Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4155

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/13/786376 / HA RK 26-129
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die twee getuigen had toegelaten in een strafrechtelijk onderzoek. Verzoeker stelde dat de rechter-commissaris vooringenomen was door zijn rol en de wijze waarop hij het getuigenverhoor leidde, en dat de getuigen feitelijk als potentiële verdachten waren gehoord.

De rechter-commissaris had de vordering van de officier van justitie om de getuigen te horen toegewezen en zag geen aanleiding om van die beslissing terug te komen. De wrakingskamer overwoog dat een rechterlijke beslissing zelf geen grond voor wraking kan zijn en dat de motivering van die beslissing niet duidt op vooringenomenheid.

Ook de wijze waarop de rechter-commissaris het verhoor leidde, viel niet ter beoordeling aan de wrakingskamer. Verzoeker bracht geen feiten aan waaruit de schijn van partijdigheid blijkt. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 13 april 2026 ingekomen en onder rekestnummer C/13/786376 HA RK 26-129 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
wonende te [woonplaats] , Frankrijk
welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.J. Fehmers, rechter-commissaris te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
 het wrakingsverzoek met bijlagen van 13 april 2026,
 de reactie van de rechter met bijlage van 15 april 2026.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten

2.1.
Bij beslissing van 4 maart 2026 heeft de rechter de vordering van de officier van justitie om twee getuigen te horen in het strafrechtelijk onderzoek met parketnummer [nummer] toegewezen.
2.2.
Bij brief van 17 maart 2026 heeft verzoeker de rechter verzocht van deze beslissing terug te komen.
2.3.
Bij e-mail 19 maart 2026 heeft de griffier van de rechter geantwoord:
“De rechter-commissaris zal niet inhoudelijk reageren op uw brief. U kunt de zaak bespreken met een advocaat”en bij e-mail van 20 maart 2026: “
In aanvulling op mijn mail van 19 maart 2026 laat ik u namens de rechter-commissaris weten dat de officier van justitie het verhoor van de twee getuigen heeft gevorderd en dat de rechter-commissaris die vordering heeft toegewezen. De officier heeft mij desgevraagd bericht dat zich namens u geen advocaat heeft gesteld. Het staat u
uiteraard vrij om alsnog een advocaat in de arm te nemen en hem / haar te vragen bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn. Houdt u er bij de keuze van een advocaat wel rekening mee dat de verhoren al zijn gepland en dat hij dan tijd heeft. Als verdachte heeft u zelf geen toegang tot het verhoor.”
2.4.
Bij brief van 23 maart 2026 heeft verzoeker de rechter er nogmaals op gewezen dat hij geen idee had waarvan hij werd verdacht zolang het openbaar ministerie hem niet rechtstreeks had laten weten dat hij werd beschouwd als verdachte en dat hij geen gebruik zou maken van de uitnodiging om de verhoren te doen bijwonen door een advocaat.
2.5.
De getuigen zijn op 1 april 2026 gehoord.
2.6.
Bij brief van 7 april 2026 heeft verzoeker de rechter naar aanleiding van de wijze waarop de verhoren zijns inziens waren verlopen onder meer geschreven:
“De vraag is hoe nu verder. Voor wat betreft uw rol zie ik in dit verband drie opties: (1) u geeft vanaf nu op passende wijze en vooral ook naar eer en geweten invulling aan uw rol van rechter-commissaris, hetgeen onder meer betekent dat u erop toeziet dat het onderzoek in deze zaak wordt uitgebreid met (ten minste) de in het vorige punt genoemde aangiftes en er voorts voor zorgt, voor zover dat niet reeds het geval is, dat een ander parket de zaak overneemt van dat te Den Haag, (2) u dient een verschoningsverzoek in en laat zich aldus door een andere rechter-commissaris vervangen en (3) u laat de wrakingskamer weten dat ik bij deze een wrakingsverzoek tegen u heb ingediend nu u er met uw optreden in deze zaak meermaals blijk van heeft gegeven dat de rechterlijke onpartijdigheid bij u niet in goede handen is. Van deze drie opties heeft de eerste vanzelfsprekend mijn voorkeur. Ik verneem gaarne per omgaande of dat ook geldt voor u.”
2.7.
Naar aanleiding van deze brief heeft de rechter als volgt gereageerd:
“Ik heb uw brief in goede orde ontvangen. In reactie op uw vragen / opmerkingen:
(1) Als rechter-commissaris ga ik niet over de samenstelling van het procesdossier, dat is de taak van de officier van justitie. Zoals u weet is de zaak al overgedragen naar de rechtbank Amsterdam. Gronden om de zaak door weer een andere rechtbank te laten overnemen, ontbreken mijn inziens. Voor overdracht aan een ander parket, moet u bij het openbaar ministerie zijn.
(2) Ik zie in uw brief geen aanleiding om een verzoek tot verschoning in te dienen.
(3) Als u dat wil zal ik uw brief doorsturen naar de wrakingskamer met het verzoek die aan te merken als een verzoek tot wraking. Misschien is het goed om te weten dat mijn bemoeienis met deze zaak na het verhoren van de beide getuigen, in ieder geval voorlopig, is beëindigd. Ik wacht uw reactie af”.

