Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3813

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
13/126680-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en gedeeltelijke schadevergoeding

Op 2 november 2024 heeft verdachte in Amsterdam het slachtoffer mishandeld door hem met kracht tegen het hoofd te slaan, waardoor het slachtoffer ten val kwam en zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder een hersenbreuk en hersenkneuzingen.

De rechtbank heeft het beroep van verdachte op noodweer en noodweerexces verworpen, omdat niet is vastgesteld dat sprake was van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding. Videobeelden en getuigenverklaringen ondersteunen dit oordeel.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. De ernst van het letsel en de omstandigheden van het feit zijn meegewogen, evenals de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees een bedrag van € 37.881,49 toe, bestaande uit € 2.881,49 materiële en € 35.000 immateriële schade, en wees een deel van de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing of omdat het schadeposten betrof van vóór het feit.

Verdachte is veroordeeld tot betaling van dit bedrag en tot een schadevergoedingsmaatregel met een gijzelingstermijn van maximaal 184 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 150 uur, voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding van € 37.881,49.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/126680-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J.A. Beukers-Bouten, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de benadeelde partij, [benadeelde partij] , en zijn gemachtigde, mr. M. Woudman, over de vordering naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 november 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een mishandeling van [benadeelde partij] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het zwaar lichamelijk letsel van aangever is veroorzaakt door een val op het hoofd, als gevolg van een harde klap door verdachte. Van een noodweersituatie is geen sprake geweest, zodat het beroep van verdachte op noodweer niet kan slagen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij uit noodweer heeft gehandeld. Verdachte heeft het slachtoffer beleefd aangesproken om vlaggen die hij in zijn hand had terug te geven. Het slachtoffer heeft hierop agressief gereageerd en heeft met zijn vuisten in het gezicht van verdachte geduwd. Er waren nog twee andere mannen bij die boos naar verdachte keken. Verdachte voelde zich door deze combinatie van factoren in het nauw gedreven en was bang dat de mannen hem zouden aanvallen. Verdachte heeft hierop één keer met zijn vuist geslagen. Dit betreft een proportionele verdedigingshandeling. Subsidiair is er sprake van noodweerexces.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat voorafgaand aan het slaan door verdachte, sprake was van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
De aanloop naar het feit, waarbij verdachte aangever heeft benaderd over de vlaggen die hij vasthield, is te zien op videobeelden. Uit het proces-verbaal dat over deze veiliggestelde videobeelden is opgemaakt, volgt dat aangever zich in de menigte bevindt die in de richting van [station] loopt. Aangever heeft hierbij twee vlaggen in zijn linkerhand. Vervolgens verschijnt verdachte aan de linkerzijde van aangever en pakt zijn linkerarm vast. Aangever trekt hierna zijn arm weg en duwt verdachte weg. Verdachte beweegt hierop nogmaals naar aangever toe, waarna aangever verdachte weer wegduwt. Op enig moment blijft verdachte staan en beweegt aangever zich mee in de menigte, ze hebben dan nog woordelijk contact. Daarna loopt aangever door, verdachte voegt zich bij twee anderen en dan verdwijnen ze samen in de richting van aangever. Enkele seconden daarna ligt aangever op de grond.
Uit deze videobeelden volgt niet dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever. Niet is te zien dat aangever verdachte met vuisten in zijn gezicht heeft geduwd. Dit blijkt ook niet op andere wijze, bijvoorbeeld door getuigenverklaringen. Ook is niet te zien, of blijkt op andere wijze, dat aangever werd vergezeld door twee andere mannen die zich aan de zijde van aangever met het incident hebben bemoeid. Dit laat onverlet dat het in de beleving van verdachte zo kan zijn geweest dat er sprake is geweest van een duw in het gezicht en/of dat andere personen hem boos hebben aangekeken en dat hij daardoor in de veronderstelling is geweest dat zij bij aangever hoorden. Dat is echter iets anders dan dat daarmee sprake was van een situatie van (dreigend) geweld.
Zwaar lichamelijk letsel als gevolg
