De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 maart 2026 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. Het EAB betrof de aanhouding en overlevering van een Poolse verdachte die een vrijheidsstraf van één jaar moet ondergaan, waarvan nog bijna twaalf maanden resteren.
Tijdens de zitting was de verdachte niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman. De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde diens Poolse nationaliteit. Vervolgens onderzocht de rechtbank de ontvankelijkheid van de vordering van de officier van justitie.
Op basis van het meest recente M-formulier bleek dat de verdachte zich inmiddels in overleveringsdetentie in Duitsland bevindt en niet meer op Nederlands grondgebied verblijft. Hierdoor ontbrak de noodzakelijke grondslag voor de Nederlandse rechter om het EAB in behandeling te nemen. De rechtbank verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk en stelde vast dat de geschorste overleveringsdetentie is geëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.