Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3867

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/13/782121 / JE RK 26-63
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek ondertoezichtstelling afgewezen ondanks ernstige ontwikkelingsbedreiging minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege ernstige bedreigingen in zijn ontwikkeling en het ontbreken van contact met zijn vader. De Raad stelde dat de ouders onvoldoende in staat zijn om het contactherstel te ondersteunen en dat een jeugdbeschermer nodig is om de situatie te verbeteren.

Tijdens de zitting werd duidelijk dat de moeder volledig meewerkt aan de hulpverlening en dat er al diverse vormen van ondersteuning zijn ingezet, waaronder speltherapie en traumagerichte training. De moeder betoogde dat een ondertoezichtstelling een te ingrijpende maatregel is en dat het vrijwillig kader effectief functioneert. De vader stemde in met de ondertoezichtstelling en stelde dat de moeder het contact blokkeert.

De kinderrechter oordeelde dat hoewel er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige, niet is aangetoond dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De moeder werkt mee en de Raad en GI konden niet concreet aangeven welke aanvullende maatregelen zij kunnen inzetten. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De beschikking werd op 15 april 2026 uitgesproken door kinderrechter V. Zuiderbaan. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen omdat de moeder vrijwillig meewerkt en de wettelijke voorwaarden niet zijn vervuld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/782121 / JE RK 26-63
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. H. Zobuoglu uit Amsterdam,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.H. Bouwman uit Amsterdam.
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 januari 2026;
- het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/755870 / FA RK 24/5774 (gezag en omgang). Bij de behandeling waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad het volgende aan. Op basis van de door de Raad afgenomen MASIC constateert de Raad dat er verschil is tussen de gerapporteerde vormen van geweld door de vader en de moeder. De moeder benoemt dat ze meerdere vormen van geweld (psychologische mishandeling, dwingende controle, bedreigingen met serieus geweld, (ernstig) lichamelijk geweld, seksueel geweld en belaging/ stalking) vanuit de vader heeft ervaren tijdens en na haar relatie met de vader. Dit kwam de laatste twaalf maanden van hun relatie volgens de moeder veelvuldig voor. Zij ervaart nog steeds angst voor de vader en wil geen gesprekken met hem. De vader heeft na het verbreken van de relatie met de moeder psychische mishandeling en (ernstig) lichamelijk geweld ervaren. Na de relatie heeft de vader geweld in de vorm van negatief afschilderen/ onterechte aantijgingen, en het onthouden van contact met [minderjarige] ervaren. De vader ervaart angst voor de moeder vanwege het incident op 12 mei 2024, waarbij hij aangeeft te zijn mishandeld door onbekende mannen. Tevens ervaart de vader onveiligheid door de beschuldigingen vanuit de moeder, waardoor hij meermaals een bodycam heeft gedragen en audio-opnames heeft gemaakt tijdens contactmomenten met [minderjarige] en de moeder. Hij wil wel in gesprek met de vrouw. Op basis van de beschikbare informatie kan de Raad niet concluderen dat er sprake is van dwingende controle vanuit de man naar de vrouw of vanuit de vrouw naar de man. De Raad heeft geen feitelijke aanwijzingen dat een van partijen de andere zou proberen te domineren of controleren. Het is belangrijk om op te merken dat de afwezigheid van feitelijke informatie niet wil zeggen dat hier geen sprake van is (geweest). De angst die de vrouw ervaart richting de man is groot en bij de insteek van hulp dient daar rekening mee gehouden te worden.
3.3.
