Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3929

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/13/778514 / HA ZA 25-1690
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:92 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 721 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis en toewijzing schadevergoeding en gematigde boete wegens niet-nakoming aannemingsovereenkomst

De eiseres gaf opdracht aan de aannemer voor werkzaamheden aan haar woning, nadat de oorspronkelijke aannemer failliet was verklaard. De aannemer voerde slechts een deel van de werkzaamheden uit en stopte daarna, waarna hij niet meer bereikbaar was. De eiseres stelde hem in gebreke en vorderde nakoming, later omgezet in vervangende schadevergoeding en een contractuele boete wegens wanprestatie.

De aannemer stelde dat hij zijn werkzaamheden mocht opschorten vanwege het uitblijven van een deelbetaling, maar de rechtbank verwierp dit verweer omdat de overeenkomst duidelijk stelde dat betaling pas bij oplevering verschuldigd was. De aannemer was dus toerekenbaar tekortgeschoten en in verzuim.

De rechtbank oordeelde dat de contractuele boete naast de schadevergoeding kon worden gevorderd, maar matigde de boete van €15.000 naar €5.000 wegens disproportionaliteit. De gevorderde schadevergoeding van €10.342,19 en buitengerechtelijke incassokosten van €1.028,42 werden toegewezen. De beslagkosten werden afgewezen wegens niet-naleving van betekeningstermijn.

Het verstekvonnis werd vernietigd en de aannemer werd veroordeeld tot betaling van de genoemde bedragen, inclusief wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het verstekvonnis en veroordeelt de aannemer tot betaling van een gematigde boete, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/778514 / HA ZA 25-1690
Vonnis in verzet van 22 april 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. M.S.W. Verweij,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: voorheen mr. G.I. Niesert, nu geen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van [eisende partij] van 18 juli 2025, met producties,
- het verstekvonnis van 10 september 2025 met zaaknummer
C/13/773995/ HA ZA 25-1380,
- de verzetdagvaarding van 20 oktober 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 31 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 februari 2026, waarbij door mr. Verweij spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt die in het procesdossier zijn gevoegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] heeft aan [gedaagde] , handelend onder de naam MV Dak, opdracht gegeven voor werkzaamheden aan haar woning.
2.2.
Aanvankelijk had [eisende partij] daarvoor opdracht gegeven aan de heer [naam] handelend onder de naam MV Dakwerken ([naam]). [naam] had in juni 2024 een offerte uitgebracht voor een aanneemsom van € 15.380 inclusief btw. [eisende partij] heeft die offerte geaccepteerd, waarna [eisende partij] en [naam] een aannemingsovereenkomst hebben gesloten. In die overeenkomst was opgenomen dat de aanneemsom in drie termijnen zou worden betaald, waarvan 20% bij afronding van de werkzaamheden. [naam] heeft vervolgens een deel van de werkzaamheden uitgevoerd en daarvoor rekeningen verzonden van € 4.614 en € 6.240, die door [eisende partij] in juni en juli 2024 zijn betaald. Daarna is [naam] op 8 augustus 2024 in staat van faillissement verklaard.
2.3.
[naam] heeft vervolgens aan [eisende partij] voorgesteld dat [gedaagde] de werkzaamheden zou afmaken. [eisende partij] heeft daarna een offerte d.d. 7 februari 2025 ontvangen op naam van MV Dak. De inhoud van de werkzaamheden in die offerte was vrijwel gelijk aan de eerdere offerte van [naam], onder meer voor wat betreft de omschrijving van de werkzaamheden. Wel was de offerteprijs aangepast naar € 4.880 inclusief btw en voor de verbouwing een deadline van 1 maart 2025 opgenomen. Verder was in plaats van drie betaaltermijnen opgenomen: ‘
3e termijn van 100% - na oplevering’. [eisende partij] heeft die offerte geaccepteerd en de afspraken zijn vervolgens neergelegd in een aannemingsovereenkomst (de aannemingsovereenkomst), die eveneens grotendeels identiek was aan de eerder met [naam] gesloten overeenkomst.
2.4.
De aannemingsovereenkomst luidt, voor zover van belang:
Artikel 2 - Het werk
1. De werkzaamheden worden uitgevoerd zoals beschreven in offerte d.d. 7 feb 2025, offertenummer 2025-1101-006.
(..)
