Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3643

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
25/1972
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.C.S. van Limburg Stirum
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:4 AwbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit kinderopvangtoeslag wegens niet verstrekken op de zaak betrekking hebbende stukken

Eiser, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om compensatie voor de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009. Verweerder stelde aanvankelijk een compensatiebedrag vast van €38.793,-, dat later werd verhoogd naar €44.248,-. Eiser betwistte de hoogte van de compensatie en vorderde inzage in zijn volledige dossier, met name stukken over opzet/grove schuld en de Fraude Signalering Voorziening (FSV), die verweerder niet verstrekte.

De rechtbank oordeelt dat het persoonlijk dossier niet in zijn geheel hoeft te worden overgelegd, maar dat de specifieke stukken over opzet/grove schuld en FSV wel op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die verstrekt moeten worden. Verweerder kon niet aannemelijk maken dat deze stukken niet bestaan. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek doordat niet is ingegaan op het verstrekken van deze stukken.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt verweerder om binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen na verstrekking van de gevraagde stukken. Daarnaast moet verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank wijst het beroep toe, maar wijst de grond over het toetsingsinkomen af omdat dit bij de Inspecteur inkomstenbelasting moet worden aangevochten.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens niet verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken en verweerder moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1972

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Hamdach).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008 en 2009.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 3 januari 2020 een verzoek om compensatie voor de kinderopvangtoeslag ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 18 augustus 2021 de compensatie vastgesteld op € 38.793,-.
Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 op het bezwaar van eiser heeft verweerder dit bedrag verhoogd naar € 44.248,-.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser is gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft verzocht om compensatie van schade. Eiser heeft compensatie gekregen over de jaren 2008 en 2009 omdat hij destijds deel uitmaakte van een onderzoek. In eerste instantie is het compensatiebedrag in de integrale beoordeling vastgesteld op € 38.793,-. In het bestreden besluit heeft verweerder de compensatie van enkele posten verhoogd, waaronder de vergoeding van juridische kosten, de immateriële schade en de rente over 2008 en 2009. Het totale compensatiebedrag is daarmee vastgesteld op € 44.248,-.
3.1.
Eiser is het niet eens met de hoogte van de compensatie. Om beter te kunnen beoordelen op welk bedrag hij recht heeft, heeft hij zijn volledige dossier nodig. Verweerder heeft dat niet verstrekt. Eiser is van mening dat de stukken die betrekking hebben op de kwalificatie opzet/grove schuld en de FSV [1] op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en ten onrechte niet aan hem zijn overgelegd.
3.2.
Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de kinderopvangtoeslag over 2009 niet correct is berekend, omdat van een verkeerd toetsingsinkomen is uitgegaan en daardoor een verkeerd percentage is gehanteerd.
Eiser heeft zijn gronden met betrekking tot de immateriële schadevergoeding ingetrokken, omdat die in een andere procedure aan de orde komen.
4. Verweerder is van mening dat het persoonlijk dossier van eiser niet in zijn geheel hoeft te worden overgelegd, omdat daarin ook stukken voorkomen die niet direct op de kinderopvangtoeslag betrekking hebben. Eiser heeft niet de kwalificatie opzet/grove schuld gekregen; daarom zijn er ook geen stukken die daarover gaan. Hetzelfde geldt voor de FSV; eiser komt daar niet in voor. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 juli 2025 [2] , waarin is geoordeeld dat het persoonlijk dossier niet valt onder wat wordt verstaan onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’, zoals bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

