Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3731

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/5656, 25/3431, 25/5812, 25/5904
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 102 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling nadere beslistermijn wegens tekort aan verzekeringsartsen bij UWV

De rechtbank Amsterdam behandelt vier bestuursrechtelijke zaken waarin Coöperatieve Rabobank U.A. en Olympia Services B.V. (eisers) bezwaar maken tegen het niet tijdig beslissen door het UWV (verweerder) op WIA-gerelateerde zaken. Eisers hebben verweerder ingebreke gesteld vanwege overschrijding van de beslistermijn, waarna de beroepen ontvankelijk en gegrond zijn verklaard.

Verweerder voert aan dat de vertraging wordt veroorzaakt door een landelijk tekort aan verzekeringsartsen, wat noodzakelijk is voor het afronden van de besluitvorming. De rechtbank erkent dit als een bijzonder geval en wijst op eerdere correspondentie en een zitting waarin de situatie nader is toegelicht. Verweerder past inmiddels een prioritering toe waarbij schrijnende situaties voorrang krijgen, en stelt dat de maximale beslistermijn niet langer mag zijn dan zestien weken.

De rechtbank stelt vast dat de huidige beslistermijn van acht weken niet haalbaar is en legt een nadere beslistermijn van 40 weken voor werkgeversberoepen vast, waarbij de termijn loopt vanaf het moment van het instellen van beroep. Voor de individuele zaken worden termijnen vastgesteld variërend van 2 tot 14 weken na verzending van de uitspraak, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van het UWV om tijdig besluiten te nemen en sturing te geven aan de processen binnen de verschillende districtskantoren, ondanks de landelijke capaciteitsproblemen. De rechtbank wijst het verzoek van verweerder af om de termijn te berekenen vanaf de datum van de uitspraak, maar hanteert een toekomstgerichte termijn vanaf die datum met terugwerkende kracht vanaf het moment van beroep.

Uitkomst: De rechtbank stelt een nadere beslistermijn vast voor UWV en legt dwangsommen en proceskostenvergoedingen op wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/5656, AWB 25/3431, AWB 25/5812, AWB 25/5904

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaken tussen

Coöperatieve Rabobank U.A, statutaire zetel in [plaats] , eiseres 1

(gemachtigde: drs. [gemachtigde 1] ),

Olympia Services B.V., statutaire zetel in [plaats] , eiseres 2

(gemachtigde: [gemachtigde 2] )
en
de raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es ).