Artikel 5 - Kosten
1. De overeengekomen aanneemsom bedraagt € 4880,00inclusief btw.
Artikel 6 – Betaling
1. 1. € 4.880.00 20% van de aanneemsom - bij afronding werkzaamheden (KVK 87575973)
Deadline werkzaamheden 1 maart 2025
(..)
Artikel 9 - Uitvoering van het werk
(…)
15. De Aannemer mag de overeenkomst in fases uitvoeren en het uitgevoerde gedeelte afzonderlijk factureren. Is er sprake van aangenomen werk, dan vindt betaling in termijnen plaats en wordt er eventueel een termijnschema opgesteld.
(..)
Artikel 14 - Ontbinding hij wanprestatie
(..)
3. Indien de opdrachtgever de aannemer schriftelijk in gebreke heeft gesteld wegens het niet of gedeeltelijk uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden zoals vermeld in dc offerte, is de aannemer gehouden een boete van €250 per dag te betalen totdat het probleem naar tevredenheid van de opdrachtgever is verholpen, met een maximaal bedrag van €15.000.
4. Vergoeding van Schade: De aannemer dient alle directe en indirecte schade te vergoeden die de opdrachtgever lijdt als gevolg van het niet tijdig herstellen van de werkzaamheden.
“Indien de aannemer in gebreke blijft en de werkzaamheden niet tijdig herstelt, is hij gehouden alle directe en indirecte schade te vergoeden die de opdrachtgever als gevolg hiervan lijdt.” [italic in de oorspronkelijke tekst, Rb]
2.5.
[gedaagde] heeft slechts een (beperkt) deel van de werkzaamheden uitgevoerd. Hij was daarna niet meer bereikbaar.
2.6.
Op 25 februari 2025 heeft [eisende partij] ‘
MV Dak t.a.v. [gedaagde] , [gedaagde] en [naam]’ in gebreke gesteld. Zij heeft daarbij aangekondigd dat als niet binnen veertien dagen alsnog de werkzaamheden zouden worden afgemaakt 1) aanspraak zou worden gemaakt op de contractuele boete, 2) een andere aannemer de werkzaamheden zou voltooien en de kosten daarvan zouden worden verhaald, 3) dat gerechtelijke stappen zouden worden genomen, en 4) dat [eisende partij] verwachtte dat uiterlijk op 1 maart schriftelijk zou worden aangegeven hoe de situatie zou worden opgelost.
Volgens [eisende partij] moesten nog de volgende werkzaamheden worden verricht:
- het bestellen en plaatsen van de vaste trap (inclusief leuning en afwerking);
- het omleiden en aansluiten van de ventilatiemachine;
- het isoleren van twee muren;
- het bestellen en aansluiten van de verwarming;
- het maken van een aansluiting voor de was- en droogmachine;
- het maken van een kastenwand onder de schuine wand (van 100cm hoog);
- het maken van drie stopcontacten en twee lichtschakelaars;
- het installeren van een ventilatierooster in het vaste raam;
- het installeren van de bovenstukken bij de ramen;
- het installeren van drie insectenhorren (in de draaikiepramen);
- het maken van een bekisting rondom de gasketel;
- het plaatsen van een deur;
- het wegwerken van alle houten balken, ventilatiepijpen en de nog zichtbare verwarmingsbuizen;
- het stucen van de eerste en de tweede verdieping;
- het afvoeren van het afval.
2.7.
Op 23 april 2025 heeft ook een door [eisende partij] ingeschakelde advocaat een ingebrekestelling gestuurd. De eerder door [eisende partij] gestelde termijn werd daarin gehandhaafd, maar er werd nog een laatste kans gegeven om de hiervoor onder 2.6 genoemde werkzaamheden alsnog af te ronden. In de ingebrekestelling werd nog een termijn van zeven dagen gegeven om te bevestigen dat de werkzaamheden binnen vier weken deugdelijk zouden worden uitgevoerd. Verder werd aangekondigd dat als niet aan deze termijnen zou worden voldaan, de werkzaamheden door een derde zouden worden uitgevoerd, de kosten daarvan op [gedaagde] zouden worden verhaald en dat aanspraak zou worden gemaakt op de contractuele boete van € 250 per dag dat de werkzaamheden niet door [gedaagde] zouden zijn afgerond. Ook stond in de brief dat er al sinds 12 maart verzuim was en de boete op dat moment al een omvang had van € 10.500 en dagelijks toenam.