5. De uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 gaat, net als hier, over de vraag of bepaalde stukken ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ zijn. Het ging in die zaak over het gehele persoonlijk dossier. Het persoonlijk dossier bevat alle stukken die zien op het contact tussen de ouder en de Belastingdienst, waaronder ook stukken die gaan over andere toeslagen en bijvoorbeeld de inkomstenbelasting. De Afdeling heeft daarover overwogen dat de procedure betrekking had op de compensatieberekening in het kader van de integrale beoordeling. De compensatieberekening wordt gemaakt op basis van een aantal vaste componenten: een bedrag vanwege ten onrechte teruggevorderde kinderopvangtoeslag, niet toegekende kinderopvangtoeslag of stopgezette voorschotverlening, opgelegde boetes, een daarop gebaseerd vast percentage vanwege materiële schade, proceskosten voor door een derde verleende rechtsbijstand, eventuele invorderingskosten, rentenadeel en immateriële schade op de wijze zoals hierboven is overwogen. De juistheid van de compensatieberekening moet kunnen worden getoetst als die in geschil is. De Afdeling zegt dan ook dat de Dienst Toeslagen daarom gehouden is om de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van een geschil aan de bestuursrechter over te leggen. In zoverre verschilt de genoemde zaak van de Afdeling niet van onderhavige en sluit de rechtbank zich bij die uitspraak aan.
6. De Afdeling beantwoord de vraag of het gehele persoonlijke dossier op de zaak betrekking hebbende stukken zijn vervolgens ontkennend. Omdat het persoonlijk dossier ook bestaat uit documenten die niet gaan over een van de hiervoor genoemde componenten, kan appellante in die zaak niet worden gevolgd in haar standpunt dat het persoonlijk dossier overgelegd moet worden op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In zoverre kan de rechtbank zich ook daar in vinden. Dit laat echter onverlet dat de Afdeling in haar uitspraak niets zegt over de specifieke onderdelen van het dossier die in deze zaak door eiser gevraagd worden te overleggen, te weten de opzet/grove schuld- en de FSV-stukken. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in het standpunt dat uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat die gevraagde stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en om die reden niet hoeven te worden overgelegd.
7. Eiser heeft niet om het persoonlijk dossier gevraagd, maar wil deze bepaalde specifieke stukken nog ontvangen. Volgens eiser zijn deze stukken wél op de zaak betrekking hebbende stukken omdat zij meer inzicht kunnen geven in het recht op compensatie, ook in deze integrale beoordeling. Eiser heeft meerdere keren verzocht om deze stukken, maar steeds geen reactie ontvangen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat er in het geval van eiser geen stukken over de opzet/grove schuld of FSV zijn omdat hij niet in die systemen voorkwam. Dit blijkt uit een gezet kruisje door de afdeling die dit heeft beoordeeld. Hier zijn echter geen stukken van, zodat deze stukken ook niet kunnen worden overgelegd in de hoedanigheid van op de zaak betrekking hebbende stukken, aldus verweerder.
8. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich dus specifiek voor de vraag gesteld of de stukken ten aanzien van opzet/grove schuld en de FSV moeten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Ook is de vraag of het voldoende aannemelijk is dat die stukken er in het geval van eiser misschien niet zijn. De rechtbank stelt daarbij allereerst vast dat in het bestreden besluit met geen enkel woord wordt gerept over het al dan niet verstrekken van de stukken terwijl dit in bezwaar wel uitdrukkelijk is gevraagd. In zoverre bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en komt het alleen al om die reden voor vernietiging in aanmerking.
9. De rechtbank verwijst bij haar beoordeling verder naar memo van de Staatssecretaris van Financiën [3] (gedateerd 12 augustus 2024) waarin de werkwijze wordt behandeld die diensten die een verzoek om stukken moeten beoordelen dienen uit te voeren ten aanzien van de kwestie opzet/grove schuld. Daarin staat dat de dienst bij een beoordeling ‘geen opzet/grove schuld’ toch zal moeten verklaren dat en hoe is gezocht naar informatie en stukken. De stelling van verweerder dat er geen opzet/grove schuld is vastgesteld en daarom dus ook geen stukken zijn, is alleen al om die reden dus onvoldoende aannemelijk. Er is, zo blijkt uit de memo, immers een specifieke afdeling in het leven geroepen die deze onderzoeken uitvoert (te weten CAP UHT B&I) en met stukken onderbouwd tot een conclusie komt. Die onderbouwende stukken bestaan dus voor iedereen, óók als uiteindelijk wordt geconcludeerd dat iemand niet in een systeem voorkomt. Tevens staat in de memo dat die stukken in relatie kunnen staan tot de compensatiebeoordeling en dat betrokkenen wettelijk recht hebben op inzage in deze stukken, in bezwaar op grond van artikel 7:4, tweede lid van de Awb. In de memo wordt dan ook het advies gegeven deze stukken te verstrekken. De rechtbank komt mede op grond van voorgaande dan ook tot het oordeel dat de stukken over opzet/grove schuld op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die door verweerder aan eiser verstrekt hadden moeten worden. Gelet op de aard van de stukken, oordeelt de rechtbank overeenkomstig voor wat betreft de FSV-stukken. Ook hiervan acht de rechtbank hoogst onaannemelijk dat hier enkel een kruisje gezet is (in dit geval dat eiser niet in de FSV voorkwam) en er verder geen onderliggende stukken van die conclusie zijn. Ook hier zal iemand immers hebben moeten onderzoeken of een bepaalde persoon in het systeem voorkwam en daar een verslag met bevindingen van hebben opgemaakt. Als dat er echt niet is, moet verweerder uiteenzetten hoe het onderzoek in zijn werk is gegaan en waarom daarvan niets op papier is terug te vinden.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opzet/grove schuld- en de FSV-stukken wel zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in de artikelen 7:4, tweede lid, en 8:42 van de Awb. Verweerder heeft deze stukken dus ten onrechte niet aan eiser in de bezwaarfase verstrekt. Verweerder zal deze stukken dus moeten opzoeken, dan wel opvragen bij de afdeling CAP UHT B&I en aan eiser dienen te overleggen.
Dat er sprake zou zijn van een nieuwe, pas op zitting aangevoerde, grond – zoals door de gemachtigde van verweerder ter zitting is gezegd – is niet juist. Eiser heeft dit in de bezwaarfase al aan de orde gesteld. Omdat het hier gaat om een verplichting van verweerder om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, kan de rechtbank dit bovendien ook ambtshalve aan de orde stellen. Het beroep van eiser slaagt dus.
11. Wat betreft de juistheid van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 overweegt de rechtbank het volgende. Het toetsingsinkomen wordt door de Inspecteur inkomstenbelasting doorgegeven aan de Dienst Toeslagen, die deze gegevens als uitgangspunt neemt voor het vaststellen van de kinderopvangtoeslag. Als eiser het niet eens was met de hoogte van het toetsingsinkomen, had hij dit bij de Inspecteur inkomstenbelasting moeten aankaarten. Eiser heeft zijn stelling dat er van foutieve gegevens is uitgegaan niet voldoende onderbouwd. Als hij dat wel kan, moet hij zich wenden tot de Inspecteur inkomstenbelasting. Deze grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij niet is ingegaan op verstrekken van stukken over opzet/grove schuld en FSV. Verweerder dient dus alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder dus in ieder geval de opzet/grove schuld en de FSV-stukken, op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb aan eiser te verstrekken. Naar aanleiding daarvan kan eiser eventueel nog aanvullende gronden van bezwaar formuleren, waarna verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 26 februari 2025;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Fraude Signalering Voorziening.
3.Memo werkwijze bij verzoek om stukken OGS 12-08-2024.