Verzoeker diende op 19 mei 2025 een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) als pakketbezorger bij een bedrijf. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 5 september 2025 af en handhaafde dit besluit na bezwaar op 16 februari 2026. Verzoeker stelde op 30 maart 2026 beroep in en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed, omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in een acute financiële noodsituatie verkeerde. Hoewel verzoeker stelde dat hij zijn werkzaamheden zou verliezen zonder VOG en geen alternatieve werkmogelijkheden had, ontbrak een onderbouwing van zijn vaste lasten en vermogen. Ook was niet gebleken dat hij niet kon blijven werken voor de opdrachtgever zonder VOG.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en wees het af zonder zitting. Er was geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. De rechtbank zal het bodemgeding voortvarend behandelen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.