De eiser had het exclusieve gebruiksrecht van een recreatiebungalow op een recreatieterrein van de gedaagde vereniging. De vereniging weigerde medewerking aan de overdracht van dit gebruiksrecht aan een derde zolang de eiser niet de bamboe in zijn tuin zou verwijderen. De rechtbank oordeelde dat deze voorwaarde niet was gebaseerd op de overeenkomst of reglementen en derhalve onrechtmatig was.
De rechtbank stelde vast dat de vereniging onrechtmatig handelde door de medewerking aan de overdracht te koppelen aan het verwijderen van bamboe, terwijl de eiser hiervoor niet verantwoordelijk was. De vordering tot schadevergoeding van de eiser werd toegewezen en verwezen naar een schadestaatprocedure. De reconventionele vordering van de vereniging tot vergoeding van verwijderingskosten werd afgewezen omdat de eiser niet aansprakelijk was voor de bamboe.
De rechtbank oordeelde verder dat de vertraging in het verkoopproces en de vernieling van de siertuin door graafwerkzaamheden mogelijk schade veroorzaakten. De vereniging werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en nakosten. De uitspraak werd gedaan door rechter B.M. Visser op 15 april 2026.