Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3940

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
25/1567
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:20e AwbArt. 4:100 AwbArt. 2.49 APV 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van voorwaarden aan vergunning voor optreden als straatartiest

Eiser heeft een vergunning aangevraagd om als straatartiest op te treden met een cirkelshow, inclusief het gebruik van versterkte muziek en een langere optredensduur dan toegestaan. De vergunning werd van rechtswege verleend nadat verweerder niet binnen de beslistermijn had beslist. Verweerder stelde standaardvoorwaarden uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) aan de vergunning, waaronder beperkingen op de duur van het optreden en het gebruik van geluidsversterking.

Eiser betoogde dat de vergunning conform de aanvraag had moeten worden verleend en dat het gebruik van een spraakversterker al gedoogd werd, waardoor vergunning niet nodig was. De rechtbank oordeelde dat een van rechtswege verleende vergunning niet automatisch conform de aanvraag is en dat de standaardvoorwaarden uit de APV terecht aan de vergunning zijn verbonden. Het eerdere gedoogbeleid is inmiddels vervallen.

Daarnaast stelde eiser beroep niet-tijdig in tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk, maar kende wel een proceskostenvergoeding toe vanwege de overschrijding van de beslistermijn. Verweerder is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de dwangsom en de proceskostenvergoeding. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning is ongegrond verklaard en verweerder is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1567
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de burgemeester van [plaats] ,verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser voor een vergunning om als straatartiest op te treden. Eiser is het niet eens met de aan die vergunning gekoppelde voorwaarden. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan de vergunning gekoppelde voorwaarden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover dit ziet op de verleende vergunning, ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een vergunning om als straatartiest te mogen optreden met een zogeheten cirkelshow. Op 4 juli 2024 is de vergunning, nadat de beslistermijn was verstreken en nadat eiser een beroep niet-tijdig had ingediend, van rechtswege verleend. Verweerder heeft op 8 augustus de van rechtswege verleende vergunning bekend gemaakt. Eiser heeft daartegen bezwaar ingesteld omdat de vergunning niet conform de aanvraag is verleend. Omdat verweerder niet binnen de daarvoor geldende termijn een beslissing op bezwaar nam, heeft eiser ook in deze fase een beroep niet-tijdig ingediend. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder vervolgens het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft getracht door middel van een beeldverbinding deel te nemen aan de zitting, maar door technische problemen is dit niet gelukt. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser diens standpunten genoegzaam aan hem kenbaar heeft gemaakt, waardoor de zitting kan plaatsvinden.
Beoordeling door de rechtbank

