Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4007

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
26/1658
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 APV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting pand wegens overlast en drugshandel

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Amsterdam om een pand met daarin een sigarenzaak voor zes maanden te sluiten. De sluiting is gebaseerd op een bestuurlijke rapportage waarin sprake is van langdurige overlast door criminele jongeren, vermoedelijke handel in verdovende middelen vanuit het pand en een recente schietpartij in de directe omgeving.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of er sprake is van een zwaarwegend en spoedeisend belang. De burgemeester heeft de sluiting onderbouwd met een gedetailleerd rapport en de cumulatie van omstandigheden die de openbare orde ernstig aantasten.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen deel uitmaakt van de overlastgevende groep en dat hij schade lijdt door kwaliteitsvermindering van zijn voorraad en het ontbreken van inkomsten. Deze belangen zijn echter onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter acht het besluit rechtmatig en ziet geen reden om het te schorsen.

De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. De burgemeester wordt wel geacht regelmatig te toetsen of de sluiting nog noodzakelijk is. Het verzoek om de sluiting op te heffen wordt afgewezen, en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het pand wordt afgewezen vanwege rechtmatigheid van het besluit en onvoldoende onderbouwd belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1658

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen

[bedrijf] (eenmanszaak van [verzoeker] ), uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder (de burgemeester)

(gemachtigden: mrs. M.I. Houben en M. Utlu).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van het pand met daarin gevestigd de onderneming ‘ [bedrijf] ’ voor de duur van zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de besluitvorming. Ook heeft verzoeker zijn belang voor toewijzing van de voorziening niet onderbouwd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 maart 2026 heeft de burgemeester het pand aan het [adres] met daarin gevestigd de onderneming ' [bedrijf] ' voor zes maanden gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Op 25 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een ordemaatregel te treffen afgewezen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van de burgemeester, verzoeker en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. De politie heeft naar aanleiding van een anonieme melding op 19 februari 2026 een onderzoek ingesteld in het pand aan het [adres] . De bevindingen zijn opgetekend in een bestuurlijke rapportage van 23 februari 2026. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van langdurige overlast van (criminele) jongeren uit de wijk, die zich verzamelen voor de sigarenzaak en zich ondermijnend en intimiderend opstellen. Verder is naar voren gekomen dat verzoeker behoort tot de overlast gevende groep en is een vermoeden van handel in verdovende middelen vanuit de sigarenzaak. Bij het onderzoek werd in de kleding van verzoeker een handelshoeveelheid (hard)drugs aangetroffen. Verder zijn in de sigarenzaak verpakkingsmaterialen aangetroffen, honderden verboden vapes, illegale sigaretten, sterke drank en grote hoeveelheden wijn en bier, zonder dat hiervoor een vergunning was, almede een envelop met contanten in biljetten van 50- en 20 euro. Uit het rapport blijkt verder dat op 24 januari 2026 een schietpartij voor de deur van de sigarenzaak heeft plaatsgevonden. Hierbij werd een van de jongeren in zijn been geschoten waarna hij de sigarenzaak invluchtte. Verzoeker heeft na de schietpartij alle sporen opgeruimd voordat de politie ter plaatse kwam.
4. De burgemeester heeft op basis van deze informatie op 23 maart 2026 het pand aan de [adres] voor de duur van zes maanden gesloten. [1] Volgens de burgemeester is sprake van een ernstige aantasting van de openbare orde en is het risico op herhaling groot. Een periode van rust is nodig om de openbare orde te herstellen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij in dit stadium (de bezwaarfase) een voorlopige voorziening zal treffen of sprake is van een zwaarwegend (en spoedeisend) belang aan de kant van verzoeker. Verder kan de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Als algemeen uitgangspunt geldt dat er in dit stadium geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van het pand rechtmatig acht.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester de bestuurlijke rapportage waarvan de bevindingen kort omschreven zijn onder rechtsoverweging 3. aan de sluiting ten grondslag heeft gelegd. Op de zitting hebben de gemachtigden van de burgemeester toegelicht dat de sluiting het gevolg is van de cumulatie van de hierboven beschreven omstandigheden. De enkele stelling van eiser dat hij geen deel uitmaakt van de groep, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen van het rapport en de rechtmatigheid van de daaropvolgende besluitvorming, zodat dit geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
7. Verzoeker stelt dat zijn belang tot het treffen van een voorziening is gelegen in de kwaliteitsvermindering van een onlangs aangeschafte voorraad sigaretten omdat deze niet op korte termijn kunnen worden verkocht en de omstandigheid dat hij geen inkomsten heeft terwijl zijn lasten doorlopen. Verzoeker heeft op de zitting verklaard dat een procedure in gang is gezet om de huurovereenkomst te ontbinden. Verzoeker heeft deze gestelde belangen echter niet onderbouwd. Alleen al hierom kan het aangevoerde niet leiden tot toewijzing van de verzochte voorziening.
8. Daarom zal de voorzieningenrechter geen voorziening treffen die ertoe strekt dat de sluiting onmiddellijk wordt opgeheven. Van de burgemeester mag wel worden verwacht dat zij, nadat zij tot sluiting is overgegaan, regelmatig nagaat of het voortduren van de sluiting nog noodzakelijk is en of de sluiting in het belang van de openbare orde en veiligheid nog opweegt tegen de nadelen voor verzoeker. Ook kan verzoeker een verzoek tot heropening doen.

Conclusie en gevolgen

9. De slotsom is dat de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de besluitvorming. Verder zijn de door eiser aangevoerde belangen niet onderbouwd. De voorziening komt ook om die reden niet voor toewijzing in aanmerking. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van 23 maart 2026 op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).