AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beslissing rechtbank over uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling na bezwaar veroordeelde
De veroordeelde is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en negen maanden, onherroepelijk geworden na een arrest van de Hoge Raad. Het Openbaar Ministerie stelde de beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) uit vanwege het ontbreken van noodzakelijke adviezen van de penitentiaire inrichting en reclassering.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen dit uitstel en verzocht om onmiddellijke v.i. of een korter uitstel. Hij voerde aan dat hij aantoonbare stappen had gezet in zijn re-integratie en dat het uitstel onterecht was, mede omdat eerdere rapporten positief waren. De raadsman benadrukte dat het OM tijdig had moeten handelen en verwees naar jurisprudentie die het mogelijk maakt v.i. te verlenen zonder volledig reclasseringsadvies.
Het Openbaar Ministerie stelde dat het uitstel noodzakelijk was om een zorgvuldige en verantwoorde beslissing te kunnen nemen, mede gezien de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en herroeping van een eerdere v.i. De rechtbank oordeelde dat het OM in redelijkheid tot het uitstel heeft kunnen besluiten, dat het nadeel voor de veroordeelde niet opweegt tegen het maatschappelijke belang, en dat het bezwaar ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de beslissing over voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard en het uitstel bevestigd.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
parketnummers : 13-997004-21 en 23-001434-22
v.i.-nummer : 89-000164-25
raadkamernummer : 003140-26
datum : 3 maart 2026
Beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 vanPro het Wetboek van Strafvordering tegen de beslissing tot het uitstellen van de beslissing over het over het al dan niet verlenen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman mr. M.A.W. Nillesen,
[adres],
hierna te noemen: de veroordeelde.
1.Feiten en procesgang
1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft de veroordeelde bij arrest van 20 december 2023 een van gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest opgelegd. [1]
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 oktober 2025 de opgelegde gevangenisstraf verminderd in die zin dat deze vijf jaar en negen maanden beloopt en voor het overige het tegen het arrest van het hof ingestelde cassatieberoep verworpen. [2]
1.3.
Het ressortsparket Amsterdam heeft de zaak van de veroordeelde op 8 januari 2026 bij het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE), een onderdeel van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aangeleverd waarop de zaak daar in behandeling is genomen.
1.4.
Het CJIB/AICE heeft op 9 januari 2026 de zaak van de veroordeelde bij de Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling van het Openbaar Ministerie (CVv.i.) aangemeld.
1.5.
Het CJIB heeft op 13 januari 2026 het Openbaar Ministerie laten weten dat de eerst mogelijke v.i. op een andere datum is dan aanvankelijk werd vermeld in verband met de wijziging van het juridisch jaar. De veroordeelde kon, gelet op artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv), op 15 februari 2026 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).
1.6.
Het Openbaar Ministerie heeft op 14 januari 2026 beslist het nemen van de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. voor een periode van maximaal zestig dagen uit te stellen, te rekenen vanaf 15 februari 2026.
1.7.
Het bezwaarschrift van de veroordeelde tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 22 januari 2026 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
1.8.
Het Openbaar Ministerie heeft op 11 februari 2026 zijn standpunt over het bezwaar schriftelijk kenbaar gemaakt.
1.9.
De raadsman heeft op 13 februari 2026 schriftelijke vragen aan het Openbaar Ministerie gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft daar dezelfde dag op geantwoord.
1.10.
De rechtbank heeft op 17 februari 2026 het bezwaarschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft toen de veroordeelde, zijn raadsman mr. M.A.W. Nillesen, en de officier van justitie mr. S.W.M. van der Linde gehoord.
2.Beslissing tot uitstel v.i.
2.1.
Het Openbaar Ministerie heeft zijn beslissing tot het uitstellen van het nemen van de beslissing over het verlenen van v.i. voor een periode van maximaal zestig dagen, te rekenen vanaf 15 februari 2026, als volgt aan de veroordeelde uitgelegd.