Ten aanzien van het tenlastegelegde strafverzwarende gevolg overweegt de rechtbank dat sprake moet zijn van dubbele causaliteit. Er moet een verband zijn tussen de gedragingen en de pijn of het leed dat het slachtoffer is aangedaan én er moet verband zijn tussen de mishandeling en het strafverzwarende gevolg.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen het de gedraging van verdachte en het bij de aangever geconstateerde letsel. Verdachte heeft aangever geslagen, waarna aangever ten val is gekomen. Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen letselrapportage volgt dat het om zwaar lichamelijk letsel gaat en dat dit door zowel de val als door de slag op het hoofd kan zijn veroorzaakt.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 2 november 2024, te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld door met kracht met gebalde vuist tegen het hoofd van die [benadeelde partij] te slaan waardoor die [benadeelde partij] ten val op de grond is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbreuk en hersenkneuzingen en bloedingen in de hersenen, ten gevolge heeft gehad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Noodweerexces
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweerexces. Er is sprake van een hevige gemoedsbeweging die het gevolg was van de dreigende situatie waarin verdachte zich bevond. Dat van een hevige gemoedsbeweging sprake is geweest, volgt ook uit de omstandigheid dat hij na het feit onmiddellijk is weggerend en na het incident helemaal in paniek was.
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat sprake is geweest van een noodweersituatie. De rechtbank heeft hiervoor onder 3.3 vastgesteld dat hiervan geen sprake is geweest. Omdat niet aannemelijk is geworden dat op enig moment sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces niet.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. In strafverzwarende zin weegt de officier van justitie mee dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Hij heeft zich niet om het slachtoffer bekommerd en is bewust maanden onder de radar gebleven, terwijl hij wist wat er met het slachtoffer was gebeurd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij bewezenverklaring rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte was na het feit in paniek en wilde niet weglopen voor zijn verantwoordelijkheid. Hij heeft pas achteraf begrepen dat het niet goed ging met aangever. Als hij had geweten dat door zijn klap ernstig letsel was veroorzaakt, had hij zich gemeld bij de politie. Sinds het feit is geruime tijd verstreken en verdachte heeft zijn leven op orde. Hij heeft afstand genomen van alles wat met voetbal te maken heeft.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer door hem met kracht tegen het hoofd te slaan. Verdachte zocht na afloop van een voetbalwedstrijd de confrontatie met het slachtoffer omdat hij vond dat aangever vlaggetjes zou moeten teruggeven. De rechtbank rekent het verdachte aan dat deze onbeduidende aanleiding heeft geleid tot een mishandeling. Hiermee is sprake van volstrekt nodeloos en ernstig voetbalgeweld. De gevolgen van de mishandeling zijn voor het slachtoffer zeer aanzienlijk. Hij heeft traumatisch hersenletsel opgelopen, met ingrijpende en langdurige lichamelijke en geestelijke gevolgen. Het leven van het slachtoffer zal naar verwachting nooit meer hetzelfde zijn. Hoe ingrijpend dit voor hem is, heeft het slachtoffer tijdens de zitting in indringende bewoordingen naar voren gebracht. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij, terwijl hij wist dat het slachtoffer knock-out was gegaan, zich in het geheel niet meer om het slachtoffer heeft bekommerd.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van 30 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte korte tijd na het onderhavige feit opnieuw een geweldsfeit (voetbalgeweld) heeft gepleegd, waarvoor hij inmiddels is veroordeeld.
Uit een over verdachte opgemaakt reclasseringsrapport volgt dat er geen sprake is van problemen met agressieregulatie bij verdachte en dat verdachte destijds in een moeilijke tijd zat, maar dat zijn leven inmiddels is veranderd. Het risico op recidive wordt als laag ingeschat. De reclassering ziet geen aanleiding voor toezicht of andere interventies.
Verdachte heeft ter zitting spijt betuigd en opgemerkt dat hij niet langer naar voetbalwedstrijden gaat en afstand heeft genomen van alles wat met voetbal te maken heeft.
De straf
Voor een feit als dit bestaan geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft daarom acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De straffen variëren van taakstraffen gecombineerd met voorwaardelijke gevangenisstraffen tot kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de gevolgen voor aangever weliswaar zeer ernstig zijn, maar dat verdachte niet het opzet op die gevolgen heeft gehad.
