Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3820

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/1792
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing VOG-aanvraag taxichauffeur

Verzoeker diende op 3 december 2025 een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 16 februari 2026 af. Verzoeker maakte op 30 maart 2026 bezwaar en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en behandelde de zaak zonder zitting. De kern van het oordeel was dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat hij als taxichauffeur binnen zijn eigen onderneming werkt en zonder VOG geen inkomen kan genereren, terwijl zijn lasten doorlopen. Hij kon ook geen ander werk verrichten vanwege zijn justitiële verleden.

De voorzieningenrechter vond deze onderbouwing onvoldoende. Er was geen acute financiële noodsituatie aannemelijk gemaakt, noch was duidelijk gemaakt dat verzoeker geen ander werk kon verrichten. Ook was niet onderbouwd wat de vaste lasten en het vermogen van verzoeker waren. Daarnaast is de chauffeurskaart al sinds 3 november 2025 ingetrokken. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verkrijgen van een nieuwe VOG zich niet snel leent voor toewijzing van een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1792

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wetsema),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Verzoeker heeft op 3 december 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor een chauffeurskaart (taxi) bij KIWA Register B.V. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 februari 2026 afgewezen.
1.3.
Verzoeker heeft hiertegen op 30 maart 2026 bezwaar gemaakt en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.2.
Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat hij als taxichauffeur werkzaam is binnen zijn eigen onderneming. Het is noodzakelijk om met een nieuwe VOG weer als taxichauffeur te kunnen gaan werken. Hij kan nu namelijk geen inkomen genereren, terwijl zijn lasten (zakelijk en privé) doorlopen. Desgevraagd door de voorzieningenrechter heeft verzoeker nog toegelicht dat bij uitblijven van inkomen hij zijn onderneming niet kan voortzetten. Hij heeft geen andere diploma’s, startkwalificaties of relevante werkervaring. Ook kon hij door zijn justitiële verleden bijvoorbeeld niet starten met een opleiding tot beveiliger. Daarom dient er volgens verzoeker een voorlopige voorziening worden getroffen.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de bezwaarprocedure afwacht. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat de chauffeurskaart al sinds 3 november 2025 is ingetrokken. Hij heeft niet onderbouwd wat zijn vaste lasten zijn en wat zijn vermogen nog is. Bovendien is het niet kunnen voortzetten van zijn onderneming ook niet onderbouwd. Verzoeker heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen ander werk kan verrichten om geld te verdienen totdat op het bezwaar is beslist. De mededeling dat hij niet heeft kunnen starten met een opleiding tot beveiliger is daarvoor onvoldoende. Voor zover verzoeker stelt dat het lang duurt voordat verweerder een beslissing op bezwaar neemt, wijst de voorzieningenrechter er op dat daarvoor een ander rechtsmiddel beschikbaar is, te weten het indienen van een beroep niet tijdig. [1] De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.
3. De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter nog dat de aard van de zaak, het verkrijgen van een nieuwe VOG, zich hangende de bezwaarfase niet snel leent voor toewijzing van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Ingevolge artikel 6:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.