Beoordeling door de rechtbank

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
1.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eisers hebben verweerder in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken verstreken. De beroepen zijn ontvankelijk en gegrond.
1.2.
Wanneer een beroep niet tijdig gegrond wordt verklaard, moet de rechtbank bepalen binnen welk termijn verweerder alsnog een besluit moet nemen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
1.3.
Verweerder stelt dat de besluitvorming is vertraagd doordat er sprake is van een landelijk tekort aan verzekeringsartsen. Omdat verweerder op grond van de toepasselijke regelgeving voor het afronden van de besluitvorming over (ten minste) een rapport van een verzekeringsarts moet beschikken, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om een bijzonder geval aan te nemen.
1.4.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in meerdere WIA-zaken binnen de rechtbank verzoekt om een langere beslistermijn. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank op 17 december 2025 een brief verstuurd naar verweerder met vragen over de knelpunten binnen het UWV. Verweerder heeft op de brief van de rechtbank gereageerd, maar voor de rechtbank was de situatie nog niet volledig duidelijk. Daarom heeft de rechtbank een zitting gepland op 11 maart 2026 om nadere toelichting te verkrijgen over de huidige stand van zaken binnen het UWV. De zaken van eiseres 2 zijn daarbij na zitting ter afdoening gevoegd bij die van eiseres 1. Ter zitting is verschenen: mw. [persoon 1] , dhr. [persoon 2] en mw. [persoon 3] als gemachtigden van verweerder en dhr. [persoon 4] en mw. [persoon 5] als gemachtigden van eiseres 1. De gemachtigde van eiseres 2 heeft laten weten niet aanwezig te kunnen zijn op de zitting.
Ter zitting
1.5.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres 1, die landelijk werkzaam is voor diverse werkgevers en grote ondernemingen, gesteld dat de productiviteit binnen het UWV is afgenomen. Deze gemachtigde gaf aan dat verweerder naar zijn mening tot wel vijf keer meer zou kunnen presteren dan momenteel het geval is. Hij baseert deze opvatting onder andere op de voortgangsbrief van de Minister van Sociale Zaken van 28 april 2023, waarin wordt vermeld dat de achterstanden bij WIA-(her)beoordelingen sinds 2019 sterk zijn toegenomen [2] . Tegelijkertijd blijkt uit die brief dat het UWV tot en met 2021 jaarlijks een toenemend aantal WIA-claimbeoordelingen heeft afgerond, terwijl uit het Jaarverslag 2022 blijkt dat dit aantal in 2022 is gedaald. [3]
1.6.
Daarnaast is er ter zitting duidelijk geworden dat verweerder in de primaire fase aanvankelijk geen onderscheid maakte in de prioritering van verschillende soorten zaken. Door de aanzienlijke toename van aanvragen en verzoeken wordt inmiddels wel een prioritering toegepast aan de hand van een voorlopige urgentiebeoordeling (vergelijkbaar met een triage in medische spoedsituaties). Daarbij wordt er eerst gekeken of er sprake is van een sociaal-medische aanvraag. Vervolgens wordt er onderzocht of er sprake is van schrijnende situaties, zoals gevallen met dreigende uithuiszetting of ernstige inkomensval. Schrijnende situaties doen zich voornamelijk voor bij werknemersberoepen. Deze zaken krijgen voorrang. Verzoeken van werkgevers om een (her)beoordeling worden vaak lager gepositioneerd in de prioriteitsvolgorde. De lagere positionering komt omdat bij gegrond bezwaar of beroep de door de werkgever betaalde premie met terugwerkende kracht vanaf de datum van aanvraag wordt terugbetaald met compensatie en dat gegeven maakt dat volgens verweerder geen sprake is van schrijnendheid. Er kan wel aanleiding zijn voor prioritering bij kleine werkgevers met acute betalingsproblemen of dreigend faillissement.
1.7.
In gevallen waarin sprake is van een schrijnende situatie, heeft verweerder aangegeven dat de beslissing binnen zestien weken wordt genomen. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht dat een verlenging van de beslistermijn niet langer mag zijn dan de oorspronkelijke beslistermijn van acht weken zoals beschreven in artikel 102 WIA Pro, waardoor de totale beslistermijn maximaal zestien weken bedraagt. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen werknemers- en werkgeversberoepen; bij schrijnende situaties geldt voor beide een behandeltermijn van zestien weken.
1.8.
Ter zitting is ook gesproken over de voorgenomen tijdelijke afschaffing [4] van de bestuurlijke dwangsom. Verweerder heeft aangegeven dat dit geen wens van het UWV is, maar vooral een keuze vanuit de politiek betreft. Volgens verweerder zal deze wijziging geen effect hebben op de snelheid van hun werkzaamheden; het vervallen van de dwangsom zal de doorlooptijden niet verkorten.
1.9.
Verweerder is inmiddels in overleg met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het capaciteitsprobleem binnen de organisatie en actief zoekt naar mogelijke oplossingen. Daarbij wordt onder meer gedacht over de inschakeling van paramedische beoordelaars. Op korte termijn maakt dat echter nog geen verschil.
Vaststelling nadere beslistermijn werkgeversberoepen
2. Eiseres 1 stelt dat het beslisproces verscheidene malen sneller kan verlopen dan nu gebeurt. De rechtbank ziet geen aanleiding haar daarin te volgen. De verwijzing naar het rapport van Ernst&Young maakt dat niet anders, waar eiseres 1 geen concrete vindplaatsen voor haar -forse- stellingen heeft aangegeven en die stellingen ook niet in lijn zijn met andere openbare (hiervóór ook genoemde) gegevens over het beslisproces in medische zaken bij het UWV.
2.1.
Momenteel hanteert de rechtbank Amsterdam een beslistermijn van acht weken bij alle WIA-zaken. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij een langere beslistermijn nodig heeft om een besluit af te kunnen geven. Hierbij verwijst verweerder naar uitspraken van verschillende rechtbanken en vraagt ook rekening te houden met de verschillende situaties in de verschillende besliskantoren. Verweerder stelt dat een beslistermijn, bij een werkgeversberoep, van 40 weken na indiening beroep het meest haalbaar is en bij een werknemersberoep van 30 weken, en vraagt de rechtbank in deze werkgeversberoepen een redelijke termijn op te leggen, waarbij niet wordt aangesloten bij het moment van instellen van beroep, maar het moment van de uitspraak.
2.2.
De rechtbank stelt voorop dat de verantwoordelijkheid voor het tijdig nemen van besluiten bij het bestuursorgaan ligt. Daarbij maakt het geen verschil welk districtskantoor betrokken is; die vallen alle onder het UWV als landelijk bestuursorgaan. De verantwoordelijkheid om te beslissen rust ook op het hele UWV. Verweerder moet ook in staat worden geacht zelf sturing te geven aan de verschillende processen binnen de verschillende districtskantoren, zodanig dat wezenlijke onderlinge verschillen in afdoeningstermijn worden voorkomen. De rechtbank zal dan ook geen onderscheid maken naar districtskantoor.
2.3.
De rechtbank heeft reeds overwogen dat sprake is van een bijzonder geval. Er is dus geen aanleiding voor oplegging van een termijn van twee weken.
2.4.
Gelet op de tijdens de zitting geschetste en hiervóór weergegeven stand van zaken, is er aanleiding om af te wijken van de binnen rechtbank Amsterdam tot dusver gehanteerde beslistermijn van acht weken. Hoewel het onwenselijk is dat wettelijke termijnen worden overschreden en belanghebbenden lang moeten wachten op een besluit, acht de rechtbank het niet zinvol om een termijn te hanteren die verweerder in de regel niet kan halen. De rechtbank komt mede tot die overtuiging waar verweerder naar vermogen tracht de schade als gevolg van het laat beslissen te beperken.
2.5.
De rechtbank bepaalt dan bij werkgeversberoepen een nadere beslistermijn van 40 weken zoals verzocht door verweerder.
2.6.
De rechtbank volgt verweerder echter niet in het verzoek zoals dit op zitting is gedaan om de termijn te berekenen vanaf de datum van de uitspraak. Wel zal een toekomstgerichte termijn worden opgelegd die loopt vanaf de datum van de uitspraak, maar de berekening van de totale duur ervan begint op het moment van instellen van beroep. Vanaf dat moment weet verweerder dat sprake is van een beroep niet tijdig en kan hij daarop zijn werkprocessen inrichten. Indien deze termijn op het moment van de uitspraak van de rechtbank is verstreken, dient verweerder binnen de wettelijke minimumtermijn van twee weken na de dag van het verzenden van de uitspraak alsnog het besluit bekend te maken.