2.2. ‘
‘Voor het nemen van deze beslissing laat het OM zich adviseren door de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering (artikel 6:2:12 lid 2 SvPro). Als aan u v.i. wordt verleend, kan die ingaan op 15 februari 2026 (op basis van de huidige berekening) met een proeftijd van 690 dagen en een strafrestant van 690 dagen. Het OM dient u uiterlijk vier weken voor deze datum in kennis te stellen van de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. In uw geval is dat niet mogelijk, omdat het OM nog niet alle voor het nemen van de beslissing benodigde adviezen heeft ontvangen. Dit komt doordat uw v.i.-datum is herberekend en daardoor op een eerder moment is vastgesteld dan de oorspronkelijke v.i.-datum. De herberekening is toegepast vanwege jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR2021:812). Vanwege die jurisprudentie, geldt voor sommige zaken, waaronder die van u, dat een jaar geteld moet worden als 360 dagen in plaats van 365 dagen. Doordat u eerder voor v.i. in aanmerking komt, te weten 15 februari 2026, zijn de adviezen nog niet gereed op het moment dat het OM een beslissing over uw v.i. moet nemen. Om die reden stelt het OM het nemen van de beslissing over de v.i.-verlening met maximaal 60 dagen uit. De verwachting is dat het OM de benodigde adviezen rond uw v.i.-datum zal ontvangen. Het OM neemt zo spoedig mogelijk na ontvangst van de benodigde informatie een inhoudelijke beslissing. Deze gang van zaken is in uw nadeel. U moet immers langer wachten op een definitieve v.i.-beslissing. Dit nadeel voor u weegt voor het OM echter niet op tegen het maatschappelijke belang om een zorgvuldige beslissing te nemen over uw v.i., waarbij het OM beschikt over actuele rapportage van zowel de reclassering als de directeur van de penitentiaire inrichting. Het OM betrekt bij dit oordeel de ernst van de feiten waarvoor u veroordeeld bent. Bovendien volgt uit uw justitiële documentatie dat u eerder veroordeeld bent voor geweldsfeiten en deelname aan een criminele organisatie. Ook bent u eerder voorwaardelijk in vrijheid gesteld, maar deze is herroepen. Hoewel sommige van de voornoemde omstandigheden verder in het verleden liggen, raakt dit wel onder andere de vraag of er mogelijkheden zijn om risico’s te beperken.’
3.Bezwaar
3.1.
De veroordeelde maakt bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om de beslissing over het al dan niet verlenen van de v.i. met zestig dagen uit te stellen.
3.2.
De veroordeelde verzoekt de rechtbank de beslissing van het Openbaar Ministerie te wijzigen in die zin dat de veroordeelde alsnog onmiddellijk voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt dan wel te beslissen dat de beslissing over het verlenen van v.i. met één of maximaal twee weken wordt uitgesteld.
3.3.
Namens de veroordeelde is (samengevat) het volgende aangevoerd. De zaak van de veroordeelde is op 14 oktober 2025 onherroepelijk geworden. De (her)berekening van de v.i. had dus veel eerder kunnen plaatsvinden dan nu is gebeurd. Het is de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie om te bewerkstelligen dat de v.i.-rapportage tijdig afgerond is. Het feit dat de rapporten nog niet gereed zijn, is niet aan de veroordeelde te wijten, terwijl de nadelige gevolgen daarvan wel volledig voor zijn rekening komen. De veroordeelde heeft gedurende zijn verblijf in de Beperkt Beveiligde Afdeling aantoonbare en concrete stappen gezet in het kader van zijn re-integratieproces, waaronder het verrichten van werkzaamheden als zandwagenchauffeur, alsmede het met goed gevolg afleggen van de theorie-examens voor zijn vrachtwagenrijbewijs. Er is bovendien op 25 juni 2025 in de strafzaak tegen de veroordeelde een positief reclasseringsadvies uitgebracht met betrekking tot de schorsing van de voorlopige hechtenis van de veroordeelde. In het reclasseringsrapport staat expliciet dat de veroordeelde geschikt wordt geacht voor terugkeer in de maatschappij onder voorwaarden, waarmee het maatschappelijke belang van een zorgvuldige en verantwoorde beslissing voldoende wordt ondervangen. Als de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld, kan hij gelijk aan het werk bij de firma [naam firma], hetgeen een belangrijk beschermende factor vormt tegen recidive en aan een stabiele maatschappelijke terugkeer bijdraagt. De veroordeelde ondervindt door het uitstel van de v.i. nadeel en dit nadeel is volgens hem gegeven de omstandigheden niet gerechtvaardigd.
