De stichting, eigenaar van een seniorencomplex, vordert ontruiming van een woning die zonder recht en titel wordt bewoond door de gedaagde, vermoedelijk erfgenaam van de overleden huurder. De huurovereenkomst liep tot 31 maart 2026, maar de gedaagde trok in maart 2026 in de woning zonder toestemming.
De gedaagde verzet zich tegen ontruiming vanwege haar rouwproces en haar bijdrage aan de woongemeenschap. De voorzieningenrechter erkent het ingrijpende karakter van ontruiming, maar stelt dat het belang van de stichting om de woning aan wachtende senioren te verhuren zwaarder weegt.
De rechter wijst de vordering toe, maar verlengt de ontruimingstermijn tot één maand vanwege de urgentie op de sociale huurmarkt. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.