Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3959

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/13/774046 / HA ZA 25-1390
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring voor recht onrechtmatig handelen gemeente en proceskostenveroordeling

In deze civiele procedure vordert eiseres een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door haar onterecht een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van de Huisvestingsverordening 2016. Eiseres verhuurde in 2018 een deel van haar woning als bed & breakfast en stopte met de exploitatie na de opgelegde bestuursdwang, waardoor zij inkomsten misliep.

De gemeente voerde verweer dat eiseres geen voldoende belang had bij de vordering omdat zij geen schade concreet vorderde en dat de verklaring voor recht onvoldoende bepaald was. Daarnaast stelde de gemeente dat het causaal verband ontbrak en dat er sprake was van eigen schuld. De rechtbank oordeelt dat het belang van eiseres voldoende is omdat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, mede doordat zij is gestopt met de bed & breakfast.

De rechtbank verklaart voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij alle schade die hieruit voortvloeit dient te vergoeden. De inhoud van de verklaring betreft alleen de onrechtmatigheid en de mogelijkheid van schade, niet de omvang of toewijzing van schadevergoeding. De gemeente wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.973,42 en wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeelt de gemeente tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/774046 / HA ZA 25-1390
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.A.A. van Tongeren,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] van 31 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord van de Gemeente van 22 oktober 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij mondelinge behandeling is bepaald en op grond van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan [eiseres] is bevolen haar schade te begroten en te onderbouwen,
- de akte uitlating van [eiseres] van 24 december 2025,
- de akte uitlating van de Gemeente van 21 januari 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In 2018 verhuurde [eiseres] een gedeelte van haar toenmalige woning aan de [adres] (hierna: de woning) als bed & breakfast.
2.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 20 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) een bestuurlijke boete ter hoogte van € 20.500,00 wegens overtreding van de Huisvestingsverordening 2016 en een last onder dwangsom ter hoogte van € 50.000,00 ineens (als die overtreding niet binnen een week zou zijn gestaakt) aan [eiseres] opgelegd. Tegen deze besluiten heeft [eiseres] bezwaar gemaakt.
2.3.
De Gemeente heeft de bezwaren van [eiseres] in haar besluiten op bezwaar van 2 april 2019 ongegrond verklaard. Tegen die besluiten is [eiseres] vervolgens in beroep gegaan.
2.4.
De rechtbank Amsterdam, afdeling bestuursrecht, heeft [eiseres] bij uitspraak van 13 augustus 2021 in het gelijk gesteld en geoordeeld dat de Gemeente geen boete en last onder dwangsom aan [eiseres] mocht opleggen. De rechtbank heeft de bestreden besluiten wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en de primaire besluiten van 20 december 2018 herroepen.
2.5.
Bij uitspraak van 15 maart 2023 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.
2.6.
Op 4 september 2023 heeft [eiseres] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Hierna heeft op 17 januari 2024 telefonisch contact plaatsgevonden tussen [eiseres] en de verzekeraar van de Gemeente. Vervolgens is [eiseres] de onderhavige procedure gestart.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] en de schade die hieruit voortvloeit dient te vergoeden;
II. de Gemeente veroordeelt in de proceskosten van [eiseres] .
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar ten onrechte een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom op te leggen. Het is aannemelijk dat [eiseres] hierdoor tenminste enige schade heeft geleden. [eiseres] is als gevolg van de bestuursdwang van de Gemeente immers gestopt met het uitoefenen van haar bed & breakfast, waardoor zij inkomsten is misgelopen. Daarnaast stelt [eiseres] dat zij de woning onder de marktwaarde heeft moeten verkopen en dat zij kosten heeft gemaakt in het traject van bezwaar en beroep. Omdat er in deze procedure geen schadevergoeding, maar enkel een verklaring voor recht betreffende het onrechtmatig handelen van de Gemeente wordt gevorderd, hoeft [eiseres] haar schade niet verder te onderbouwen.
3.3.
De Gemeente voert verweer. Primair voert de Gemeente aan dat [eiseres] geen rechtens te respecteren belang heeft bij deze procedure in de zin van artikel 3:303 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat zij geen schade vordert. Bovendien is de gevorderde verklaring voor recht onvoldoende bepaald om een verweer op te baseren. Toewijzing van de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht zou ertoe leiden dat de Gemeente gehouden is iedere door [eiseres] op te werpen schade te vergoeden, zonder dat die schade is onderbouwd of is beoordeeld of die schade voor toewijzing in aanmerking komt. Subsidiair stelt de Gemeente dat niet aan alle vereisten van onrechtmatige daad is voldaan omdat het causaal verband ontbreekt, de schade niet is onderbouwd en niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Meer subsidiair voert de Gemeente nog aan dat aan de zijde van [eiseres] sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW Pro. De Gemeente concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Het belang van [eiseres] bij haar vordering