3.4.
De raadsman van de veroordeelde heeft ter zitting voorts aangevoerd dat het tot aan 16 januari 2026, toen er een aanslag op het leven van de veroordeelde werd gepleegd, heel goed met de veroordeelde ging en dat als de overheid haar werk tijdig had gedaan de veroordeelde inmiddels (op 15 februari 2026) voorwaardelijk in vrijheid gesteld zou zijn. De raadsman heeft gewezen op de beslissing van de rechtbank Overijssel van 1 november 2023 [3] , en opgemerkt dat uit de wetsgeschiedenis [4] blijkt dat in het onverhoopte geval dat het advies van de reclassering niet tijdig beschikbaar is toch een beslissing tot het verlenen van v.i. kan worden genomen en dat het Openbaar Ministerie daarna de bijzondere voorwaarden nog kan aanvullen, wijzigen en/of opheffen op het moment dat het (nadere) advies van de reclassering daartoe aanleiding geeft.
4.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.1.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond is en daartoe (samengevat) het volgende aangevoerd.
4.2.
De veroordeelde stelt dat het de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie is om te bewerkstelligen dat de v.i.-rapporten tijdig gereed zijn. De rapporten kunnen echter pas worden aangevraagd wanneer strafzaken door het CJIB als v.i.-zaken bij de CVv.i. worden aangeleverd. De CVv.i. heeft de zaak van de veroordeelde op 9 januari 2026 van het CJIB ontvangen. Vanaf dat moment was de eerst mogelijke v.i.-datum bekend en konden de adviezen worden aangevraagd. Gelet op artikel 6:2:13, eerste lid, Sv moet het Openbaar Ministerie de veroordeelde uiterlijk vier weken voor de eerst mogelijke v.i.-datum in kennis stellen over de beslissing over het verlenen van v.i. Deze beslissing kan ook inhouden dat de beslissing over het verlenen van v.i. wordt uitgesteld. Aangezien de eerst mogelijke v.i.-datum van de veroordeelde 15 februari 2026 was, moest het Openbaar Ministerie direct een beslissing nemen. En aangezien de v.i.-adviesrapporten nog niet beschikbaar waren (en nog steeds niet beschikbaar zijn), kon het Openbaar Ministerie geen inhoudelijke beslissing nemen over het al dan niet verlenen van v.i. Het Openbaar Ministerie onderschrijft het standpunt van de veroordeelde dat het niet tijdig gereed zijn van de noodzakelijke v.i.-rapporten niet aan de veroordeelde te wijten is. Het nadeel voor de veroordeelde weegt niet op tegen het maatschappelijke belang om een zorgvuldige beslissing over de v.i. van de veroordeelde te nemen. Hierbij heeft het Openbaar Ministerie de ernst van de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en een eerder herroepen v.i. betrokken. Deze omstandigheden maken dat het Openbaar Ministerie eerst de noodzakelijke rapporten die zich specifiek richten op de v.i. van de veroordeelde wil afwachten, voordat daarover een gedegen beslissing kan worden genomen. Deze rapporten zijn, naast dat zij wettelijk verplicht zijn, noodzakelijk om de in artikel 6:2:10, derde lid, Sv genoemde aspecten voor het verlenen van v.i. te beoordelen. De beschikbaarheid van een reclasseringsrapport met betrekking tot de voorlopige hechtenis maakt dit niet anders. Niet alleen omdat het door de veroordeelde aangehaalde rapport ten tijde van het uitstellen van de beslissing over de v.i. al meer dan zes maanden oud was en er in de tussentijd wezenlijke veranderingen hebben kunnen plaatsvinden, maar ook omdat het beoordelingskader van de voorlopige hechtenis zowel een ander karakter als een ander beoordelingskader dan de v.i. heeft.
