Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3966

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
13/350896-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verkrachting van twaalfjarig meisje met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Amsterdam heeft op 15 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een negentienjarige verdachte die werd beschuldigd van verkrachting van een twaalfjarig meisje op 23 december 2025. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, waarbij de feitelijke leeftijd van het slachtoffer doorslaggevend was.

De verdachte heeft het feit bekend en er was geen verweer tegen het bewijs. De rechtbank benadrukte dat verdachte had moeten onderzoeken hoe oud het meisje daadwerkelijk was en dat hij zijn eigen lustgevoelens boven de belangen van het slachtoffer stelde. De impact op het slachtoffer is groot, zoals blijkt uit een slachtofferverklaring van de moeder.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die geen strafblad heeft en gemotiveerd is voor behandeling, en het matige tot lage recidiverisico. Daarom werd een gevangenisstraf van 365 dagen opgelegd, waarvan 310 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 180 uur. Daarnaast zijn bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf, waarvan 310 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 180 uur wegens verkrachting van een twaalfjarig meisje.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/350896-25
Datum uitspraak: 15 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Bont en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.C. Jonge Vos naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat
hij, op of omstreeks 23 december 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft verdachte meermalen, in elk geval eenmaal,
  • die [slachtoffer] gezoend, en/of
  • de borsten van die [slachtoffer] vastgepakt en/of betast, en/of
  • zijn vinger(s) in/rondom de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) (vervolgens) heen en weer bewogen, en/of
  • zijn penis in/op de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en/of (vervolgens) heen en weer bewogen.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Standpunten van partijen

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.

5.Oordeel van de rechtbank

Artikel 248 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt het verrichten van seksuele handelingen, die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met een kind in de leeftijd van 12 tot 16 jaar strafbaar. Dit wordt gekwalificeerd als verkrachting. Onder de Wet Seksuele Misdrijven (die in werking is getreden op 1 juli 2024) is voor een kwalificatie van verkrachting niet langer relevant of sprake is geweest van dwang. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd, wat betekent dat de feitelijke leeftijd op het moment van het handelen doorslaggevend is, ongeacht of de verdachte wist of vermoedde dat het slachtoffer nog geen 16 jaar was.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van de twaalfjarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Verdachte heeft het feit bekend en zijn raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 april 2026;
  • het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] van 30 december 2025, pagina 20.

6.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
op 23 december 2025 te Amsterdam, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft verdachte
  • die [slachtoffer] gezoend, en
  • de borsten van die [slachtoffer] betast, en
  • zijn vingers in/rondom de vagina van die [slachtoffer] gebracht en zijn vingers (vervolgens) heen en weer bewogen, en
  • zijn penis in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht en vervolgens heen en weer bewogen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

