7.3.Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten en gevolgen voor de naasten
Verdachte heeft het slachtoffer, zijn eigen moeder, die intensief bij zijn leven betrokken was en hem tot op het laatst toe nog financieel onderhield, op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Hiermee heeft hij het slachtoffer het meest fundamentele recht dat haar toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Uit het geconstateerde afweerletsel en de bebloede afdruk van de slipper van het slachtoffer tegen de bank in de woonkamer, leidt de rechtbank af dat er kort voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer een strijd in de woning van verdachte heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft extreem geweld toegepast door het slachtoffer met een mes te steken en meermaals op haar te schieten. In de laatste fase van haar leven zal het slachtoffer doodsangsten en wanhoop moeten hebben ervaren.
De manier waarop verdachte vervolgens met de stoffelijke resten van het slachtoffer is omgegaan, door te zagen en/of te snijden in haar hals, rug en benen, is verschrikkelijk en respectloos. Daarmee heeft verdachte er bovendien voor gezorgd dat haar naasten – en daarmee ook zijn eigen familieleden – geen afscheid hebben kunnen nemen van haar (complete) lichaam. De onderbenen van het slachtoffer zijn immers tot op de dag van vandaag niet teruggevonden.
Uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen blijkt hoezeer de nabestaanden het slachtoffer missen en dat de herinnering aan haar gewelddadige dood en de wijze waarop met haar stoffelijk overschot is omgegaan, een diepe impact heeft op hun dagelijks leven. Ook hebben zij op invoelbare en emotionele wijze een beeld geschetst van het slachtoffer als een betrokken partner, moeder, dochter en compagnon die altijd voor iedereen klaarstond, al helemaal voor haar familie. Verdachte heeft met zijn handelen zijn familieleden onbeschrijflijk veel leed aangedaan en hun levens zullen door hem onherstelbaar getekend zijn.
Daar komt bij dat verdachte zijn familieleden vanaf het moment van de vermissing van het slachtoffer heeft voorgelogen. Hij heeft op een familiebijeenkomst tegen hen de schijn opgehouden dat alles goed zou komen, terwijl het slachtoffer op dat moment al om het leven was gebracht en in zijn woning lag. Ook heeft verdachte de nabestaanden nog extra leed toegebracht door te blijven zwijgen over wat er die nacht gebeurd is en wat hij met haar lichaam gedaan heeft. Verdachte heeft gesteld dat hij een ‘
black-out’ heeft gekregen en zich niets meer herinnert, maar dit scenario wordt door de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum zowel op neurologische als op psychiatrische gronden nagenoeg uitgesloten. De rechtbank kan daarom niet anders concluderen dan dat verdachte er bewust voor kiest om te zwijgen over de gebeurtenissen op die bewuste avond en nacht. Deze proceshouding, evenals het feit dat verdachte op geen enkel moment berouw heeft getoond voor zijn daden, weegt de rechtbank mee bij het opleggen van de straf.
Naast de doodslag op zijn moeder en het wegmaken van een gedeelte van haar lichaam heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het ongecontroleerde bezit van twee revolvers. Zijn zelfverklaarde ‘fascinatie voor wapens’ heeft uiteindelijk tot het ergst denkbare gevolg geleid.
De persoon van de verdachte
Bevindingen uit de Pro Justitia rapportage en toelichting deskundigen
Om meer inzicht te krijgen in de persoon van verdachte, heeft zowel psychiatrisch als
psychologisch onderzoek plaatsgevonden door middel van een onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Naar aanleiding van dit onderzoek hebben de deskundigen M.B.F. van Berkel (psychiater) en T ’t Hoen (GZ-psycholoog) op 4 februari 2026 een gezamenlijk rapport uitgebracht. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
De onderzoekers zien een patroon waarbij verdachte handelt zonder na te denken, veelal voor persoonlijk gewin en met een gebrekkig empathisch vermogen. Al vanaf jonge leeftijd neemt verdachte het niet zo nauw met wetten en regels en schendt hij deze zonder berouw. Daarbij liegt en manipuleert hij en toont hij roekeloos gedrag waarbij hij de (financiële) verantwoordelijkheid gemakkelijk bij een ander neerlegt. Hierbij valt verdachte in herhaling, zonder dat in zijn handelen een wens tot verbetering zichtbaar is. Zijn eigenbelang staat voorop en hij heeft maar (zeer) beperkt oog voor, dan wel boodschap aan, de wensen en behoeften van de ander. De eigen directe behoeftebevrediging is hierbij leidend en de gevolgen van zijn handelen voor de ander lijken hem ook weinig te deren. De empathische vermogens van verdachte komen dan ook als beperkt naar voren; hij is hier cognitief wel toe in staat, maar op affectief niveau is daar nauwelijks sprake van. Zijn gewetensfunctie is eveneens gebrekkig en er gaat maar weinig remmend vermogen van uit. Hij weet wat goed en kwaad is en begrijpt de wederrechtelijkheid van zijn handelen wel, maar ‘kiest’ ervoor om niet naar de geldende (morele en sociale) normen en wetten te handelen. Hij lijkt zich hier ook niet tot nauwelijks voor te schamen en gevoelens van schuld en/of betrouw ontbreken nagenoeg volledig. Dit alles is volgens de onderzoekers passend bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Vanaf jonge leeftijd gebruikt verdachte daarnaast structureel en overmatig veel alcohol en drugs. Mede door het gebrek aan controle over dit gebruik is er disfunctioneren op verschillende levensgebieden gedurende zijn leven ontstaan. Daarbij is zijn blijvende gebrekkige inzicht volgens de onderzoekers problematisch, waardoor periodes van abstinentie nooit duurzaam hebben bestaan. Bij verdachte is volgens de onderzoekers daarom ook sprake van een stoornis in het gebruik van meerdere middelen.