5.Wettelijke bepalingen en Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling
5.1.
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
Artikel 6:2:13, eerste lid, Sv:
Uiterlijk vier weken voor het in artikel 6:2:10, eerste of vierde lid, bedoelde tijdstip stelt het openbaar ministerie de veroordeelde in kennis van zijn beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden. Indien voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, beslist het openbaar ministerie eveneens over de daaraan verbonden voorwaarden.
Artikel 6:2:10, derde lid, Sv:
Bij de beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving;
de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheidstelling verbonden risico’s te beperken en beheersen;
de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen, waaronder de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden.
Het openbaar ministerie beslist over het verlenen en herroepen van voorwaardelijke invrijheidstelling en over het stellen, wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden. De beslissingen van het openbaar ministerie zijn met redenen omkleed. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde in kennis van zijn beslissingen.
De directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering adviseren omtrent de beslissingen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6:2:13, eerste lid, Sv:
Uiterlijk vier weken voor het in artikel 6:2:10, eerste of vierde lid, bedoelde tijdstip stelt het openbaar ministerie de veroordeelde in kennis van zijn beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden. Indien voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, beslist het openbaar ministerie eveneens over de daaraan verbonden voorwaarden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. Deze nadere regels betreffen in elk geval de totstandkoming van de beslissingen omtrent het stellen, aanvullen, wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden.
Het openbaar ministerie beslist of aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden worden verbonden. Tevens beslist het openbaar ministerie of aan de voorwaarden elektronisch toezicht wordt verbonden.
Indien bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden verbonden, geeft het openbaar ministerie of Onze Minister opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving en om de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Indien het openbaar ministerie de opdracht geeft, wordt Onze Minister hierover geïnformeerd.
Het openbaar ministerie houdt rekening met de adviezen ontvangen van de reclassering en de directeur van de inrichting waar de veroordeelde staat ingeschreven.
De adviezen van de reclassering en de directeur van de inrichting vermelden welke voorwaarden worden voorgesteld en de redenen waarom deze voorwaarden worden voorgesteld. De adviezen kunnen vermelden of het aangewezen is aan enige voorwaarde elektronisch toezicht te verbinden.
De adviezen vermelden voorts het standpunt van de veroordeelde over de voorgestelde voorwaarden.
Bij de beslissing houdt het openbaar ministerie rekening met voorwaarden die de veroordeelde eventueel in een ander kader zijn opgelegd en waarvan de proeftijd aanvangt of wordt voorgezet op het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling. In het advies van de reclassering wordt hieraan aandacht besteed.
Het openbaar ministerie betrekt bij zijn beslissing over de verlening van voorwaardelijke invrijheidstelling de beschikbaarheid van een aanvaardbaar verblijfadres.
5.2.
De Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling [5] houdt onder meer het volgende in:
Samenvatting
Deze aanwijzing geeft nadere regels voor de toepassing van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Die regeling is ingrijpend gewijzigd met de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen. De aanwijzing gaat in op de taken die het openbaar ministerie [OM] heeft en de verdeling van deze taken binnen het OM. (…)
Algemeen
1. Doel van de regelingen
Aan het eind van hun vrijheidsstraf keren veroordeelden terug in de maatschappij. Het is zowel in het belang van de veroordeelde als van de samenleving, dat die terugkeer geleidelijk en verantwoord verloopt, met zo min mogelijk kans op herhaling van een strafbaar feit. Daarom is het verblijf in de penitentiaire inrichting dusdanig ingericht dat gedetineerden vanaf het begin van de detentie werken aan een delictvrije toekomst buiten de gevangenismuren. De tenuitvoerlegging van bepaalde vrijheidsstraffen kan vervolgens met een periode van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) worden afgesloten. Het OM vervult een aantal belangrijke taken in de onderscheidenlijke v.i.-regelingen. Met inachtneming van het wettelijk kader komt het steeds zelfstandig en onafhankelijk tot een afweging van alle in aanmerking komende belangen.
2. Taken OM en positie Centrale Voorziening v.i.
Het OM heeft een aantal belangrijke taken in het kader van de gewijzigde v.i.-regeling. Het merendeel van deze taken is centraal belegd bij de Centrale voorziening v.i. (hierna: CVv.i.). De CVv.i. is ondergebracht bij het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. De CVv.i. beoordeelt in iedere v.i.-waardige zaak op basis van de wettelijke criteria of v.i. wordt verleend dan wel of de beslissing daarover wordt uitgesteld. Eventuele invrijheidstelling geschiedt altijd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voor zover noodzakelijk en proportioneel kan de CVv.i. daarnaast aan de v.i. bijzondere voorwaarden verbinden. Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd of de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, kan de CVv.i. de v.i. (deels) herroepen. Verder adviseert de CVv.i. de parketten over ingekomen bezwaarschriften. De CVv.i. beoordeelt tevens of er grond is om de verlenging van de proeftijd te vorderen. De CVv.i. kan verder adviseren over een gratieverzoek ten aanzien van een straf waarover v.i. is verleend, de beslissing daarover is uitgesteld of de v.i. is herroepen.
3. Dossier en advisering
3.1.
Dossier
Uitgangspunt is dat aan het OM door het CJIB namens de minister tijdig een toereikend dossier beschikbaar wordt gesteld, dat alle informatie bevat om in redelijkheid tot een goede afweging van de betrokken belangen te komen. Het reguliere dossier bestaat onder meer uit:
– Advies van DJI;
DJI informeert het OM over het detentieverloop. In het advies wordt gereflecteerd op het gedrag tijdens detentie en in relatie tot het detentie- en re-integratieplan. Het advies bevat informatie over de opgedane ervaring met eventuele verloven en daaraan verbonden voorwaarden. Het advies van DJI geeft verder aan op welke wijze tijdens de detentie rekening is gehouden met de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen.
– Advies van de reclassering;
De reclassering adviseert onder meer over aanwezige risico’s en of deze effectief beperkt en beheerst kunnen worden door aan de v.i. een aantal bijzondere voorwaarden te verbinden. Het advies bevat in elk geval een zienswijze van de veroordeelde omtrent de mogelijk te verlenen v.i. en daaraan eventueel te verbinden voorwaarden. Het advies vermeldt tevens of bij een eventuele invrijheidstelling een aanvaardbaar verblijfadres voor veroordeelde beschikbaar is.
(…)
In hun adviezen betrekken DJI en de reclassering de wettelijke criteria (zie par. 4.1.) en het beleid van het OM (zoals deze aanwijzing). Zij gaan in op de geschiktheid van de veroordeelde om in de samenleving terug te keren. In het geval er sprake is van bijzonderheden ten aanzien van de persoon van de veroordeelde, het delict of de delicten waarvoor hij veroordeeld is of de omgeving van de veroordeelde, besteden zij hieraan aandacht in het advies.
Indien het dossier onvolledig is of anderszins aanvulling behoeft (bijv. in de vorm van verdiepingsdiagnostiek of forensische rapportage) dan wordt hierin op aangeven van het OM zo spoedig mogelijk voorzien. Wanneer dat op korte termijn niet mogelijk is en het OM over onvoldoende informatie beschikt om tot een afweging van de belangen te komen, dan kan het OM de beslissing over de v.i.-verlening voor een bepaalde periode uitstellen (zie par. 4.3).