2.Het verzoek

De twee getuigen zijn collega-bestuursleden met wie verzoeker samen het bestuur van een stichting vormt. Dat zij werden gehoord in het kader van een strafzaak tegen verzoeker betreffende de verdenking dat hij een rechter zou hebben bedreigd, bleek pas na het verhoor. In de dagvaarding die zij voor het getuigenverhoor hadden ontvangen was slechts sprake van “de strafzaak tegen [verzoeker]” en was een parketnummer vermeld.
De rechter heeft blijk gegeven van vooringenomenheid door de wijze waarop hij zijn rol heeft gepresenteerd aan de twee getuigen zoals beschreven in de brief van 7 april 2026. De rechter heeft het aan de getuigen doen voorkomen alsof hij in zijn verhouding tot de officier van justitie louter een faciliterende taak heeft. De rechter dient echter ook oog te hebben voor de belangen van de verdachte en andere betrokkenen bij het onderzoek. Voorts heeft de rechter door de wijze waarop de verhoren zijn verlopen volkomen kritiekloos de officier van justitie op zijn wenken bediend. De twee medebestuursleden zijn niet als getuigen maar als potentiële verdachten gehoord.

3.De reactie van de rechter

De beslissing van 4 maart 2026 betreft een inhoudelijke beslissing: de vordering is toegewezen omdat het horen van de getuigen van belang kan zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. De onderbouwing van de vordering hield in dat beide getuigen mogelijk over relevante informatie zouden beschikken en dat zij eerder door de politie waren opgeroepen te verschijnen voor een verhoor, wat zij schriftelijk hebben geweigerd. Anders dan bij de politie is een getuige verplicht te verschijnen als hij wordt opgeroepen om voor de rechter-commissaris te getuigen. De zaak is door de rechtbank Den Haag naar Amsterdam verwezen omdat de verdenking een bedreiging van een rechter in de rechtbank Den Haag betreft.
De brief van 17 maart 2026 dateert van na die beslissing. Het is juist dat de rechter daarin geen aanleiding heeft gezien om van zijn beslissing terug te komen, waar hij formeel ook geen bevoegdheid toe heeft. Voor de beantwoording van de vraag of de getuigen moeten worden gehoord is ook niet van groot belang, laat staan doorslaggevend, of de verdachte daarvoor al is gehoord.
De rechter heeft niet inhoudelijk op de brief van 17 maart 2026 gereageerd omdat hij zijn beslissing al genomen had en hij die niet meer kon terug draaien, waar hij in de brief overigens ook geen aanleiding voor zag.
Verzoeker is geïnformeerd over het verhoor van de getuigen, dat hij het eerder van de getuigen had vernomen doet daar niet aan af. Aan verdachten wordt alleen op verzoek en onder (zeer) bijzondere omstandigheden toegang verleend tot een getuigenverhoor. Van het een noch het ander is in dit geval sprake.
De rechter ziet niet in hoe hij door de wijze waarop hij het verhoor heeft geleid, blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid richting verzoeker. De inhoud van het verhoor wordt in dit soort situaties in sterke mate bepaald door de officier van justitie, die op zijn beurt van informatie en te stellen vragen is voorzien door de politie. De betrokkenheid van de rechter bij de inhoud is beperkt en door de afwezigheid van een advocaat van de verdachte, krijgt het verhoor inderdaad een nogal eenzijdig karakter. Dat is het resultaat van de omstandigheden. Vooringenomenheid kan daaruit niet worden afgeleid.
De rechter heeft tijdig een reactie opgesteld op de brief van 7 april 2026. Helaas is de e-mail door afwezigheid van de griffier pas enkele dagen later verstuurd.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
In zijn arrest (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
Het bezwaar van verzoeker betreft een beslissing van de rechter, namelijk de beslissing van 4 maart 2026 de twee getuigen te horen. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Dat uit de motivering van deze beslissing vooringenomenheid valt af te leiden, is niet gebleken. Voorts verwijt verzoeker de rechter dat deze te lijdelijk zou zijn geweest bij het verhoor van de getuigen. De rechter voert de regie bij een getuigenverhoor. De wijze waarop een rechter die regie voert staat in beginsel niet ter beoordeling aan de Wrakingskamer. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 512 Sv Pro aangevoerd waaruit de objectieve schijn van partijdigheid zou kunnen blijken.
3.5.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, K.A. Brunner en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.