De geconstateerde stoornissen waren ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Het betreffen stoornissen met een chronisch en structureel karakter. Voor de onderzoekers is het echter onduidelijk gebleven in hoeverre en in welke mate, de psychopathologie van verdachte een rol heeft gespeeld bij het plegen van de ten laste gelegde feiten en of daarbij sprake is geweest van keuzemogelijkheden en wils(on)vrijheid. Dit komt gedeeltelijk voort uit het feit dat verdachte stelt zich niets meer te kunnen herinneren van de avond en nacht na het plegen van de ten laste gelegde feiten. Daarnaast beschikt verdachte over een beperkt introspectief en zelfreflectief vermogen, waardoor zijn emotionele binnenwereld voor de onderzoekers grotendeels een
‘black box’is gebleven.
De onderzoekers zien op basis van de psychopathologie en de ten laste gelegde feiten een gelijktijdigheidsverband, echter kunnen zij de rechtbank niet adviseren over een mogelijke doorwerking van de stoornissen in het plegen van de ten laste gelegde feiten. De onderzoekers onthouden zich daarom van een advies over de vraag of de ten laste gelegde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Nu de doorwerking van de psychopathologie van verdachte in de ten laste gelegde feiten onbekend is gebleven, kunnen de onderzoekers ook geen op klinische gronden onderbouwde uitspraken doen over het recidiverisico. In algemene zin kan worden gesteld dat sprake is van een verhoogd risico op het toepassen van (ernstig) geweld, gelet op een aantal algemene risicofactoren die bij verdachte aanwezig zijn. Deze factoren bestaan uit een voorgeschiedenis van het gebruik van geweld en het tonen van antisociaal gedrag, maar ook uit zijn problemen op het gebied van relaties en zijn middelengebruik. De onderzoekers kunnen dit herhalingsrisico echter onvoldoende individualiseren naar verdachte, doordat er een gebrek aan zicht is op de dynamiek ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.
Omdat er in dit onderzoek geen duidelijkheid is gekomen over een mogelijke doorwerking van de psychopathologie van verdachte in het ten laste gelegde en er geen uitspraak kan worden gedaan over een pathologisch bepaald recidiverisico kunnen de onderzoekers ook geen advies geven over eventuele interventies om het risico op recidive te beperken.
De deskundigen hebben voornoemd advies op de zitting bevestigd. Verder hebben zij nog aanvullend het volgende toegelicht.
Een antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft in zijn algemeenheid invloed op het gedrag van een persoon en geeft een verhoogd risico op gewelddadig of antisociaal gedrag. Daarmee valt echter nog niet te voorspellen of, en in welke mate, dit gedrag tot uiting komt. Vanuit klinisch oogpunt kan niet vastgesteld worden dat er een hoog recidiverisico is dat verdachte een vergelijkbaar ernstig geweldsdelict zal plegen zoals tenlastegelegd. De onderzoekers constateren geen narcistische persoonlijkheidsstoornis of psychopathie bij verdachte. Verdachte lijkt volgens de onderzoekers ook niet overgevoelig voor kritiek en hij voelt zich niet snel beledigd of aangevallen.
Omdat niet bekend is geworden wat verdachte dreef ten tijde van de ten laste gelegde feiten, valt niet vast te stellen of dit sterk situationeel is bepaald. Ook kan het aandeel van het middelengebruik van verdachte bij de ten laste gelegde feiten door de onderzoekers niet worden uitgelegd, nu de concentraties van bepaalde stoffen in het bloed van verdachte pas een dag later zijn gemeten. De onderzoekers hebben verder benoemd dat een behandeling voor de bij verdachte geconstateerde stoornissen in zijn algemeenheid wordt aanbevolen, mede omdat abstinentie bij een stoornis in het gebruik van middelen te allen tijde dient te worden nagestreefd. Omdat zij geen uitspraak kunnen doen over het recidiverisico, onthouden zij zich ook van advies over welke behandeling en welk kader noodzakelijk is om het recidiverisico in te perken.
