat verzoeker niet (meer) woont op het adres [adres] en dat hij geen aangifte van verhuizing of vertrek heeft gedaan. Er is geen ander adres van verzoeker bekend geworden tijdens het onderzoek. Daarom heeft verweerder besloten verzoeker per 17 november 2025 in de Brp te registreren als ‘vertrokken naar onbekend adres’.
3.3.
Verzoeker heeft volgens verweerder niet voldaan aan zijn aangifteplicht en niet of onvoldoende aan zijn informatieverplichting. Evenwel is hem dit niet te verwijten. Verweerder legt dan ook geen boete op. Dit besluit ontslaat verzoeker niet van zijn aangifteplicht, hij moet nog steeds zijn feitelijke woonadres aan verweerder doorgeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Kort samengevat stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij op basis van hetgeen hij reeds bij verweerder heeft verklaard, afdoende heeft aangetoond dat hij nog woonachtig is op het bestreden adres. Volgens verzoeker is er niet voldaan aan de eisen van artikel 2.22 van de Wet Brp nu verweerder heeft nagelaten gedegen onderzoek te verrichten.
4.1.
Op grond van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet Brp draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland, indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland.
4.2.
Indien verweerder een redelijk vermoeden heeft dat een persoon niet (meer) op het adres woont waar hij in de Brp is ingeschreven, ligt het op de weg van betrokkene om die twijfel weg te nemen door noodzakelijke inlichtingen te verstrekken en geschriften over te leggen. [1] Als betrokkene er niet in slaagt aannemelijk te maken dat hij wel op het adres woont waar hij in de Brp op staat ingeschreven en weigert aangifte te doen van een adreswijziging, schrijft verweerder betrokkene ambtshalve uit. [2]
4.3.
De voorzieningenrechter constateert dat het dossier geen voorgenomen besluit bevat, terwijl dit volgens artikel 4.6 van de Circulaire Adresonderzoek BRP wel vereist is. Het is onduidelijk of dit in bezwaar kan worden hersteld, mede omdat verzoeker betwist dat hij een dergelijk besluit heeft ontvangen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven niet te weten of het besluit in dit specifieke geval is gestuurd.
4.4.
Met betrekking tot de pinbetalingen stelt verweerder dat deze ook kunnen zijn gedaan tijdens verblijven bij zijn zussen of moeder. Op zitting heeft verweerder echter erkend dat deze betalingen ook kunnen passen bij een verblijf op het onderzochte adres. Dit kan het bestreden besluit dus niet dragen.
4.5.
Wat het huisbezoek betreft, geldt dat er één huisbezoek heeft plaatsgevonden terwijl verzoeker afwezig was omdat hij in Marokko verbleef. Dit wordt ondersteund door het gebruik van een Marokkaans telefoonnummer. Dit enkele feit is echter onvoldoende om te concluderen dat verzoeker niet op het adres woonde. De toezichthouder heeft namelijk wel kleding van verzoeker aangetroffen op het adres. Verweerder hecht grote waarde aan de verklaring van de ex-partner, maar niet in geschil is dat er sprake is van een relatiebreuk en dat het adresonderzoek op initiatief van verzoeker zelf heeft plaatsgevonden omdat hij de ex-partner uit de woning wil laten vertrekken. Dit wijst op een conflict dat meegenomen moet worden bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaring. Bovendien heeft de ex-partner een foto getoond van ongeopende post, waarvan de toezichthouder eveneens een foto heeft gemaakt (waarop niet te lezen is wie de geadresseerde is). Zonder nadere toelichting heeft dit bewijs slechts beperkte waarde.
4.6.
Nu er geen verdere uitvraag heeft plaatsgevonden over de feitelijke woonsituatie is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet zonder meer geoordeeld kan worden dat verweerder een gedegen onderzoek heeft gedaan. De vraag – die in bezwaar verder aan de orde zal moeten komen – is of verweerder dan wel tot ambtshalve uitschrijving over had mogen gaan, gelet op de grote gevolgen daarvan. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet Brp volgt immers dat niet lichtvaardig tot ambtshalve opschorting van de bijhouding van een persoonslijst mag worden overgegaan, omdat dit voor de ingeschrevene betekent dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel van uitgaan dat de betrokkene niet meer in Nederland verblijft en bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel zullen stopzetten. Een opschorting van de bijhouding van de persoonslijst kan dan ook niet eerder plaatsvinden dan nadat een gedegen onderzoek geen nieuwe gegevens heeft opgeleverd over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland, noch het verblijf buiten Nederland van betrokkene. [3] Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen heeft.
4.7.
De gemachtigde van verweerder heeft inschrijving op een briefadres als mogelijke oplossing aangedragen en heeft daarnaast gewezen op de mogelijkheid om een verzoek tot herinschrijving te doen. Verzoeker heeft aangegeven momenteel geen parkeervergunning meer te hebben vanwege de uitschrijving op het bestreden adres. De gemachtigde van verweerder kon ter zitting niet vertellen of parkeerbelasting wordt terugbetaald als achteraf blijkt dat de uitschrijving onterecht was. Bovendien wenst verzoeker geen briefadres vanwege een mogelijke civiele ontruimingsprocedure, uit vrees dat dit tegen hem gebruikt wordt. Ten aanzien van herinschrijving heeft verzoeker tijdens de zitting verklaard dat hij dit heeft geprobeerd, maar niet is gelukt gelet op onderhavige zaak.
4.8.
De voorzieningenrechter ziet op grond van voorgaande aanwijzingen dat het bestreden besluit in bezwaar mogelijk geen stand kan houden. Hoewel verweerder dit gebrek mogelijk in de bezwaarprocedure kan herstellen, weegt het belang van verzoeker bij inschrijving in de Brp op het adres [adres] zwaarder dan het belang van verweerder. Daarom zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden toegewezen en het bestreden besluit worden geschorst.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 30 januari 2026 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2800.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:354.
3.Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 42.