9.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft ook gevorderd de in het reclasseringsrapport van 17 maart 2026 geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen.
9.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden en de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen. Dit zou ertoe moeten leiden dat aan verdachte hoogstens een gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan de duur van het al ondergane voorarrest.
9.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Artikel 248 lid 1 Sr Pro heeft als doel om minderjarigen, die nog aan het begin van hun seksuele ontwikkeling staan, te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden geacht op seksueel gebied nog niet volgroeid te zijn en niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Daarom moeten zij beschermd worden tegen blootstelling aan seksuele contacten of seksueel gedrag dat niet past binnen een normale seksuele ontwikkeling.
Dat verdachte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de werkelijke leeftijd van [slachtoffer] kan hem dan ook worden verweten. Hij had dienen te achterhalen hoe oud [slachtoffer] in werkelijkheid was voordat hij (in dit geval vergaande) seksuele handelingen met haar verrichte. Hij heeft daarentegen kennelijk zijn eigen lustgevoelens boven de belangen van [slachtoffer] gesteld en daarmee inbreuk gemaakt op de rechtsbescherming van de minderjarige [slachtoffer] tegen seksuele handelingen van welke aard dan ook, welke rechtsbescherming om voornoemde redenen ook geldt als deze handelingen met instemming van haar zouden hebben plaatsgevonden. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . De psychische gevolgen van feiten als deze kunnen voor een slachtoffer, zo is ook algemeen bekend, groot zijn. Uit de op de terechtzitting van 1 april 2026 voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer] is gebleken dat wat er is gebeurd een grote impact op [slachtoffer] heeft gehad en dat zij daar nog dagelijks psychisch nadelige gevolgen van ondervindt.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 18 februari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Uit het reclasseringsrapport van 17 maart 2026 komt naar voren dat verdachte zijn leven in grote lijnen op orde heeft. Hij volgt een MBO-opleiding en werkt als woonondersteuner in een verzorgingstehuis, waarmee hij voldoende inkomsten genereert. Hij woont nog bij zijn ouders en zijn betrokken en steunende familie en zijn sociale netwerk worden als beschermende factoren gezien. Dat verdachte meer dan gemiddeld voor zijn leeftijd bezig lijkt te zijn met seksualiteit, wordt wel als een risicofactor gezien. Het is volgens de reclassering wenselijk dat er meer zicht wordt verkregen op de herkomst van zijn (delict)gedrag en dat er kan worden gewerkt aan een gezonde seksualiteit. Verdachte staat in dat kader inmiddels op de wachtlijst voor een behandeling bij De Waag. Het is positief dat hij inzicht toont in zijn gedrag, openheid geeft over zijn belevingswereld en gemotiveerd is voor behandeling. Er kan volgens de reclassering op een goede manier gewerkt worden aan risicovermindering binnen een begeleidingstraject van de reclassering. Het recidiverisico wordt ingeschat op matig tot laag.
Ter zitting heeft verdachte verantwoording afgelegd over zijn handelen en zijn spijt betuigd. Hij heeft verklaard dat hij erg is geschrokken van het feit dat [slachtoffer] pas 12 jaar oud was en erkend dat hij haar leeftijd had moeten controleren. Hij is bereid om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Straf
Buiten discussie staat dat verdachte verkeerd heeft gehandeld. Hoewel het feit zeer kwalijk is en een grote impact op het leven van [slachtoffer] heeft (gehad), heeft de rechtbank bij de bepaling van de op te leggen straf niet alleen vergelding maar ook de speciale preventie voor ogen. Alles afwegende vindt de rechtbank het niet passend om aan verdachte een langere gevangenisstraf op te leggen dan die hij reeds heeft ondergaan in het kader van het voorarrest. Hierin laat de rechtbank, naast dat zij niet de indruk heeft dat verdachte bewust op zoek is geweest naar een minderjarig meisje, ook meewegen dat verdachte zelf ook nog jong was op het moment dat het bewezenverklaarde zich afspeelde. Bovendien is verdachte een first offender, is hij ook sindsdien niet opnieuw in aanraking geweest met de politie en wordt het recidiverisico door de reclassering als matig tot laag ingeschat. Een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, is passend en geboden. De rechtbank acht het van belang dat verdachte wordt geholpen bij het krijgen van meer inzicht in hoe hij om moet gaan met seksualiteit en dat hij daartoe de behandeling ondergaat waarvoor hij al is aangemeld. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen daarom de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, met uitzondering van de voorwaarde “vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik”, omdat de rechtbank van oordeel is dat door de reclassering onvoldoende is gemotiveerd waarom het opleggen van deze voorwaarde noodzakelijk is met het oog op recidivebeperking.
Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet slechts met deze straf kan worden volstaan. Daarom zal aan verdachte daarnaast een taakstraf van 180 uur worden opgelegd.

10.Beslag

Er ligt op dit moment nog strafvorderlijk beslag op:
  • een mobiele telefoon, Apple IPhone blauw (6754115);
  • een mobiele telefoon, Apple IPhone zwart (6754117);
  • een bedrag van € 1.000,- (dat is betaald als zekerheidsstelling voor de teruggave van de eerder onder verdachte in beslag genomen auto).
Deze mobiele telefoons en het geldbedrag behoren aan verdachte toe en dienen aan hem te worden teruggegeven.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
 Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
310 (driehonderdtien) dagen, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de vervolgafspraken.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere cognitieve vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met: [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
 Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.
 Gelast de
teruggave aan veroordeeldevan de onder beslag liggende voorwerpen (twee mobiele telefoons (6754115 en 6754117) en het geldbedrag (€ 1.000,-)).

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en R.A. Sipkens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2026.