AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na uitspraak kinderrechter
De rechtbank Amsterdam heeft op 21 april 2026 uitspraak gedaan over een wrakingsverzoek van verzoeker, de vader van een minderjarige, gericht tegen mr. K.M. van Hassel, kinderrechter. Het wrakingsverzoek werd ingediend op 27 maart 2026, na de mondelinge uitspraak van de rechter op 25 maart 2026 in de onderliggende zaak.
De Wrakingskamer heeft vastgesteld dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend en dat verzoeker geen belang meer heeft bij het verzoek omdat de zaak niet langer bij de rechter in behandeling is. De rechtbank heeft daarom het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Er is geen mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek gehouden. Verzoeker wordt geadviseerd om tegen de uitspraak van de kinderrechter in hoger beroep te gaan indien hij het niet eens is met de beslissing.
De beslissing is genomen door voorzitter P.B. Martens en leden N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk op grond van artikel 39 lid 5 RvPro.
Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening na uitspraak.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Beslissing op het op 27 maart 2026 bij de rechtbank ingediende verzoek tot wraking en onder zaaknummer C/13/786557 / HA RK 26-134 ingeschreven van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. K.M. van Hassel, kinderrechter, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het wrakingsverzoek, ingediend bij de Centrale Balie van de rechtbank op 27 maart 2026 en op 14 april 2026 bij de Wrakingskamer ingekomen;
de schriftelijke reactie van de rechter van 17 april 2026.
1. De ontvankelijkheid van het verzoek
1.1.
De rechter heeft op 25 maart 2026 mondeling uitspraak gedaan in de zaak met zaaknummer C/13/784813 / JE RK 26-209, waar het wrakingsverzoek betrekking op heeft. Verzoeker is de vader van de betrokken minderjarige.
1.2.
Nu de zaak niet meer bij de rechter in behandeling is, heeft verzoeker geen belang meer bij zijn verzoek tot wraking van de rechter en zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. Als verzoeker het niet eens is met de uitspraak van de rechter zal hij daartegen in hoger dienen te gaan. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan achterwege blijven.
1.3.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken op 21 april 2026.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 RvPro geen voorziening open.