Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3695

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1369 en AMS 26/1579
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling gehandicaptenparkeerkaartArt. 8:72 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing Europese gehandicaptenparkeerkaart wegens onvoldoende zorgvuldigheid medische advisering

Eiser diende op 21 maart 2025 een aanvraag in voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een bestuurder, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 5 juni 2025 werd afgewezen op basis van adviezen van de GGD. Eiser maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening. De GGD bracht meerdere adviezen uit die de afwijzing ondersteunden, maar eiser betwistte de zorgvuldigheid en inhoud van deze adviezen.

De rechtbank oordeelt dat de medische adviezen van de GGD niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De adviezen zijn gebaseerd op een momentopname en bevatten geen kwantitatieve vaststelling van de loopafstand, terwijl eiser ernstige en chronische klachten heeft die onvoldoende zijn meegewogen. Een door eiser ingeschakelde verzekeringsarts concludeert dat de GGD-adviezen onvolledig en misleidend zijn, onder meer door verkeerde interpretatie van de arbeidssituatie en onderschatting van de klachten.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een nieuw medisch advies moet worden ingewonnen dat alle relevante medische informatie meeneemt. Tevens wijst de rechtbank een voorlopige voorziening toe, waardoor eiser tot zes weken na het nieuwe besluit gebruik kan maken van een GPK. Daarnaast wordt het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoed.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart wegens onvoldoende zorgvuldigheid in de medische advisering en wijst een voorlopige voorziening toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/1369 en AMS 26/1579
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Veltheer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (hierna: GPK) voor een bestuurder. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Op 21 maart 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een GPK voor een bestuurder. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juni 2025 afgewezen. Uit het gevraagde advies van de GGD blijkt namelijk dat eiser niet voldoet aan de criteria voor een GPK. Uit het advies volgt dat eiser zich zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter aaneengesloten kan voortbewegen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de GGD meermaals advies uitgebracht met als conclusie afwijzing van de aanvraag voor een GPK. Met het bestreden besluit van 17 maart 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Juridisch kader
3.1.
Volgens artikel 1, eerste lid, onder a van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart komen bestuurders van een motorvoertuig, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen, in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter mag verweerder zich bij het nemen van besluiten baseren op een medisch advies als dit zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het advies de conclusie kan dragen. Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt. [2]
Overwegingen
4. Eiser voert aan dat verweerder zich niet heeft mogen beperken tot het volgen van de adviezen van de GGD. Volgens eiser zijn de adviezen niet zodanig inzichtelijk en draagkrachtig dat zij een afwijzing van zijn aanvraag voor een GPK kunnen dragen omdat de adviezen zijn gebaseerd op een momentopname. De GGD-arts vermeldt in haar advies de aanwezigheid van twee Morel-Lavallée-laesies in het rechterbeen, veneuze insufficiëntie en lymfevatbeschadiging, maar concludeert zonder concrete analyse van pijn, belastbaarheid, duur en prognose dat daarmee geen ernstige loopbeperking tot minder dan 100 meter kan worden verklaard. De adviezen bevatten geen kwantitatieve vaststelling van de maximale loopafstand (meters, duur, noodzaak tot pauzes, pijnscore). De GGD legt een onevenredig zware nadruk op een korte spreekkamer-observatie (normaal looppatroon, vlot opstaan, niet gebruiken van de stok over een zeer korte afstand), en vertaalt dit naar het ontbreken van een ernstige loopbeperking. Eiser heeft in zijn uitgebreide reactie van 26 november 2025 concreet en onder verwijzing naar de Richtlijn en het Medisch Werkdocument uiteengezet waarom de adviezen tekortschieten en om herbeoordeling verzocht. De latere reactie van de GGD van 23 december 2025 herhaalt in hoofdzaak de eerder ingenomen standpunten en volstaat opnieuw met algemeenheden over protocoltoepassing, zonder de door eiser genoemde concrete punten inhoudelijk te weerleggen. Daarmee is geen sprake
van de vereiste zorgvuldige heroverweging in bezwaar.
5. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een medisch advies overgelegd van een door hem ingeschakelde verzekeringsarts die verbonden is aan Medoa Medisch Adviesbureau. Dit advies is opgesteld na bestudering van een medisch dossier, bestaande uit meer dan 70 medische stukken van onder meer de behandelend chirurg, dermatoloog, revalidatiearts, fysiotherapeut, bedrijfsarts, huisarts en GZ-psycholoog. De verzekeringsarts concludeert in haar advies dat de adviezen van de GGD, die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, onvolledigheden en misinterpretaties bevatten. Zo is de arbeidssituatie van eiser verkeerd geïnterpreteerd door de GGD. De GGD stelt dat eiser veel moet lopen op zijn werk, terwijl eiser juist uitsluitend aangepast werk verricht ómdat hij anders veel zou moeten lopen en staan. Hij wordt voornamelijk ingeroosterd voor zittende en administratieve taken. Ook zijn de aard en ernst van de klachten van eiser onderschat volgens de verzekeringsarts. De GGD spreekt over laesies die “wat” pijn kunnen veroorzaken, maar gaat voorbij aan het gecompliceerde beloop met blijvende weefsel- en vaatschade, neuropathische pijn en een resterende laesie. Verder zou het goede linkerbeen volgens de GGD voor voldoende stabiliteit moeten zorgen, maar de revalidatiearts heeft juist vastgesteld dat het linkerbeen overbelast raakt door verminderde afwikkeling/afzet van de rechtervoet. Verder blijkt uit een brief van de dermatoloog dat eiser aan het einde van de
middag soms niet meer kan lopen en met krukken moet lopen. De fysiotherapeut beschrijft dat pijn en zwelling gedurende de dag toenemen. Dit onderbouwt volgens de verzekeringsarts dat eiser in de ochtend mogelijk iets verder kan lopen dan later op de dag. Dat eiser structureel meer kan lopen dan 100 meter aaneengesloten, al dan niet met
hulpmiddelen, is tot op heden volgens de verzekeringsarts niet overtuigend aangetoond. De klachten zijn chronisch en persisterend. Er is een persisterende laesie onder de knie. De omvang kan stabiel blijven, maar toename of recidief is ook mogelijk.
6. Gelet op de gebreken in de medische adviezen die eiser heeft aangevoerd, die de verzekeringsarts heeft onderkend, die al eerder aan de orde zijn gekomen tijdens de bezwaarprocedure en waar de GGD niet specifiek op heeft gereageerd in de nadere adviezen, is de rechtbank van oordeel dat de adviezen van de GGD niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De aard en ernst van de klachten van eiser lijken te zijn onderschat, er is verzaakt verder onderzoek te doen naar het looppatroon ondanks dat er lichte afwijkingen werden geconstateerd bij observatie, in de anamnese lijkt informatie over zijn belasting in werk verkeerd te zijn geïnterpreteerd en er werd geen verdere informatie opgevraagd. Verweerder heeft de adviezen van de GGD daarom niet aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen. De beroepsgrond slaagt.
7. Omdat het onderzoek naar de medische situatie van eiser onvoldoende zorgvuldig is geweest, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het betreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken. Het ligt in de rede om een nieuw advies op te vragen bij de GGD, waarbij de GGD ingaat op het advies van de verzekeringsarts van Medoa Medisch Adviesbureau.
8. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Eiser is op basis van een Wmo-besluit verhuisd naar een toegankelijke woning. Bij zijn vorige woning had hij wel een parkeervergunning. In de buurt van de nieuwe woning geldt echter een nul-plafond voor bewonersvergunningen. Hierdoor is zijn aanvraag voor een bewonersparkeervergunning afgewezen waartegen eiser ook een procedure heeft lopen. Door de afwijzing van de GPK beschikt eiser over geen enkele passende parkeervoorziening in de directe omgeving van zijn woning en wordt hij al tien maanden dagelijks geconfronteerd met hoge parkeerkosten en belemmering van zijn toegang tot werk, zorg en het dagelijks leven. Daarom ziet de rechtbank reden om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat eiser tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar tegen de afwijzing van de GPK van een GPK gebruik kan maken.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de GPK te nemen. Dit omdat een nieuw medisch advies, waarin alle medische informatie van eiser kenbaar wordt meegewogen, moet worden afgewacht.
9.2.
De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter geeft verweerder hiervoor acht weken. Omdat het beroep gegrond is en verweerder wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen, bestaat er aanleiding om in afwachting van dat nieuwe besluit een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek toe en treft op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening inhoudende dat eiser tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar van een GPK gebruik kan maken.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- treft de voorlopige voorziening inhoudende dat eiser tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar van een GPK gebruik kan maken;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 108,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.