Conclusie en gevolgen

AMS 25/5656
Het beroep is gegrond. Inmiddels zijn er 27 weken verstreken sinds het ontvangst van het beroep door de rechtbank. Verweerder dient daarom binnen 13 weken gerekend na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en verbeurt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- indien het dat niet tijdig doet.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 0,5).
AMS 25/3431
Het beroep is gegrond. Inmiddels is de beslistermijn van 40 weken na ontvangst van het beroep niet tijdig verstreken. Verweerder dient daarom binnen 2 weken gerekend na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en verbeurt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- indien het dat niet tijdig doet.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 0,5).
AMS 25/5812
Het beroep is gegrond. Inmiddels zijn er 26 weken verstreken sinds het ontvangst van het beroep door de rechtbank. Verweerder dient daarom binnen 14 weken gerekend na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en verbeurt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- indien het dat niet tijdig doet.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en niet op zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
AMS 25/5904
Het beroep is gegrond. Inmiddels zijn er 26 weken verstreken sinds het ontvangst van het beroep door de rechtbank. Verweerder dient binnen 14 weken gerekend na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en verbeurt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- indien het dat niet tijdig doet.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en niet op zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen in de zaken AWB 25/5656, 25/3431, 25/5812 en 25/5904 gegrond
- draagt verweerder op binnen 13 weken (25/5656), 2 weken (25/3431), 14 weken (25/5812) en 14 weken (25/5904) gerekend na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken
- bepaalt dat verweerder aan eiseressen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- per beroep;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934-, aan proceskosten aan eiseres 1 in elke zaak (25/5656 en 25/3431);
veroordeelt verweerder tot betaling van € 467-, aan proceskosten aan eiseres 2 in elke zaak (25/5812 en 25/5904);
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385-, aan elke zaak aan eiseressen moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van S.M. Bhageloe, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Rapport Ernst&Young, Procesoptimalisatie WIA-claimbeoordeling, 13 februari 2023
3.Voortgangsbrief maatregelen sociaal medisch beoordelen en WIA hardheden, 28 april 2023
4.Zoals omschreven in de kamerbrief Voortgang mismatch sociaal-medisch beoordelen, hersteloperatie en kwaliteitsverbeteringen UWV van 19 december 2025.