ECLI:NL:RBAMS:2026:3820
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing VOG-aanvraag taxichauffeur
Verzoeker diende op 3 december 2025 een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 16 februari 2026 af. Verzoeker maakte op 30 maart 2026 bezwaar en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en behandelde de zaak zonder zitting. De kern van het oordeel was dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat hij als taxichauffeur binnen zijn eigen onderneming werkt en zonder VOG geen inkomen kan genereren, terwijl zijn lasten doorlopen. Hij kon ook geen ander werk verrichten vanwege zijn justitiële verleden.
De voorzieningenrechter vond deze onderbouwing onvoldoende. Er was geen acute financiële noodsituatie aannemelijk gemaakt, noch was duidelijk gemaakt dat verzoeker geen ander werk kon verrichten. Ook was niet onderbouwd wat de vaste lasten en het vermogen van verzoeker waren. Daarnaast is de chauffeurskaart al sinds 3 november 2025 ingetrokken. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verkrijgen van een nieuwe VOG zich niet snel leent voor toewijzing van een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.