(…)
4. Verlening v.i.
Het OM beslist over het al dan niet verlenen van de v.i. Bij de beslissing worden de in de wet genoemde aspecten (par. 4.1.) en contra-indicaties (par. 4.2.) betrokken. De beslissing kan inhouden dat de beslissing over de verlening wordt uitgesteld (par. 4.3.).
4.1.
Aspecten
Bij de beslissing over het verlenen van de v.i. worden in ieder geval de aspecten genoemd in art. 6:2:10, derde lid Sv, betrokken: gedrag, risico’s en belangen van ‘slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen’.
(…)
4.3.
Beslissing
Uiterlijk vier weken voor het tijdstip waarop veroordeelde mogelijk in aanmerking komt voor v.i., wordt hij door het OM in kennis gesteld van de beslissing om al dan niet v.i. te verlenen. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenen van v.i. wordt uitgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden. Indien v.i. wordt verleend, beslist het OM eveneens over de daaraan verbonden voorwaarden (art. 6:2:13, eerste lid Sv). De beslissing is met redenen omkleed (art. 6:2:12 SvPro).
6.Beoordeling
6.1.
De rechtbank dient bij de beoordeling van het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit te stellen – op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv – te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen. Het is dus niet aan de rechtbank om tot een geheel nieuwe afweging van de betrokken belangen te komen, maar beoordeeld dient te worden of het Openbaar Ministerie destijds in zijn afweging van de betrokken belangen tot een redelijke beslissing is gekomen, een zogeheten marginale toets. [6]
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de strafzaak tegen de veroordeelde op 14 oktober 2025 tot een einde is gekomen toen de Hoge Raad het cassatieberoep van de veroordeelde heeft verworpen. Die dag is onherroepelijk komen vast te staan dat de veroordeelde een gevangenisstraf van vijf jaar en negen maanden met aftrek van het voorarrest moest ondergaan. Het arrest van de Hoge Raad wordt zo spoedig naar het ressortsparket verzonden (artikel 444, eerste lid, Sv [7] ) hetgeen in beginsel op de dag van de uitspraak geschiedt. Het Openbaar Ministerie heeft de wettelijke plicht om het CJIB binnen veertien dagen op de hoogte te stellen van (de onherroepelijkheid van) de beslissing van de Hoge Raad (artikel 6:1:1 SvPro [8] ). Als eenieder zijn plicht heeft gedaan, had het AICE/CJIB (uiterlijk) medio november op de hoogte gesteld kunnen zijn van de zaak van de veroordeelde en de aan hem opgelegde gevangenisstraf en had kunnen worden uitgerekend wanneer de veroordeelde mogelijk voor v.i. in aanmerking zou kunnen komen. De veroordeelde bevond zich immers in voorlopige hechtenis. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom het Openbaar Ministerie (ressortsparket Amsterdam) het AICE/CJIB pas op donderdag 8 januari 2026 op de hoogte heeft gesteld van de zaak van de veroordeelde. Het AICE/CJIB heeft vervolgens wel voortvarend gehandeld. Het lijkt erop dat er bij het bewaken van de termijnen iets is misgegaan. Het rekenen met 360 dagen (een juridisch jaar) in plaats van 365 dagen, dat als reden wordt genoemd om de beslissing tot over het al dan niet verlenen van de v.i. uit te stellen, verklaart in elk geval niet waarom het Openbaar Ministerie (CVv.i) de rapporten niet tijdig heeft aangevraagd.
6.3.
