Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
’ zou bezitten – kan, juist gelet op diezelfde omstandigheden, ook niet als afdoende worden beschouwd. Zoals hieronder nader toegelicht, had [gedaagde] reeds Series B-aandelen aan cliënte moeten uitgeven. (…)
cliënte heeft EUR 3 miljoen betaald;
[gedaagde] heeft het bedrag geaccepteerd en bij een groepsvennootschap besteed; en
de heer [naam 2] is feitelijk erkend als commissaris op voordracht van cliënte, conform artikel 4.1(d) van de SHA.
3.Het geschil in de hoofdzaak
in escrowgeplaatst, maar direct aangewend. Ook heeft zij niet naar rato preferente (Series-B) aandelen uitgegeven. Nu [gedaagde] de betalingen zelf niet heeft aangemerkt als investering conform de SSA, kunnen de betalingen niet anders worden geduid dan als een niet op schrift gestelde geldlening. Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat sprake is van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW Pro.
4.Het geschil in het incident
5.De beoordeling in het incident
“any dispute or controversy arising out of or relating to this Agreement or any related agreement, or the breach, termination or invalidity”aan arbitrage is onderworpen. Dit geschil tussen partijen valt daar ook onder waardoor de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren, aldus [gedaagde] .
in escrowheeft geplaatst, niet naar rato aandelen heeft uitgegeven en geen arbitrage is gestart voor de nakoming van de SSA, maakt het feitencomplex niet anders. Alle omstandigheden rondom de betalingen van [eiser] aan [gedaagde] die [eiser] in deze procedure terugvordert, wijzen op een connectie met de SSA.
directvoortvloeien uit de betreffende overeenkomsten onder de geschillenregelingen vallen. En omdat dit geschil volgens [eiser] niet rechtstreeks verband houdt met de SSA, valt het daarmee niet onder de arbitrageregeling. Die stelling gaat niet op. Het huidige geschil houdt rechtsreeks verband met de SSA en van enige overlap met de SPA is niet gebleken.