ECLI:NL:RBAMS:2026:418

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
25-7021
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen tijdelijk verkeersbesluit Amsterdam

Op 4 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een verkeersbesluit genomen waarin tijdelijke verkeersmaatregelen zijn ingesteld voor een deel van de openbare weg in Amsterdam. Verzoekster, een agrarisch bedrijf met vestigingen in de regio, maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van het besluit.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 19 januari 2026 en voerde een belangenafweging uit. Verzoekster stelde dat de afsluiting van de weg haar bedrijfsvoering belemmert, onder meer vanwege transporten en de bereikbaarheid van haar percelen. Verweerder en een derde-belanghebbende stelden dat het verkeersbesluit noodzakelijk is voor de aanleg van infrastructuur ten behoeve van circa 2.750 woningen, wat een groter maatschappelijk belang dient.

Hoewel de bereikbaarheid van de percelen van verzoekster niet altijd gegarandeerd is, is gebleken dat zij via het bouwterrein toegang kan krijgen, mits in goed overleg met de projectleiding. Ook de mogelijkheid om ontheffing te vragen voor landbouwvoertuigen op een alternatieve route werd besproken. De voorzieningenrechter oordeelde dat praktische bezwaren en onzekerheden onvoldoende zijn om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het spoedeisend belang van verzoekster onvoldoende zwaarwegend is tegenover het maatschappelijke belang van de tijdelijke verkeersmaatregelen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het verkeersbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7021

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 in de zaak tussen

maatschap tussen [persoon 1] , uit [plaats 1] , verzoekster

(gemachtigde: [persoon 2] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D. R van Ee).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[belanghebbende]uit [plaats 2] , derde-belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.J. de Haan).

Procesverloop

1.1.
Met het verkeersbesluit van 4 december 2025 heeft verweerder diverse tijdelijk verkeersmaatregelen ingesteld voor het deel van de [adres 1] tussen de [adres 2] en de [adres 3] . [persoon 1] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder, de gemachtigde van [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ), [persoon 3] als projectleider van [belanghebbende] en [persoon 4] als projectdirecteur van [belanghebbende] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. [persoon 5] heeft een agrarisch bedrijf gelegen aan de [adres 2] met vestigingen in [plaats 1] en omgeving [plaats 3] . Zij heeft diverse afnemers en leveranciers waardoor geregeld transporten en verkeersbewegingen plaatsvinden van en naar de [adres 2] . [persoon 5] voert aan dat zij door de afsluiting van de [adres 2] wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Belangenafweging
5. [persoon 5] heeft de voorzieningenrechter verzocht om het verkeersbesluit van
4 december 2025 te schorsen.
6. De voorzieningenrechter weegt de belangen van de betrokken partijen en treft al dan niet op basis van deze belangen een voorlopige voorziening. Onderdeel van die belangenafweging kán een inschatting over de rechtmatigheid van het besluit zijn, maar dit is niet noodzakelijk. Het oordeel over de rechtmatigheid is bovendien niet doorslaggevend. De voorzieningenrechter beperkt zich in deze zaak tot een belangenafweging en geeft dus geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel.
7. Het belang van verzoekster is er in gelegen dat zij vanaf het perceel [adres 2] haar overige percelen aan de [adres 2] moet kunnen bereiken, onder meer voor het verweiden van vee. Verder vinden er vanaf het perceel [adres 2] transporten en vervoersbewegingen plaats naar onder andere [plaats 5] , [plaats 6] en [plaats 3] .
8. Anderzijds heeft verweerder en in het verlengde daarvan van de derde-belanghebbende een belang bij de in het verkeersbesluit genomen tijdelijke verkeersmaatregelen. De geslotenverklaring van de [adres 1] is onder meer nodig vanwege werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg van de infrastructuur ten behoeve van circa 2.750 te realiseren woningen. Daarmee is een groter maatschappelijk belang voor de inwoners van [plaats 1] , [plaats 7] en [plaats 8] gediend. Verder is nog aangevoerd dat schorsing van het verkeersbesluit gevolgen heeft voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor de bouw van nieuwe woningen.
9. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op de zitting is gesproken over de bereikbaarheid van de percelen van verzoekster langs de [adres 1] . Hoewel partijen uiteindelijk niet tot concrete afspraken zijn gekomen over hoe die bereikbaarheid praktisch kan worden gerealiseerd, is wel gebleken dat de percelen van verzoekster desgewenst toegankelijk zijn. En enkele keer zal dit niet mogelijk zijn vanwege de aard van de werkzaamheden die op dat moment worden uitgevoerd. [persoon 5] kan haar percelen via het bouwterrein van [bedrijf] bereiken. Daarvoor is dan wel nodig dat hekken worden geopend. [persoon 5] kan hiertoe een verzoek doen bij de projectleider of de projectdirecteur van [bedrijf] , van wie verzoekster de mobiele telefoonnummers heeft. Partijen zijn het op de zitting niet eens geworden over hoe lang van te voren een dergelijk verzoek moet worden gedaan. [persoon 5] heeft er bovendien onvoldoende vertrouwen in dat er daadwerkelijk op haar verzoeken wordt gereageerd. Dit gebrek aan vertrouwen is echter onvoldoende voor het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter gaat er gelet op hetgeen daarover op de zitting is besproken vanuit dat partijen in goed overleg met elkaar tot een oplossing kunnen komen voor de momenten waarop verzoekster toegang wenst te hebben tot één van de percelen aan de [adres 1] . Er is op dit punt dus geen reden om het verkeersbesluit te schorsen.
10. Wat betreft omrijdroutes naar [plaats 8] , [plaats 6] en [plaats 3] zijn partijen het erover eens dat de kortste route via de [adres 4] loopt, maar dat er op deze weg een verbod geldt voor landbouwvoertuigen. Ook dit onderwerp is op de zitting uitvoering besproken. Verweerder heeft erop gewezen dat verzoekster om een ontheffing van dit verbod kan vragen. [persoon 5] was in de veronderstelling dat deze ontheffing gevraagd moest worden door [bedrijf] dan wel door verweerder. Hoewel deze informatie ook uit het verweerschrift volgt, is op de zitting gebleken dat dit een misverstand is en dat verzoekster de ontheffing zelf moet aanvragen. De omstandigheid dat onduidelijk is hoe lang het duurt voordat op een gevraagde ontheffing wordt beslist, is onvoldoende reden voor het treffen van de gevraagde voorziening. Daarbij is ook van belang dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd waarom omrijden niet van haar gevergd kan worden. Dat dit op praktische bezwaren stuit is begrijpelijk, maar is daartoe onvoldoende. Voor zover het omrijden verzoekster tijd en geld kost, kan dit aan de orde komen in een verzoek tot nadeelcompensatie. Dit gaat het bestek van deze spoedprocedure te buiten. Ten slotte, wat betreft het dierenwelzijn dat volgens verzoekster in geding is, geldt dat onvoldoende is onderbouwd waarom het omrijden tot onaanvaardbare situaties lijdt. Ook deze argumenten leiden dus niet tot het oordeel dat het verkeersbesluit moet worden geschorst.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het verkeersbesluit van 4 december 2025 niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.