De Raad is van mening dat de aard van de problematiek in deze zaak het vrijwillig kader overstijgt. De Raad vindt dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft geen contact meer met zijn vader. De pogingen die gedaan zijn om het contact onder begeleiding te herstellen zijn niet gelukt. Na twee positieve contacten met de vader wilde [minderjarige] niet meer. De Raad is bezorgd over dit contactverlies tussen [minderjarige] en de vader. Uit het raadsonderzoek is naar voren gekomen dat [minderjarige] bij de speltherapeut heeft aangegeven bang te zijn door iets wat vader tegen hem heeft gezegd. De Raad vindt dat beschadigend voor [minderjarige] . Het is bij de Raad niet bekend wat er gezegd is, maar het heeft wel een negatieve invloed gehad op het vertrouwen wat hij in zijn vader zou moeten kunnen hebben. Gebleken is dat de ouders en de betrokken hulpverlening, onvoldoende bij machte zijn om [minderjarige] te ondersteunen om het contact met zijn vader te herstellen en te bestendigen. De vrees van de moeder voor kindontvoering door de vader blijft bij haar bestaan. De Raad kan deze vrees niet bevestigen of uitsluiten. De ouders van [minderjarige] zijn op dit moment bereid maar niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen. De zorgen zijn dusdanig groot, de ouders staan erg ver bij elkaar vandaan en de Raad ziet dat de reeds ingezette hulpverlening onvoldoende geleid heeft tot een positieve verandering. Hoewel de ouders hulpverlening voor zichzelf hebben geaccepteerd, ziet de Raad dat de ouders niet bij machte zijn [minderjarige] voldoende te ondersteunen om de begeleide omgang te continueren. De Raad is van mening dat [minderjarige] baat zou kunnen hebben bij hulpverlening gericht op herstel met de vader, wat mogelijk behandeling betekent gericht op het verwerken van nare gebeurtenissen. De Raad overweegt dat, rekening houdend met de zeer verstoorde onderlinge verstandhouding tussen de vader en de moeder, de verantwoordelijkheid die moeder draagt ten aanzien van [minderjarige] en het contactverlies met de vader het in het belang van [minderjarige] is dat de verantwoordelijk gedeeld wordt met een jeugdbeschermer. De Raad vindt het van belang dat een jeugdbeschermer de vader, de moeder en [minderjarige] ondersteunt en met de ouders onderzoekt hoe contact herstel wel tot stand kan worden gebracht. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij de gelegenheid krijgt om weer, onder begeleiding van de hulpverlening, in contact kan komen met de vader. De Raad vindt een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend gezien het proces van contactherstel tussen [minderjarige] en zijn vader, en de nog in te zetten hulpverlening gericht op traumascreening/ traumaverwerking.
3.4.
Om de zorgen voor het veilig opgroeien in de context van de scheiding weg te nemen, dient volgens de Raad tijdens de ondertoezichtstelling aan de volgende doelen gewerkt te worden:
- [minderjarige] ervaart geen angst meer richting zijn vader;
- Het is duidelijk wie uit het netwerk ondersteuning kan bieden bij de omgangsregeling.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter zitting gepersisteerd bij het verzoek en aanvullend nog gesteld dat naast de genoemde doelen in het rapport gewerkt moet worden aan het contact tussen [minderjarige] en de vader. Daarnaast is het van belang dat omgang op geleide van de GI plaatsvindt. Voor wat betreft het wegnemen van de angst voor de vader is een rol weggelegd voor de speltherapeut. De Raad ziet dat de moeder meewerkt met de hulpverlening, maar ziet tegelijkertijd ook dat de moeder veel verschillende petten op moet hebben. Zo is er de pet moeder als moeder, moeder als ex-partner en moeder als degene die toestemming moet geven voor de hulpverlening. Het kan de moeder ontlasten als zij die laatste pet af kan doen. Daarnaast kan het zijn dat de moeder het in de toekomst niet eens is met het advies van de hulpverlening.
4.2.
Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat de ondertoezichtstelling uitvoerbaar is. De GI geeft daarbij aan dat de vader ook echt nodig is. Hij moet beschikbaar zijn als [minderjarige] aangeeft dat hij contact met zijn vader wil. Dat het lastig voor de vader is begrijpt de GI, maar voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij er voor hem is dat zijn vader op hem wacht en beschikbaar is als [minderjarige] hem wil zien. De moeder heeft tot nu toe aan alles meegewerkt. Enerzijds zal de wens van [minderjarige] leidend zijn in de frequentie van het contact, niet dwingen maar anderzijds hem wel laten weten dat het aanbod er is. Nu is dat een keer in de week op de woensdag.
4.3.
