Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3872

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/6439
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag semi-stadsvernieuwingsurgentie wegens niet voldoen aan vijfjaren-eis

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen omdat hij niet voldoet aan de eis van onafgebroken vijf jaar inschrijving op het adres van zijn ouders. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en geoordeeld dat het bewijs onvoldoende is om vast te stellen dat eiser feitelijk gedurende de referteperiode onafgebroken op het adres heeft gewoond.

Eiser stond volgens de Basisregistratie Personen (BRP) gedurende een periode van ruim een jaar ingeschreven op een ander adres. Hoewel eiser verklaarde dat hij feitelijk wel op het adres van zijn ouders verbleef en zich alleen had uitgeschreven om schuldeisers buiten het zicht van zijn ouders te houden, vond de rechtbank de ingebrachte bewijsstukken, waaronder verklaringen van buren en poststukken, onvoldoende om hiervan overtuigd te raken.

De rechtbank overwoog dat de BRP-gegevens leidend zijn en dat de uitzonderingsmogelijkheid voor afwijking van de BRP-registratie alleen geldt bij onomstotelijk bewijs. De poststukken die eiser over de referteperiode aanvoerde, betroffen slechts drie stukken in de periode van inschrijving op het andere adres, wat onvoldoende steunbewijs vormde. Ook de verklaring over het huren van een tweede woning onder financiële druk riep vragen op.

De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen terugbetaling van het griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Baldinger op 17 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af omdat eiser niet voldoet aan de onafgebroken vijfjaren-inschrijving op het adres van zijn ouders.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6439

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Azdoufali),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. U. Tasdelen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het voorhanden zijnde bewijs onvoldoende is om te concluderen dat er sprake was van feitelijk verblijf in de onderhavige periode. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het verzoek van eiser om vrijgesteld te worden van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht afgewezen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de moeder van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van zijn beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig afgewezen. Uit het door eiser overgelegde formulier en uitkering- specificatie voor de maand november 2025 blijkt dat eiser op het moment van het instellen van beroep niet voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt dan ook definitief afgewezen.
Achtergrond en besluitvorming
4. Eiser woont bij zijn ouders op het adres [adres] . Dit adres is opgenomen in een stadsvernieuwingsproject. De peildatum voor het project voor dit adres is met instemming van het stadsdeel [locatie] vastgesteld op 14 maart 2025. Aan de ouders van eiser is op basis hiervan een urgentieverklaring verleend. Eiser heeft en aanvraag gedaan voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie voor een eigen woning. Deze zaak gaat over deze aanvraag.
5. Om voor semi-stadsvernieuwingsurgentie in aanmerking te komen heeft de gemeente Amsterdam een aantal voorwaarden opgesteld. Eén daarvan is dat de aanvrager op de peildatum vijf jaar zonder onderbreking onderdeel van het huishouden moet zijn geweest. De inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) is leidend voor het vaststellen of voldaan is aan deze voorwaarde. Uit de BRP blijkt dat eiser gedurende de peilperiode (14 maart 2020 tot 14 maart 2025) niet minimaal vijf jaar onafgebroken stond ingeschreven op het adres van zijn ouders. In de periode van 3 november 2020 tot 4 december 2021 (een jaar en een maand) stond eiser namelijk op een ander adres ingeschreven.
6. Het college heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat hij niet voldoet aan het vijfjaarsvereiste. Volgens het college is strikte toepassing van de regels noodzakelijk gezien de krapte op de woningmarkt. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat persoonlijke omstandigheden niet meewegen bij een semi-stadsvernieuwingsurgentie.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de periode 3 november 2020 tot
4 december 2021 op een ander adres stond ingeschreven. Eiser verklaart dat hij zich alleen heeft uitgeschreven om de druk op zijn ouders te verlichten wegens de vele schuldeisers die bij het gezin aan de deur kwamen door zijn hoge schulden. Daarvoor was het volgens eiser nodig om een andere woonruimte te huren, maar is hij al die tijd wel feitelijk op het adres van zijn ouders blijven wonen. De rechtbank begrijpt uit de verklaring van eiser dat hij de post van zijn schuldeisers aan hem uit het zicht van zijn ouders wilde houden en dat hij zich daarom op een ander adres heeft ingeschreven. Eiser heeft verschillende bewijzen overgelegd voor zijn standpunt dat hij gedurende de hele referteperiode feitelijk op het adres van zijn ouders woonde, zoals verschillende verklaringen van buren en verschillende poststukken die op het adres van zijn ouders in de referteperiode zijn bezorgd. Het college stelt zich op het standpunt dat dat het hoofdverblijf primair moet blijken uit de BRP-gegevens. Nu blijkt dat eiser meer dan een jaar lang binnen de peilperiode uitgeschreven is geweest bij de BRP, voldoet hij niet aan deze voorwaarde.
Het oordeel van de rechtbank
8. Op de zitting is met partijen gesproken over de door eiser ingebrachte bewijsstukken en het standpunt van eiser dat hij feitelijk nooit op een ander adres dan zijn ouders zijn hoofdverblijf had. Het college erkent dat in uitzonderlijke gevallen van de BRP-registratie kan worden afgeweken maar vindt de overgelegde bewijsmiddelen onvoldoende.
9. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de door eiser ingebrachte bewijsstukken onvoldoende zijn om te concluderen dat sprake is van feitelijke bewoning op het adres van zijn ouders gedurende de gehele referteperiode. De rechtbank overweegt daartoe dat hoewel in het bestreden besluit wordt gesteld dat er uitsluitend in het geval van onomstotelijk bewijs van de BRP-bewijsregel kan worden afgeweken, het college de door eiser ingebrachte bewijsstukken wel feitelijk heeft beoordeeld. Het beeld dat daaruit naar voren komt is dat wel enige bewijswaarde toekomt aan de verklaringen die eiser heeft ingebracht, maar dat die verklaringen wel een zekere mate van subjectiviteit meebrengen en dat om die reden steunbewijs nodig is. Dat steunbewijs zou in dit geval gevonden kunnen worden in de door eiser ingebrachte poststukken. De rechtbank stelt vast dat uit alle poststukken die eiser over de referteperiode heeft ingestuurd, slechts drie van de poststukken de periode van 3 november 2020 tot 4 december 2021 (dus de periode waarin eiser op het andere adres stond ingeschreven) betreffen. Het gaat om een sommatie en twee facturen. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat dit onvoldoende steunbewijs levert voor het vaststellen van feitelijk verblijf op het woonadres bij ouders. De rechtbank houdt verder ook twijfel over de verklaring van eiser over een tweede woning in een tijd waarin hij ook heeft verklaard onder aanzienlijke financiële druk te staan wegens schulden, gezien de kosten van de tweede woning van rond de € 900,- per maand. Deze verklaring roept de bij de rechtbank zoveel vragen op, dat dit maakt dat de rechtbank het steunbewijs ook in het licht hiervan onvoldoende vindt. Op de zitting is verder gesproken over de hoogte van eisers schulden en de voor eiser beschikbare voorzieningen om zelfstandig te gaan wonen. Het college heeft toegelicht dat de hoogte van de schulden maakt dat schuldhulpverlening eerst op gang moet komen, voordat eiser in aanmerking kan komen voor een eigen woning. De moeder van eiser heeft verklaard stappen hiervoor te hebben ondernomen en aan de slag te zijn gegaan met schuldhulpverlening.
10. De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.