De rechtbank acht gelet op de jonge leeftijd van verdachte, het feit dat verdachte niet langer meer in dezelfde omstandigheden verkeert als destijds en de reclassering geen aanleiding ziet voor het opleggen van toezicht, een taakstraf van aanzienlijke omvang op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om hem ervan te weerhouden nogmaals strafbare feiten te plegen.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 31.899,55 aan vergoeding van materiële schade en € 60.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, met uitzondering van het bedrag van € 10.000,- dat als toekomstige schade is gevorderd. In zoverre dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. Datzelfde geldt ook voor een bedrag aan eigen risico in augustus 2024 van € 20,41. Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – kort samengevat – aangevoerd dat een deel van de gevorderde materiële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het gaat om de volgende kosten:
  • Eigen risico zorgverzekering 2024: € 20,41
  • Parkeerkosten Amsterdam UMC: € 76,40
  • Brandstofkosten: € 378,25
  • Jas: € 266,77
  • Gederfde inkomsten: € 28.543,00
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade fors dient te worden gematigd en dat de benadeelde partij voor toekomstige kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal de materiële schade afwijzen voor zover het gaat om de kosten voor het eigen risico in augustus 2024 van € 20,41, nu dit kosten betreft die dateren van voor het bewezenverklaarde feit. De overige kosten voor het eigen risico zijn niet betwist en komen voor toewijzing in aanmerking.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de verdediging van de parkeerkosten Amsterdam UMC (€ 75,40) en brandstofkosten (€ 378,25), dient de vordering nader te worden onderbouwd. Nu dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
De kosten voor de jas (€ 266,77) zal worden toegewezen omdat voldoende is onderbouwd dat hieraan schade is ontstaan doordat deze door het medisch personeel moest worden opengeknipt. Ook de overige kosten voor kleding (€ 80,04) komen voor toewijzing in aanmerking.
De apotheekkosten (€ 53,40), parkeerkosten van revalidatie (€ 55,13) en kosten voor fysiotherapie (€ 1.290,00) zijn niet betwist en komen voor toewijzing in aanmerking.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de gevorderde gederfde inkomsten (€ 28.543,00). De verdediging heeft deze post gemotiveerd betwist. De onderbouwing van deze post bestaat uitsluitend uit een overzicht dat is opgemaakt door een administratiekantoor en bestaat uit een extrapolatie van eerder genoten inkomsten. Dit overzicht is echter niet voorzien van onderbouwende stukken, zodat niet kan worden gecontroleerd op welke manier deze berekening en extrapolatie tot stand is gekomen. De rechtbank acht gelet op de gemotiveerde betwisting deze post onvoldoende onderbouwd en een nadere onderbouwing zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De totaal toe te wijzen materiële schade bedraagt gelet op het voorgaande een bedrag van € 2.881,49 (bestaande uit: eigen risico € 1.134,59, (niet betwist) / apotheekosten € 53,40 / parkeerkosten revalidatie € 55,13 fysiotherapie € 1.290,00 / kleding € 348,37).
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 60.000,-, waarvan een deel van € 10.000,- als toekomstige schade. De verdediging heeft deze post gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Het letsel van de benadeelde partij valt aan te merken als middelzwaar hersenletsel, waarbij volgens de Rotterdamse schaal een vergoeding van tussen de € 29.000,- en € 62.000,- passend wordt geacht. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het bedrag in aanmerking genomen hetgeen op dit moment bekend is over de mate van blijvende cognitieve beperkingen en de mate van afhankelijkheid van anderen in het dagelijks leven. De rechtbank zal gelet daarop de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 35.000,-.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 37.881,49 bestaande uit € 2.881,49 aan materiële schade en € 35.000 aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 2 november 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 184 dagen.
De rechtbank bepaalt dat, indien en voor zover verdachte een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdtvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (vijfenzeventig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 37.881,49 (zegge: zevenendertigduizendachthonderdeenentachtig euro en negenenveertig cent), bestaande uit € 2.881,49 (zegge: tweeduizend achthonderdeenentachtig euro en negenenveertig eurocent) aan materiële schade en € 35.000 (zegge: vijfendertigduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] .
Wijst de vordering af tot een bedrag van € 20,41 (zegge: twintig euro en eenenveertig eurocent).
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van € 37.881,49 (zegge: zevenendertigduizendachthonderdeenentachtig euro en negenenveertig cent), bestaande uit € 2.881,49 (zegge: tweeduizend achthonderdeenentachtig euro en negenenveertig eurocent) aan materiële schade en € 35.000 (zegge: vijfendertigduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 184 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Bijleveld, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en I. Struijkenkamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.
[…]

1.[…]