Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
De dwangsom is door [bedrijf] betaald.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Voorzieningenrechter van de sector Bestuursrecht” dient aan te vragen (zie 2.7), is daarvoor redengevend dat [eiser] niet heeft gesteld dat een ‘bestuursrechtelijk kortgeding’ hem onvoldoende rechtsbescherming biedt. [1] Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] met betrekking tot dwangsom II de bezwaarfase bij de gemeente heeft doorlopen en ook al een bodemprocedure bij de bestuursrechter aanhangig heeft gemaakt. Daarmee voldoet [eiser] aan het zogeheten, bestuursrechtelijke ‘connexiteitsvereiste’. [2] Bovendien wordt relevant geacht dat [eiser] , blijkens de dagvaarding, in het kader van de lopende beroepsprocedure (dwangsom II) een beroep op artikel 3:4 lid 2 Awb Pro en jurisprudentie van de Raad van State doet en daarmee zelf kennelijk ook een bestuursrechtelijke toets van de door hem bestreden executiemaatregelen voorstaat.
executie vóórdat de bestuursrechtelijke procedures zijn doorlopen tot een situatie [leidt] waarin [eiser] financieel wordt ‘uitgeschakeld’, terwijl er twijfels zijn over de rechtmatigheid van de gemeentelijke inzet tegen [eiser] in privé.” [eiser] is naar eigen zeggen echter een succesvol internationaal ondernemer, die zich via zijn vennootschappen bezighoudt met onder meer projectontwikkeling en financiële dienstverlening. Zijn concern bestaat uit tientallen vennootschappen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volgt uit enkel de hoogte van de dwangsommen niet waarom executie tot een noodtoestand zal leiden.