Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4186

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1909
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening omzetting WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de omzetting van haar loongerelateerde WIA-uitkering naar een lagere vervolguitkering door het UWV en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Hoewel verzoekster stelt dat haar inkomen per 6 april aanzienlijk daalt en zij vaste lasten heeft van circa €1.350 aan hypotheek en €400 aan energiekosten, blijkt uit de loonstroken dat haar partner een netto inkomen heeft van ongeveer €2.700 tot €3.100 per maand. Het gezamenlijke inkomen is voldoende om de lasten en basisbehoeften te dekken.

De voorzieningenrechter concludeert dat er geen onomkeerbare situatie of acute financiële nood is en dat het spoedeisend belang ontbreekt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1909

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] (België), verzoekster

en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de wijziging van haar WIA [1] -uitkering.
2. Met het bestreden besluit van 19 februari 2026 heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat haar loongerelateerde WIA-uitkering wordt omgezet naar een (lagere) vervolguitkering. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat deze geen voorlopige voorziening treft.
5. Verzoekster voert aan dat haar inkomen als gevolg van het bestreden besluit per 6 april aanzienlijk wordt verlaagt, terwijl het UWV nog geen beslissing op haar bezwaar heeft genomen. Verzoekster voert aan dat haar vaste lasten onder andere € 1.350,- per maand aan hypotheek en € 400,- per maand aan energiekosten bedragen. Zij heeft een gezien met vier jonge kinderen.
6. Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft verzoekster vervolgens toegelicht dat zij een partner heeft met een inkomen. Uit de ingediende loonstroken blijkt dat deze netto zo’n € 2.700 tot € 3.100,- per maand verdient. Verzoekster zelf ontvangt ongeveer € 710,- netto per maand (de WIA-uitkering). Hoewel er als gevolg van het bestreden besluit sprake is van een daling van het inkomen van verzoekster, stelt de voorzieningenrechter vast dat de door verzoekster genoemde hypotheeklasten en energiekosten uit het gezamenlijke inkomen kunnen worden voldaan en er daarnaast ook geld over blijft voor andere basisbehoeften. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit leidt tot een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. De conclusie is dan ook dat er geen sprake is van een spoedeisend belang waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.