Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de Dienst Toeslagen, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
11 april 2022 heeft verweerder beslist dat eiseres recht heeft op een tegemoetkoming van
€ 13.455 vanwege een ten onrechte gegeven kwalificatie van opzet of grove schuld (OG/S). Omdat deze tegemoetkoming lager is dan het bedrag van € 30.000 dat eiseres al had ontvangen, krijgt eiseres dit extra bedrag van € 13.455 niet van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
9 januari 2009 heeft eiseres per abuis de kinderopvangtoeslag stopgezet per 1 januari 2008 in plaats van per 31 december 2008. Op 24 januari 2009 is, naar aanleiding van de stopzetting, een nihilbeschikking voor 2008 gevolgd. Weliswaar heeft eiseres op
22 januari 2009 alsnog de juiste ingangsdatum van de stopzetting doorgegeven, maar bij wijzigingen is een verwerktijd van een aantal weken gebruikelijk. Dit komt overeen met de termijn tussen de stopzetting van eiseres per 8 januari 2009 en de nihilbeschikking van
24 januari 2009. Op 10 februari 2009 heeft verweerder een verzoek om informatie gestuurd. Verweerder vroeg daarbij om facturen, de jaaropgave 2008 en contracten met kinderopvanginstellingen. Eiseres heeft de gevraagde stukken op 26 februari, 8 juli en
18 september 2009 aangeleverd. Op 30 september 2009 heeft verweerder aan de hand van deze nadere gegevens het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008 herzien en vastgesteld op € 6.263,-.
Overwegingen
10 februari 2009 informatie heeft opgevraagd bij eiseres. Eiseres ontving tot het moment van stopzetting van de toeslag op 24 januari 2009 een voorschot. Totdat eiseres een stopzetting doorgaf was er voor verweerder geen reden om te twijfelen aan het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag. Met het bericht van 22 januari 2009 heeft eiseres doorgegeven dat de toeslag niet per 1 januari 2008, maar per 31 december 2008 werd stopgezet. Daarmee beoogde eiseres kennelijk te laten weten dat zij het ontvangen voorschot wenste te continueren. Voor het continueren of verstrekken van een voorschot was het niet noodzakelijk dat verweerder over alle op 10 februari 2009 gevraagde stukken beschikte.
22 januari 2009 gezien moet worden als een nieuwe aanvraag, niet. De correctie betreft een wijziging van de eerdere melding van 9 januari 2009. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat deze melding een correctie was en geen nieuwe aanvraag, zodat artikel 16, eerste lid, van de Awir geen recht geeft op een voorschot. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is geweest van hardheid van het stelsel.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.