2.8.
Diezelfde dag heeft de advocaat van [eisende partij] een (Engelstalige) e-mail ontvangen, waarin stond dat een en ander niet duidelijk was. Daarna heeft hij nog een tweede e-mailbericht ontvangen, waarin stond dat er volgens het contract eerst een deelbetaling moest worden gedaan en dat het werk is gestaakt wegens het uitblijven daarvan.
2.9.
Op 28 april 2025 heeft de advocaat van [eisende partij] zowel [naam] als [gedaagde] per (Engelstalige) e-mail verwezen naar de eerdere ingebrekestelling van 23 april en gesommeerd uiterlijk 30 april te bevestigen dat het werk tijdig wordt afgemaakt.
2.10.
Bij brief van haar advocaat van 12 mei 2025 heeft [eisende partij] haar vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding, begroot op € 15.222,91, en aanspraak gemaakt op een contractuele boete van € 15.000. Met verrekening van het resterende deel van de aanneemsom van € 4.880, vordert [eisende partij] € 25.342,91.
2.11.
[eisende partij] heeft offertes overgelegd van derden van de kosten om de nog niet verrichte werkzaamheden af te maken:
  • een offerte van Bouw Broeders van € 12.020,14 inclusief btw;
  • een offerte van Bouw Source Groep B.V. van € 14.224,50 inclusief btw;
  • een offerte van ABCS Services van € 22.340 inclusief btw;
  • een offerte van CON aannemers & bouwbedrijf van € 12.307,03 inclusief btw.
2.12.
Na daartoe verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter, heeft [eisende partij] op 10 juli 2025 beslag gelegd onder ABN AMRO Bank N.V.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van:
- een bedrag van € 10.342,19 met rente vanaf 12 maart 2025,
- een bedrag van € 15.000 met rente vanaf 11 mei 2025,
- een bedrag van € 1.028,42 aan buitengerechtelijke incassokosten met rente vanaf de datum van dagvaarding,
- een bedrag van € 838,27 aan kosten voor het leggen van conservatoir (derden)beslag met rente vanaf de datum van dagvaarding,
- de proceskosten met rente vanaf vijftien dagen na de vonnisdatum.
3.2.
[eisende partij] heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de werkzaamheden gestaakt en het werk niet zoals overeengekomen op 1 maart opgeleverd. Op 25 februari 2025 heeft [eisende partij] [gedaagde] in gebreke gesteld en [gedaagde] een termijn van veertien dagen gegeven om nog na te komen en aangekondigd dat [gedaagde] anders de overeengekomen contractuele boete zou gaan verbeuren. Het werk is echter niet afgemaakt en [gedaagde] is in verzuim geraakt. [eisende partij] heeft haar vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. De kosten om het werk door een derde te laten afmaken worden door [eisende partij] begroot op € 15.222,91. Daarnaast maakt [eisende partij] aanspraak op betaling door [gedaagde] van de contractuele boete. Die boete bedraagt € 250 per dag vanaf 12 maart 2025, met een maximum van € 15.000. Dit maximum is op 11 mei 2025 bereikt. Verder maakt [eisende partij] aanspraak op wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten, beslag- en proceskosten.
3.3.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eisende partij] toegewezen behalve de beslagkosten en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten.
3.4.
[gedaagde] vordert in het verzet – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het verzet tegen het vonnis van 10 september 2025 gegrond verklaart;
- [gedaagde] ontheft van de verplichtingen die uit dat vonnis voortvloeien;
- [eisende partij] alsnog niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen of deze afwijst; en
- [eisende partij] veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld. De rechtbank zal daarom de vorderingen van [eisende partij] opnieuw beoordelen en daarbij de verweren van [gedaagde] betrekken.
[gedaagde] mocht zijn werkzaamheden niet opschorten en is in verzuim geraakt
4.2.
Voor toewijzing van de vorderingen van [eisende partij] is allereerst nodig dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten en vervolgens in verzuim is geraakt. Volgens [eisende partij] is [gedaagde] inderdaad in verzuim. Zij stelt dat [gedaagde] niet tijdig heeft opgeleverd en dat termijnen om alsnog na te komen niet zijn benut.
4.3.