De moeder voert verweer en brengt het volgende naar voren. Er is geen sprake van een concrete ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Een ondertoezichtstelling is een zeer ingrijpende maatregel en moet een laatste redmiddel zijn. De volgende hulp is ingeschakeld voor [minderjarige] : speltherapie (iHUB), traumagerichte training (Tijd voor Toontje), begeleide omgang (WijzijnSterk), iHUB (gezinsondersteuner), Blijf Groep (ambulante begeleiding en residentiële begeleiding), Actiecentrum Zorg en Veiligheid [plaats] , Veilig Thuis en Jeugdbescherming [plaats] . Het betreffen allemaal hulpverleners die [minderjarige] met regelmaat meemaken en met hem praten. Uit de verslagen en berichten van de genoemde hulpverlening, en ook vanuit school, blijkt dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt, hij komt makkelijk tot spel, maakt goed contact met volwassenen en kinderen, voelt zich veilig bij moeder, heeft vertrouwen in begeleide omgang, kletst graag en er zijn geen zorgen betreft zijn algehele ontwikkeling. Daarnaast is de moeder van oordeel dat de Raad niet zomaar naar een ondertoezichtstelling kan grijpen als omgang niet op gang komt. Alle betrokken hulpverlening werkt samen rondom het contactherstel. De moeder werkt hieraan mee en heeft volledige toestemming gegeven voor contactherstel. Tegen het advies van de hulpverlening in is door de vader het afgelopen jaar tweemaal voor langere tijd de begeleide omgang stopgezet. De vraag is wat maakt dat de Raad concludeert dat zowel de hulpverlening als de moeder het traject van contactherstel niet voldoende zouden uitvoeren terwijl het de vader zelf is die de omgang stopzet. Aldus, gelet op de aanwezige monitoring, de reeds ingezette passende hulpverlening, de volledige medewerking van de moeder en het positieve welzijn van [minderjarige] , biedt een ondertoezichtstelling geen aanvullende bescherming of meerwaarde. Integendeel, een dergelijke maatregel zou naar verwachting vooral onrust veroorzaken bij [minderjarige] en de moeder. Een ondertoezichtstelling is in deze situatie disproportioneel, terwijl het vrijwillig kader effectief functioneert en de veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling van [minderjarige] gewaarborgd blijven. De moeder stelt voor om begeleide omgang met de huidige veiligheidsvoorwaarden- en omgangsvoorwaarden, naar draagkracht van [minderjarige] , opnieuw op te starten. In dit kader zou het de situatie tussen vader en zoon goed doen als de vader begeleiding zou krijgen zodat hij zo goed mogelijk bij [minderjarige] kan aansluiten tijdens de omgangsmomenten. De moeder kiest voor rust en wil zich inzetten voor Parallel Ouderschap. De vader kan deze keuze ook maken.
4.4.
De vader stemt in met een ondertoezichtstelling. De moeder blokkeert bewust het contact met de vader, het gevolg hiervan is dat ingezette hulpverlening niet verder kan met het (wederom) opstarten van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder heeft een inlichtingenplicht, maar voldoet daar onvoldoende aan. De vader heeft geen zicht op hoe het met [minderjarige] gaat en maakt zich zorgen om hem.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Zijn ouders staan lijnrecht tegenover elkaar als het gaat om wat er in het leven van [minderjarige] afgespeeld heeft. Terwijl een waarheidsgetrouw levensverhaal essentieel is voor de ontwikkeling van een kind, omdat het hen houvast en zelfvertrouwen geeft om de toekomst met veerkracht tegemoet te treden en gezonde relaties met anderen aan te gaan. Ook het uitblijven van contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is reden tot zorg, zeker nu [minderjarige] hier zelf ook om vraagt. Echter, er is onvoldoende gesteld waarom een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Ook ter zitting hebben de Raad en de GI onvoldoende concreet kunnen aangeven welke maatregelen de GI, ter waarborging van het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, op dit moment kan inzetten anders dan wat nu ingezet wordt en waar de moeder in vrijwillig kader haar medewerking aan verleend. Dat de moeder meewerkt aan de hulpverlening en goed in contact met de hulpverlening staat, ook als het gaat om het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] , is ter zitting meermaals door de GI en de Raad bevestigd. Er is geen enkele reden te veronderstellen dat zij hiertoe niet meer in staat zou zijn en de mogelijkheid dat zij in de toekomst hier niet meer in staat toe zou kunnen zijn is geen grond voor een ondertoezichtstelling, ook het argument dat de moeder door de ondertoezichtstelling ontlast kan worden is dat niet.
5.3.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat er niet aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling is voldaan en zal daarom het verzoek afwijzen.
5.4.
Mitsdien wordt als volgt beslist.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026, in aanwezigheid van mr. N. Nauta als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.