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van de Gemeente is dat [eiseres] onvoldoende belang heeft bij deze procedure en daarom niet-ontvankelijk is in haar vordering tot verklaring voor recht. De rechtbank volgt de Gemeente daarin niet. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.2.
Artikel 3:303 BW Pro bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. In het vereiste van voldoende belang ligt besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging. Indien, zoals in onderhavig geval, een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, dient de rechter ervan uit te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat geldt ook als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. [1]
4.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de besluitvorming van de Gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig is geweest en dat deze onrechtmatige gedraging aan de Gemeente kan worden toegerekend. De vraag die voorligt is of de mogelijkheid dat [eiseres] hierdoor schade heeft geleden voldoende aannemelijk is.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] , nadat de Gemeente haar de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom oplegde, is opgehouden met het uitoefenen van haar bed & breakfast. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij hierdoor inkomsten heeft gemist. De Gemeente heeft daartegen ingebracht dat [eiseres] niet volledig had hoeven stoppen met de bed & breakfast, maar dat zij in plaats daarvan ook de keuken van de bed & breakfast had kunnen aanpassen. Had zij dat gedaan, dan waren de kosten die met die bouwkundige aanpassingen gepaard gingen, wellicht aan te merken als schade die de Gemeente aan [eiseres] had moeten vergoeden. Dat is alleen niet gebeurd. De schade die nu wordt gesteld, staat niet in causaal verband tot de besluiten van de Gemeente. Er is daarmee geen sprake van aannemelijkheid van schade, aldus nog steeds de Gemeente.
4.5.
De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiseres] mogelijk schade heeft geleden als gevolg van de besluiten van de Gemeente. [eiseres] heeft immers toegelicht dat zij ten gevolge van de twee besluiten is opgehouden met het uitoefenen van haar bed & breakfast en dat zij hierdoor inkomsten is misgelopen. Nog los van de vraag of het van [eiseres] gevergd kan worden om bouwkundige aanpassingen aan de bed & breakfast te verrichten die niet nodig waren, is ook in het geval dat zij die bouwkundige aanpassingen wel zou hebben verricht de mogelijkheid tot enige inkomstenderving aannemelijk tijdens het uitvoeren van deze bouwkundige aanpassingen. In hoeverre de schade beperkter van omvang had kunnen blijven door de bouwkundige aanpassingen is een vraag die in deze procedure niet voorligt. In deze procedure wordt immers enkel een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] en dient slechts te worden beoordeeld of de mogelijkheid van schade ten gevolge daarvan aannemelijk is. Die drempel is naar het oordeel van de rechtbank gehaald.
4.6.
Omdat de drempel voor aannemelijkheid van schade met de door [eiseres] gestelde inkomensderving wordt behaald, behoeven de andere mogelijke schadeposten (met betrekking tot waarde van de verkochte woning en de kosten voor bezwaar en beroep) geen bespreking meer.
De inhoud van de verklaring voor recht
4.7.
Dit betekent dat de verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig tegenover [eiseres] heeft gehandeld en alle schade die hieruit voortvloeit dient te vergoeden kan worden toegewezen. Met die verklaring voor recht wordt alleen uitspraak gedaan over de onrechtmatigheid van de gedragingen van de Gemeente, maar nog geen oordeel geveld of, en zo ja, welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het is dus ook uitdrukkelijk niet zo dat – zoals wel door de Gemeente is gesteld – met deze verklaring voor recht aansprakelijkheid voor alle denkbare schade is gegeven. In dit vonnis heeft de rechtbank slechts vastgesteld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. In een (eventuele) opvolgende schadeprocedure kunnen partijen verder debatteren over de vraag of aan de overige vereisten voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure niet toekomt aan de beoordeling van het causaal verband, de aanwezigheid van schade en of is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Ook het beroep van de Gemeente op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW Pro zal pas in die procedure per schadepost aan de orde komen.
Proceskosten
4.8.
De Gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punt × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.973,42
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de Gemeente onrechtmatig tegenover [eiseres] heeft gehandeld en alle schade die hieruit voortvloeit dient te vergoeden,
5.2.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van € 1.973,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de Gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760.