[gedaagde] heeft niet betwist dat de werkzaamheden niet zijn afgemaakt. Maar volgens [gedaagde] mocht hij zijn werkzaamheden opschorten, omdat [eisende partij] weigerde een deelbetaling te doen voor door hem in de eerste twee weken verrichte werkzaamheden. Volgens [gedaagde] was [eisende partij] dus zelf in (schuldeisers)verzuim.
4.4.
De rechtbank volgt dit verweer niet. Het beroep op opschorting gaat niet op. In de eigen offerte van [gedaagde] is namelijk vermeld dat de aanneemsom van € 4.880 bij afronding van de werkzaamheden zou worden betaald (zie 2.3) en dit is ook expliciet vastgelegd in artikel 6 van Pro de aannemingsovereenkomst (zie 2.4). [eisende partij] mocht daarvan uitgaan. Het feit dat in artikel 9 sub Pro 15 van de aannemingsovereenkomst een andere regeling is opgenomen, maakt dit niet anders. Van die algemeen verwoorde regeling wordt in artikel 6 afgeweken Pro met een specifieke afspraak die in overeenstemming is met de offerte. En dat die afwijkende afspraak is gemaakt valt ook goed te verklaren uit de gang van zaken waarbij het resterende werk van de gefailleerde [naam] door [gedaagde] zou worden afgemaakt.
4.5.
[gedaagde] kon dus pas bij oplevering van de werkzaamheden aanspraak maken op betaling en hij mocht zijn werkzaamheden dus niet opschorten in afwachting van een deelbetaling. Voor zover [gedaagde] dit zelf niet heeft begrepen omdat hij de Nederlandse taal niet beheerst, zoals hij heeft aangevoerd, komt dat voor zijn rekening. [eisende partij] mocht ervan uitgaan dat [gedaagde] wist wat er in zijn eigen offerte stond, ook al was dit een aangepaste versie van de offerte van [naam]. Daar komt bij dat [eisende partij] heeft betwist dat [gedaagde] na twee weken om een deelbetaling heeft verzocht. Er is ook geen deelfactuur gestuurd. Het lijkt er dus op dat [gedaagde] daar zelf eerder ook niet van is uitgegaan.
4.6.
De conclusie is dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming in de overeenkomst en in verzuim is geraakt.
[eisende partij] kan zowel aanspraak maken op schadevergoeding als op de contractuele boete.
4.7.
[eisende partij] vordert vanwege de toekenbare tekortkoming van [gedaagde] zowel vervangende schadevergoeding als betaling van de overeengekomen en verbeurde contractuele boete. De rechtbank zal eerst beoordelen of de overeengekomen contractuele boete al dan niet in de plaats komt van de gevorderde vervangende schadevergoeding, omdat [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eisende partij] niet op allebei aanspraak kan maken.
4.8.
Artikel 14 lid 3 van Pro de aannemingsovereenkomst is een boetebeding in de zin van artikel 6:92 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Uit dat artikel volgt dat een schuldeiser niet naast of in plaats van de boete schadevergoeding kan vorderen. Als een boete is overeengekomen moet die boete worden betaald en bestaat geen recht meer op schadevergoeding. Artikel 6:92 BW Pro is echter van regelend recht. Partijen kunnen een andere afspraak maken. Volgens [eisende partij] was hier de insteek van de aannemingsovereenkomst dat zowel een boete als een schadevergoeding zou kunnen worden gevorderd. De boete was volgens [eisende partij] bedoeld als prikkel tot nakoming.
4.9.
Of partijen een afwijkende afspraak hebben gemaakt zoals [eisende partij] stelt, is een kwestie van uitleg. Het gaat er daarbij om hoe partijen in de gegeven omstandigheden elkaars verklaringen en gedragingen moesten begrijpen en wat zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In deze zaak zijn geen nadere stukken overgelegd waaruit de bedoelingen van partijen kunnen blijken. De bewoordingen van de aannemingsovereenkomst duiden er echter op dat de boete inderdaad, zoals [eisende partij] heeft gesteld, als prikkel tot nakoming was bedoeld. Er moet immers per dag een boete worden betaald ‘totdat het probleem naar tevredenheid van de opdrachtgever is verholpen’. Daar komt bij dat in de aannemingsovereenkomst meteen na het boetebeding in lid 4 een aparte bepaling over vergoeding van schade is opgenomen (zie 2.4). Dat wijst erop dat is bedoeld dat in geval van een toerekenbare tekortkoming zowel aanspraak kan worden gemaakt op een boete als op schadevergoeding. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat in deze zaak de contractuele boete niet in de plaats van, maar naast de schadevergoeding komt, en beide dus naast elkaar toewijsbaar zijn.
de boete wordt gematigd
4.10.
