Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3814

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
12073368 \ CV EXPL 26-1093
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Lid van VvE veroordeeld tot betaling achterstallige servicekosten en incassokosten

De Coöperatieve Flatexploitatievereniging vordert betaling van een achterstand van €5.722,70 aan servicekosten van een lid, [gedaagde], die sinds 2022 betalingsachterstanden heeft opgebouwd. Eerder was zij al veroordeeld tot betaling van een eerdere achterstand, maar sindsdien zijn nieuwe achterstanden ontstaan.

[gedaagde] erkent de schuld en heeft enkele termijnen betaald, maar kan het bedrag niet in één keer voldoen vanwege andere schulden. Zij heeft contact gezocht met schuldhulpverlening. De vereniging heeft een incassomandaat van de algemene ledenvergadering en heeft de procedure gestart na mislukte betalingsvoorstellen.

De kantonrechter stelt vast dat de vereniging procesbevoegd is en wijst de vordering toe. De betalingsverplichting blijft bestaan ondanks de financiële situatie van [gedaagde]. Zij moet ook wettelijke rente betalen vanaf de vervaldatums. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €242,64 toegewezen, omdat aan de wettelijke eisen is voldaan. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Lid van VvE wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige servicekosten, rente, incassokosten en proceskosten, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12073368 \ CV EXPL 26-1093
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van
COÖPERATIEVE FLATEXPLOITATIEVERENIGING [eiser],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna de vereniging en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 14 januari 2026 met producties,
  • het proces-verbaal van 30 januari 2026 met het mondelinge verweer van [gedaagde] ,
  • het tussenvonnis van 13 februari 2026 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
  • de akte met aanvullende producties en eiswijziging van de vereniging,
  • de mondelinge behandeling van 13 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vereniging is eigenaar van het gebouw waarin [gedaagde] woont, gelegen aan de [adres] . [gedaagde] is lid van de vereniging, wat haar het recht geeft tot het uitsluitend gebruik van het appartement waarin zij woont en het medegebruik van de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. Hiervoor moet [gedaagde] maandelijks servicekosten en doorbelaste belastingen en erfpacht betalen aan de vereniging.
2.2.
[gedaagde] heeft vanaf 2022 achterstanden in de betalingen aan de vereniging laten ontstaan. In maart 2024 is zij door de kantonrechter veroordeeld tot het betalen van de achterstand (met rente en kosten) op dat moment. Dat bedrag heeft [gedaagde] uiteindelijk volledig voldaan. Ook in maart 2024 en daarna heeft [gedaagde] de bedragen die zij aan de vereniging moest betalen grotendeels niet betaald en zijn er dus nieuwe achterstanden ontstaan.

3.Het geschil

3.1.
De vereniging heeft op de zitting haar eis nogmaals gewijzigd en vordert nu veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.722,70, vermeerderd met rente en kosten. De vereniging vordert daarnaast dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, wat betekent dat het vonnis meteen kan worden uitgevoerd, ook als één van de partijen in hoger beroep gaat.
3.2.
De vereniging wil dat [gedaagde] haar betalingsverplichting nakomt. Het deurwaarderskantoor dat de vereniging heeft ingeschakeld stond met [gedaagde] in contact over een betalingsregeling, maar [gedaagde] heeft geen betalingsvoorstel gedaan. Daarom heeft de vereniging haar uiteindelijk opnieuw gedagvaard.
3.3.
[gedaagde] erkent dat zij het bedrag dat de vereniging vordert nog moet betalen. Op de zitting heeft ze verteld dat ze graag een betalingsregeling wil treffen zodat ze in termijnen kan afbetalen. Ze heeft hierover contact gehad met het deurwaarderskantoor van de vereniging en heeft in oktober en november 2025 enkele termijnen betaald. De dagvaarding kwam voor haar als een verrassing. Kort voor de zitting heeft [gedaagde] drie termijnen betaald. [gedaagde] heeft verteld dat zij het openstaande bedrag niet in één keer kan betalen. Zij heeft naast deze schuld ook schulden bij andere partijen. Om dat op te lossen heeft [gedaagde] contact opgenomen met de gemeente over schuldhulpverlening.

4.De beoordeling

4.1.
Voordat de kantonrechter ingaat op de vordering, stelt zij eerst vast dat de vereniging procesbevoegd is. Uit artikel 25 lid 2 van Pro de oprichtingsakte volgt dat het bestuur voor rechtshandelingen omtrent bedragen hoger dan 5.000 gulden toestemming van de algemene ledenvergadering nodig heeft. Ook voor het instellen van een vordering is toestemming vereist, blijkt uit artikel 25 lid Pro 4. De deurwaarder heeft op de zitting notulen van de ALV van 24 juni 2025 laten zien, waarin staat dat de ALV een incassomandaat aan het bestuur heeft gegeven om bij betalingsachterstand van leden de beheerder en de incassogemachtigden opdracht te geven tot incasso en het starten van een gerechtelijke procedure.
4.2.
De kantonrechter wijst de vordering van de vereniging toe. Partijen zijn het eens over de betalingsverplichting van [gedaagde] en de hoogte van de vordering. Het staat partijen vrij om onderling een betalingsregeling te treffen, maar dat verandert niets aan het feit dat de vereniging recht heeft op betaling van het gevorderde bedrag. Ook het feit dat [gedaagde] andere schulden heeft doet niets af aan haar betalingsverplichting ten opzichte van de vereniging.
4.3.
[gedaagde] moet over dit bedrag de wettelijke rente betalen vanaf de vervaldata van de afzonderlijke bedragen waaruit de hoofdsom is opgebouwd, tot de dag van volledige betaling. Betalingen die [gedaagde] tussentijds heeft verricht worden eerst in mindering gebracht op de dan verschuldigde kosten, daarna op de dan verschuldigde rente en daarna op de hoofdsom. [1]
4.4.
De vereniging vordert naast de hoofdsom € 200,53 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De vereniging heeft aan [gedaagde] op 19 juni 2024 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom wordt het bedrag van € 200,53 toegewezen. Hier komt € 42,11 aan btw bij omdat de vereniging dit voor de incassodiensten heeft moeten betalen en dit niet kan verrekenen.
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de vereniging betalen. De proceskosten van de vereniging worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
153,77
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,-)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.576,77

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de vereniging te betalen een bedrag van € 5.722,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek te berekenen zoals hiervoor onder 4.3 beschreven,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de vereniging te betalen een bedrag van € 242,64 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de vereniging van € 1.576,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:44 van Pro het Burgerlijk Wetboek.