Oordeel rechtbank TBS-maatregel
De rechtbank stelt op basis van de hierboven genoemde rapportages vast dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten sprake was van ziekelijke stoornissen, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in middelengebruik. Het verband tussen deze stoornissen en het delict kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank concludeert met de deskundigen dat daarvoor nog teveel onduidelijk is gebleven over wat verdachte dreef ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en de eventuele invloed van middelen daarop. De rechtbank oordeelt dan ook dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het opleggen van een TBS-maatregel geen vereiste dat er een causaal verband wordt vastgesteld tussen de stoornis en het gedrag (het plegen van de feiten). Bovendien kan een TBS-maatregel ook worden opgelegd aan daders aan wie het delict volledig kan worden toegerekend. Dit gebeurt in uitzonderlijke gevallen als de algemene veiligheid van personen of de algemene veiligheid van goederen de oplegging van deze maatregel vereisen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een verdachte wordt veroordeeld voor een zwaar geweldsdelict en het risico op herhaling van dergelijke feiten zonder behandeling als hoog wordt ingeschat. Dit is een zware toets, ook omdat een TBS-maatregel een ingrijpende maatregel is.
De rechtbank vindt dat in deze zaak een TBS-maatregel niet is vereist en heeft in haar oordeel hierover het volgende mee laten wegen.
De rechtbank stelt vast dat de deskundigen in het PBC-rapport hebben gesteld dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis in algemene zin een verhoogd risico geeft voor het toepassen van (ernstig) geweld. Uit de klinische informatie uit de rapportages en het de toelichting van de deskundigen volgen evenwel geen aanwijzingen voor een verhoogd risico voor verdachte op (soortgelijk) ernstig geweld. Er zijn geen aanwijzingen voor een narcistische persoonlijkheidsstoornis of voor psychopathie bij verdachte. Verdachte lijkt ook niet overgevoelig voor kritiek en voelt zich niet snel beledigd of aangevallen.
Vervolgens heeft de rechtbank, om een verdere inschatting te maken van het recidiverisico naast de klinische informatie uit de rapportages, onder meer gekeken naar het strafblad van verdachte van 26 maart 2026. Daaruit volgt weliswaar dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, maar dit betrof een veroordeling door de kinderrechter uit 2011. Hierna is verdachte niet meer voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking gekomen. De beschreven incidenten in het PBC-rapport die zien op het gebruik van geweld door verdachte, vonden in zijn puberteit plaats. Weliswaar benoemen zijn zus en stiefvader in het milieuonderzoek van het PBC dat er in de relatie van verdachte met zijn inmiddels ex-partner sprake was van (wederzijds) huiselijk geweld, maar dit kan bij gebrek aan verdere informatie niet worden vastgesteld. De rechtbank kan daarom enkel concluderen dat het leven van verdachte in strafrechtelijke zin bijna vijftien jaar rustig is geweest. Daarbij is het opvallend dat zijn middelengebruik volgens zijn omgeving in die periode juist toenam.
De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat er al geruime tijd sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en zijn moeder, waarbij zij hem financieel onderhield. Op de zitting heeft verdachte hierover verklaard dat dit voor hem benauwend was en dat het voor hem voelde alsof hij door haar ‘als een kleuter’ werd behandeld. Ook heeft hij eerder in een politieverhoor verklaard dat hij zich door haar ‘klemgezet’ voelde met betrekking tot zijn financiën. Dit volgt ook uit berichtenverkeer tussen verdachte en zijn moeder. Dat zijn handelen situationeel van aard was en dus specifiek was ingegeven door zijn frustraties over het feit dat zijn moeder naar eigen zeggen ‘de touwtjes in handen wilde houden’, kan dan ook niet worden uitgesloten. Daar komt bij dat verdachte in zijn volwassen leven zoals hiervoor beschreven niet in justitiële zin bekend stond om gewelddadig gedrag en dat familieleden vlak na zijn arrestatie beschrijven dat zij verdachte nooit agressief meemaakten en dat hij ‘geen opvliegend karakter’ heeft.
Gelet op alle bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de bij verdachte geconstateerde stoornissen niet een zodanig gevaar voor de veiligheid van personen met zich meebrengen dat de TBS-maatregel met dwangverpleging vereist is.