De rechtbank ziet wel reden tot matiging van de boete. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat de gevorderde boete disproportioneel is. Voor het afmaken van de werkzaamheden zou [gedaagde] nog € 4.880 inclusief btw ontvangen. De boete die in de oorspronkelijke overeenkomst met [naam] was gemaximeerd tot € 15.000 (circa de hoogte van de aanneemsom in die overeenkomst), is niet aangepast in de met [gedaagde] gesloten overeenkomst en is meer dan driemaal zo hoog als de overeengekomen vergoeding voor de (resterende) werkzaamheden. Dit staat niet met elkaar in verhouding.
4.11.
Verder is van belang dat [eisende partij] , zoals hierna zal worden overwogen, haar schade volledig vergoed zal krijgen. In dat kader zal zij al € 10.342,19 toegewezen krijgen. Als [eisende partij] daarnaast ook de gevorderde € 15.000 aan boete toegewezen zou krijgen is dat onbillijk. Dat staat niet in verhouding tot de tekortkoming van [gedaagde] . Bovendien zal alleen al de toewijzing van het schadebedrag dat meer dan tweemaal de overeengekomen aanneemsom bedraagt, al zwaar op de eenmanszaak van [gedaagde] drukken.
4.12.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden vereist de billijkheid klaarblijkelijk matiging van de boete tot € 5.000.
4.13.
De wettelijke rente over de contractuele boete wordt zoals gevorderd toegewezen vanaf 11 mei 2025.
de gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen
4.14.
[eisende partij] heeft vier offertes van aannemers overgelegd, waaruit volgt wat deze aannemers in rekening zouden brengen voor het afmaken van de werkzaamheden. De kosten komen gemiddeld uit op € 15.222,91. [eisende partij] heeft dit bedrag als schade gevorderd onder verrekening (in de omzettingsverklaring) van de overeengekomen aanneemsom van € 4.880. Zij vordert dus € 10.342,91 (in het petitum: € 10.342,
19) als vervangende schadevergoeding. [gedaagde] heeft aangevoerd dat door de aannemers werkzaamheden zijn geoffreerd die buiten de werkzaamheden vallen die door hem zouden worden verricht. Dit is door [eisende partij] ter zitting echter weersproken en volgt op het eerste gezicht ook niet uit de offertes. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om specifieker aan te geven welke werkzaamheden dit dan zouden zijn en welk bedrag dan volgens hem in mindering zou moeten komen. Omdat hij dit heeft nagelaten, wordt zijn verweer als onvoldoende gemotiveerd verworpen. De vordering van [eisende partij] wordt toegewezen op het door haar gevorderde bedrag van € 10.342,19.
4.15.
De wettelijke rente over de schadevergoeding wordt toegewezen vanaf 12 mei 2025, omdat [eisende partij] bij brief van die datum voor het eerst aanspraak heeft gemaakt op vervangende schadevergoeding in plaats van op nakoming.
de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
4.16.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eisende partij] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eisende partij] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.028,42 worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, dus vanaf 18 juli 2025.
de gevorderde beslagkosten worden niet toegewezen
4.17.
In het verstekvonnis is overwogen dat het beslag nietig moet worden geacht, omdat gesteld noch gebleken is dat de dagvaarding aan de derde (ABN AMRO Bank N.V.) is betekend binnen de termijn van acht dagen, die in artikel 721 Wetboek Pro van burgerlijke rechtsvordering op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Die stukken zijn ook niet alsnog overgelegd, zodat het oordeel van de rechtbank op dit punt ongewijzigd blijft.
het verstekvonnis wordt vernietigd
4.18.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank onder meer voor wat betreft de contractuele boete tot een andere beslissing komt dan in het verstekvonnis. Het verstekvonnis wordt daarom vernietigd, waarbij de toewijsbare vorderingen in dit vonnis zullen worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.19.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 149,02
- griffierecht
1.043,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.053,00
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 10 september 2025 met zaaknummer C/13/773995/ HA ZA 25-1380 en opnieuw beslissend:
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 5.000, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 11 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 10.342,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 12 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.028,42 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 18 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.053 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.