De vergunning

6. Eiser heeft een vergunning gevraagd om als straatartiest te mogen optreden. Het betreft een aanvraag voor een zogeheten ‘cirkelshow straattheater’. Eiser vraagt:
• een maximaal toegestane totale tijdsduur van 45 minuten per optreden,
• een maximum aantal optredens van twee optredens per dag op dezelfde plek,
• toestemming om gebruik te mogen maken van een éénwielfiets en vuurtoortsen,
• toestemming om gebruik te mogen maken van geluidsversterking voor spraak
(gedurende de gehele show niet hoger dan 74 dB(a)) en muziek (gedurende maximaal 3 minuten),
• overigens zonder restricties betreffende dagen, tijden en plekken.
7. De vergunning is aan eiser van rechtswege verleend nadat verweerder niet binnen de beslistermijn op de aanvraag had beslist. Aan deze vergunning zijn standaardvoorwaarden gekoppeld, voortvloeiend uit de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV). Voor zover hier van belang had eiser, anders dan is vergund, gevraagd om ook versterkte muziek af te spelen voor de duur van drie minuten. Daarnaast had eiser gevraagd om 45 minuten te kunnen optreden, bestaande uit een voorbereidingstijd van tien minuten en een daadwerkelijke show 35 minuten. Conform de verleende vergunning mag eiser 30 minuten optreden, exclusief tien minuten die bedoeld zijn voor het opbouwen van de show.
8. Eiser voert aan dat de lex silencio positivo van kracht is. Hij vroeg een vergunning aan, maar binnen de beslistermijn van deze aanvraag werd door verweerder niet gereageerd. De vergunning is daarom van rechtswege verleend. Eiser voert aan dat het leerstuk van de lex silencio positivo ertoe leidt dat een bestuursorgaan bij een van rechtswege verleende vergunning die vergunning in beginsel conform aanvraag wordt verleend. Dit kan anders zijn op grond van artikel 4.20e van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van standaardvoorschriften die in een desbetreffende vergunning worden opgenomen. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de in artikel 2.49, derde lid van de APV opgesomde omstandigheden presenteert als standaardvoorschriften. De vergunning kent voor eiser geenszins meerwaarde nu al hetgeen hij op grond van de vergunning mag, hij ook zonder vergunning mag uitvoeren. Voor zover het gaat om het gebruik van een spraakversterker, had dit ook niet vergund hoeven worden, nu dit reeds is toegestaan op grond van gedoogbeleid uit 2010 van toenmalig burgemeester Job Cohen.
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan het gestelde in het derde lid van artikel 2.49 van de APV. Eiser wenst gebruik te maken van een spraakversterker, wenst gedurende drie minuten versterkte muziek ten gehore te brengen en wenst zijn optreden 45 minuten te laten duren. Anders dan eiser stelt, betekent een van rechtswege verleende vergunning niet automatisch dat deze is verleend conform de aanvraag.
10. De rechtbank is van oordeel dat aan de van rechtswege verleende vergunning geen onredelijke voorwaarden verbonden zijn. Uit artikel 4:20e van de Awb volgt dat indien in een wettelijk voorschrift of beleidsregel bepaalde voorschriften zijn opgenomen, deze ook deel uitmaken van een van rechtswege verleende beschikking. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat trage besluitvorming, met een van rechtswege verleende vergunning als gevolg, voor de maatschappij onwenselijke gevolgen met zich brengt. De uit de APV, meer in het bijzonder uit artikel 2.49 van de APV volgende voorschriften, konden daarom worden verbonden aan de van rechtswege verleende vergunning. De stelling van eiser dat het gebruik van een spraakversterker niet vergund had hoeven worden omdat dit in 2010 door toenmalig burgemeester Cohen werd gedoogd, wordt door de rechtbank ook niet gevolgd. Voor zover er destijds sprake was een gedoogbeleid, heeft verweerder nadien beleid gemaakt waaruit volgt dat voor het gebruik van een spraakversterker wel een vergunning vereist is. Een eventueel gedoogbeleid is daarmee vervallen.
10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser voor dit deel van de procedure niet in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten. Evenmin komt eiser in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht.

Beroep niet-tijdig en rente over dwangsom

12. Eiser heeft op 6 maart 2025 een beroep niet-tijdig ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Doordat verweerder thans al heeft beslist, heeft eiser geen belang meer bij het beroep niet-tijdig. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk.
13. Eiser heeft echter wel terecht een beroep-niet tijdig ingesteld, want verweerder heeft pas na het instellen van dit beroep beslist. Dit betekent dat eiser voor dit deel van de procedure een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat het hier alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Het griffierecht krijgt eiser niet terug. Er is slechts éénmaal griffierecht betaald terwijl er twee beroepen zijn.
14. Het bestreden besluit was dus buiten de geldende beslistermijn genomen. Inmiddels is bij besluit van 22 januari 2026 de maximale dwangsom van
€ 1.442,- vastgesteld. Ter zitting is vastgesteld dat dit bedrag op 2 maart 2026 daadwerkelijk is betaald. Niet is in geschil dat verweerder aan eiser wettelijke rente is verschuldigd. Artikel 4:100 van Pro de Awb bepaalt immers dat de wettelijke rente ingaat vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan in verzuim zou zijn geweest indien het de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou hebben gegeven. Hiermee is bedoeld dat de rente gaat lopen vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan met de betaling in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn vastgesteld en bekendgemaakt. Gelet hierop is wettelijke rente verschuldigd vanaf 2 september 2025 tot 2 maart 2026.
15. In het bestreden besluit was door verweerder verder een dwangsom van € 184,- vastgesteld. Verweerder overwoog dat hierover geen wettelijke rente verschuldigd was. Ter zitting is verweerder hierop dus teruggekomen. De rechtbank is, ook hier met partijen, van oordeel dat verweerder wettelijke rente verschuldigd is over de dwangsom van € 184,- vanaf 4 oktober 2024 tot de algehele dag der voldoening.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond, respectievelijk niet-ontvankelijk. Eiser krijgt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen een vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • verklaart het beroep niet-tijdig niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van de wettelijke rente over de dwangsom á
€ 1.442,- vanaf 2 september 2025 tot 2 maart 2026;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de wettelijke rente over de dwangsom á
€ 184,- vanaf 4 oktober 2024 tot de algehele dag der voldoening;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.