Reclasseringsadvies
Naast de Pro-Justitia rapportage heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 maart 2026. Daarin heeft de reclassering geadviseerd tot het opleggen van een GVM-maatregel. De reclassering heeft gerapporteerd dat zij de omschrijving van verdachte door het PBC zeer zorgelijk vindt. Dit, in combinatie met het ontbreken van schuldgevoel ten aanzien van wat verdachte zijn moeder heeft aangedaan (hij praat het niet goed, maar zij heeft het ook niet goed gedaan), maakt dat de reclassering het noodzakelijk acht dat verdachte op enige wijze wordt bijgestuurd en gecorrigeerd, al dan niet door middel van behandeling, nadat hij zijn straf heeft uitgezeten. De verwachting is namelijk dat de gediagnostiseerde persoonlijkheidsproblematiek hierna nog onverminderd aanwezig is. Omdat een toezicht met bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) hiervoor niet als voldoende wordt geacht, is het wat de reclassering betreft wenselijk om een GVM-maatregel aan verdachte op te leggen.
Verdachte zou volgens de reclassering anders calculerend kunnen handelen, door zijn v.i. uit te zitten indien hij geen reclasseringsbemoeienis wil. Hierdoor valt de mogelijkheid tot begeleiding in dat kader weg, terwijl die wel noodzakelijk wordt geacht. De maatregel wordt in beginsel geadviseerd omdat het de werkbaarheid en de doelmatigheid van een eventuele forensische behandeling en begeleiding ten goede komt. Binnen de GVM-maatregel ontstaat de mogelijkheid om verdachte langduriger te monitoren en kunnen er veiligheidsmaatregelen worden opgelegd ter bescherming van eventuele nieuwe slachtoffer(s) en de maatschappij. Deze maatregelen kunnen verlengd worden, zolang het recidiverisico hierom vraagt. Ook kan verdachte weer in hechtenis worden genomen als hij de voorwaarden overtreedt.
Oordeel rechtbank GVM-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat een GVM-maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank vindt het gebrek aan inzicht over de drijfveren van verdachte wel zorgelijk. Bovendien is het de verwachting dat de gediagnosticeerde persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte na het uitzitten van de gevangenisstraf nog onverminderd aanwezig is en is niet uitgesloten dat verdachte terugvalt in middelengebruik. Daarom ziet de rechtbank de noodzaak van de oplegging van de GVM-maatregel om de kans op herhaling van gewelddadig gedrag zoveel mogelijk te beperken. Door middel van een (langdurig) toezicht met interventies kan worden gewerkt aan het terugdringen van het recidiverisico, onder meer in het kader van forensische behandelingen. De rechtbank volgt hiermee niet het standpunt van de raadsman van verdachte, die heeft gesteld dat verdachte al in het kader van een eventuele v.i. moet aantonen dat de risico’s voldoende zijn ingeperkt. In het reclasseringsrapport wordt immers vermeld dat een toezicht met bijzondere voorwaarden in het kader van een v.i. niet toereikend wordt geacht voor de problematiek van verdachte. Binnen de GVM-maatregel ontstaat de mogelijkheid om verdachte langduriger te monitoren en kunnen er veiligheidsmaatregelen worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij. Deze kunnen verlengd worden, zolang het recidiverisico hierom vraagt en verdachte kan in hechtenis worden genomen als hij de voorwaarden overtreedt. Daarmee wordt het recidiverisico naar het oordeel van de rechtbank voldoende beheerst. Te zijner tijd is het aan de officier om een vordering tot tenuitvoerlegging in te dienen.
Aan de voorwaarden voor de oplegging van de GVM-maatregel van artikel 38z, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. De rechtbank zal daarom de GVM-maatregel opleggen aan verdachte.
Hoogte van de op te leggen gevangenisstraf
Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is, heeft zij bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf gekeken naar straffen die in recente en (voor zover mogelijk) vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Hoewel er geen landelijke oriëntatiepunten zijn voor op te leggen straffen bij doodslag, werd – voor de verhoging van het strafmaximum – door rechtbanken veelal een bandbreedte van 8 tot 12 jaar gehanteerd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het strafmaximum voor doodslag door de wetgever per 1 juli 2023 is verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar gevangenisstraf. Deze verhoging is onder meer gelegen in de veranderde maatschappelijke opvattingen over de strafwaardigheid van levensdelicten. Dit aspect betrekt de rechtbank in strafverzwarende zin in haar overwegingen.
Verdachte heeft verklaard dat in het gesprek tussen hem en het slachtoffer seksueel misbruik door het slachtoffer bij verdachte ter sprake is gekomen, dat het slachtoffer dit tijdens het gesprek zou hebben erkend en dat dit hem “
triggerde”. De rechtbank kan dit vaststellen noch ontkrachten, maar het is voor de rechtbank geen reden om dat mogelijke scenario in de strafmaat mee te wegen.
Alles afwegende acht de rechtbank – evenals de officieren van justitie – een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaar met aftrek van het voorarrest passend.