Toen het Openbaar Ministerie op de hoogte werd gesteld van de eerst mogelijke v.i.-datum van de veroordeelde bevatte het dossier nog niet alle informatie die vereist en nodig is om in redelijkheid tot een goede afweging van de betrokken belangen te komen. Zo ontbrak (en ontbreekt nog altijd) zowel het advies van de directeur van de penitentiaire inrichting als dat van de reclassering.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen de beslissing tot het verlenen van v.i. met zestig dagen uit te stellen. Het was – overigens geheel buiten de schuld van de veroordeelde – voor het Openbaar Ministerie niet mogelijk om uiterlijk vier weken voor de fictieve datum van de mogelijke v.i. een beslissing te nemen. Het Openbaar Ministerie beschikte immers nog niet over alle relevante informatie (het advies van de directeur van de penitentiaire inrichting en dat van de reclassering) die niet alleen vereist maar ook nodig is voor het maken van een goede afweging tussen de betrokken belangen en tot een weloverwogen, verantwoorde beslissing te kunnen komen. Hierbij weegt mee dat het Openbaar Ministerie terecht ook rekening houdt met de ernst van de feiten waarvoor de veroordeelde een gevangenisstraf heeft opgelegd gekregen (zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3514), de eerdere veroordeling voor geweldsfeiten en deelname aan een criminele organisatie is veroordeeld en de herroeping van een eerdere voorwaardelijke invrijheidstelling. Het nadeel van de veroordeelde dat hij maximaal twee maanden langer moet wachten voordat er duidelijkheid is ten aanzien van zijn mogelijke v.i. weegt niet zo zwaar dat de veroordeelde zonder een op hem toegesneden kader voorwaardelijk in vrijheid gesteld had moeten worden.
6.5.
De raadsman heeft naar voren gebracht dat in de Nota naar aanleiding van het verslag [9] staat dat in ‘het onverhoopte geval dat het advies van de reclassering niet tijdig beschikbaar is, […] het zevende lid van het voorgestelde artikel 6:2:11 SvPro het Openbaar Ministerie de mogelijkheid [biedt] de gestelde bijzondere voorwaarden aan te vullen, te wijzigen of op te heffen op het moment dat het (nadere) advies van de reclassering daartoe aanleiding geeft’ en dat dit betekent dat het Openbaar Ministerie dus ook zonder reclasseringsadvies v.i. kan verlenen en nadien eventueel alsnog (aanvullende) bijzondere voorwaarden kan stellen.
6.6.
Het zevende lid van het voorgestelde artikel 6:2:11 SvPro hield onder meer in dat het Openbaar Ministerie de gestelde bijzondere voorwaarden kan aanvullen, wijzigen of opheffen en kwam overeen met het zevende lid van artikel 15a Sr zoals dat tot 1 januari 2020 luidde. Het zesde lid van artikel 15a Sr hield in dat de reclassering kon adviseren omtrent de te stellen voorwaarden. Bij de beraadslaging over de totstandkoming van de Wet USB is het amendement [10] dat ertoe strekte de wettelijke adviesrol van de reclassering weer facultatief te maken, verworpen. [11] Het zevende lid van artikel 6:2:11 SvPro is sinds 1 juli 2021 vervallen. Kortom, het Openbaar Ministerie is onder de huidige v.i.-regeling verplicht het reclasseringsadvies af te wachten alvorens het een beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. kan nemen. Los daarvan heeft het Openbaar Ministerie in redelijkheid kunnen beslissen de adviezen van de directeur van de penitentiaire richting en het advies van de reclassering af te wachten gelet op hetgeen het Openbaar Ministerie ook bij zijn beslissing heeft betrokken.
6.7.
De rechtbank merkt ten slotte op dat de officier van justitie ter zitting heeft meegedeeld dat naar verwachting de adviezen begin maart beschikbaar zullen zijn.
7.Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door: mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
7.Een door de griffier gewaarmerkt afschrift van het arrest van de Hoge Raad wordt zo spoedig mogelijk door de procureur-generaal gezonden aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
8.1. De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen geschiedt door Onze Minister. 2. Het openbaar ministerie verstrekt daartoe de beslissing aan Onze Minister, uiterlijk veertien dagen nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.