Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3819

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1787
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering Verklaring Omtrent het Gedrag

Verzoeker diende op 19 mei 2025 een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) als pakketbezorger bij een bedrijf. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 5 september 2025 af en handhaafde dit besluit na bezwaar op 16 februari 2026. Verzoeker stelde op 30 maart 2026 beroep in en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed, omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in een acute financiële noodsituatie verkeerde. Hoewel verzoeker stelde dat hij zijn werkzaamheden zou verliezen zonder VOG en geen alternatieve werkmogelijkheden had, ontbrak een onderbouwing van zijn vaste lasten en vermogen. Ook was niet gebleken dat hij niet kon blijven werken voor de opdrachtgever zonder VOG.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en wees het af zonder zitting. Er was geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. De rechtbank zal het bodemgeding voortvarend behandelen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1787

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wetsema),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Verzoeker heeft op 19 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor pakketbezorger bij [bedrijf] . Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van
5 september 2025 afgewezen en dit besluit na bezwaar van verzoeker gehandhaafd in het betreden besluit van 16 februari 2026.
1.3.
Verzoeker heeft op 30 maart 2026 beroep ingesteld en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.2.
Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat hij als pakketbezorger werkzaam is binnen zijn eigen onderneming en pakketten bezorgt voor opdrachtgever [bedrijf] .
Het is noodzakelijk om binnen afzienbare tijd een VOG te overleggen anders zal hij zijn positie bij die opdrachtgever verliezen. Hij kan zijn werkzaamheden niet voortzetten, terwijl zijn lasten (zakelijk en privé) doorlopen. Desgevraagd door de voorzieningenrechter heeft verzoeker nog toegelicht dat bij uitblijven van inkomen hij zijn onderneming niet kan voortzetten. In de gehele transportbranche dient een VOG te worden overgelegd. Hij heeft geen andere diploma’s, startkwalificaties of relevante werkervaring. Bovendien brengt zijn justitiële verleden een extra moeilijkheid mee in het vinden van een baan. Daarom dient er volgens verzoeker – ook gezien de doorlooptijden bij de rechtbank – een voorlopige voorziening worden getroffen.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij het beroep afwacht. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeker kennelijk al geruime tijd werkt voor [bedrijf] zonder VOG en niet is gebleken dat dit nu om die reden niet meer zou kunnen. Ook is niet gebleken dat hij geen werk kan verrichten buiten de transportbranche waar hij wel een VOG voor zou kunnen verkrijgen. Hier heeft de voorzieningenrechter wel uitdrukkelijk naar gevraagd. Daarnaast heeft verzoeker niet onderbouwd wat zijn vaste lasten zijn en wat zijn vermogen nog is. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.
3. De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De rechtbank zal zich evenwel inspannen om het beroep voortvarend op een zitting te behandelen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.