ECLI:NL:RBAMS:2026:4199

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
C/13/755545 / FA RK 24-5602
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 1:157 lid 6 BWArt. 1:397 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling nevenvoorzieningen na echtscheiding met geschil over schuld of schenking ouders

Partijen zijn gescheiden en hebben overeenstemming bereikt over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van hun minderjarige kinderen. De rechtbank stelt de zorgregeling en het vakantieschema vast conform de afspraken. De man moet kinderalimentatie betalen aan de vrouw, terwijl de vrouw partneralimentatie aan de man moet voldoen.

Er is een geschil over een bedrag van €42.062,- dat de man als schuld aan zijn ouders kwalificeert, terwijl de vrouw dit als schenking beschouwt. De rechtbank oordeelt dat het bestaan van de schuld niet onomstreden is en wijst het verzoek van de man af wegens onvoldoende onderbouwing.

Verder regelt de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder inboedel, bankrekeningen en studieschulden. De rechtbank bepaalt de draagkracht van partijen en de alimentatiebedragen op basis van hun netto besteedbaar inkomen en woonlasten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een gedetailleerde financiële afwikkeling.

Uitkomst: Rechtbank stelt zorgregeling en alimentatie vast, wijst verzoek man af over schuld aan ouders wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/755545 / FA RK 24-5602 (echtscheiding)
C/13/780322 / FA RK 25-9636 (verdeling)
Beschikking van 22 april 2026 betreffende nevenvoorzieningen na echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna mede te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.N. Ziekman-Meijerink, gevestigd te Utrecht,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna mede te noemen de man,
advocaat mr. A.M.E. Derks, gevestigd te Woerden.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 13 augustus 2025 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de behandeling ten aanzien van de nevenvoorzieningen aangehouden. De inhoud van de beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
1.2.
De rechtbank heeft na de tussenbeschikking van 13 augustus 2025 de volgende stukken ontvangen:
- het F9-formulier van de man met bijlagen, ingekomen op 10 maart 2026;
- het F9-formulier van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 10 maart 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats 1] op 17 juni 2017.
2.2.
Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021.
2.3.
Partijen oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
2.4.
De kinderen staan in de basisregistratiepersonen (brp) ingeschreven bij de vrouw.
2.5.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.6.
De echtscheidingsbeschikking van 13 augustus 2025 is op 16 september 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.
2.7.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 18 november 2025 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld conform de overeenstemming van partijen, waarbij de kinderen in de even weken bij de vrouw verblijven van maandagmiddag uit school en de naschoolse opvang tot en met woensdagmiddag 17:30 uur en van woensdagmiddag 17:30 uur verblijven de kinderen tot en met maandagochtend (begin oneven week) naar school bij de man. In de oneven weken verblijven de kinderen van maandagmiddag uit school en de naschoolse opvang tot en met woensdagochtend naar school bij de vrouw, vanaf woensdagochtend naar school tot en met vrijdagmiddag verblijven de kinderen bij de man dan wel is de man verantwoordelijk voor de opvang van de kinderen, waarna de kinderen van vrijdagmiddag uit school en naschoolse opvang tot en met maandagochtend naar school bij de vrouw verblijven. Gedurende de (school)vakanties, feestdagen en overige vrije dagen verblijven de kinderen bij één van beide partijen conform het aan de beschikking gehechte vakantieschema. Tot slot is bepaald dat de man met ingang van datum beschikking € 125,- per kind per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
Ter beoordeling en beslissing liggen nog de navolgende verzoeken voor.
3.2.
De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt – na wijziging en aanvulling – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I.
primairde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten aan de hand van een nog over te leggen convenant.
subsidiairde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten op een nader door de vrouw te verzoeken wijze;
II. te bepalen dat de kinderen van partijen in de brp staan ingeschreven op het adres van de vrouw in [plaats 2] ;
III. te bepalen dat de volgende zorgregeling voor de kinderen wordt vastgesteld:
- in de even weken verblijven de kinderen van maandag uit school dan wel het kinderdagverblijf en naschoolse opvang tot en met woensdagmiddag 17:15 uur bij de vrouw en van woensdagmiddag 17:15 uur tot en met maandagochtend (begin oneven week) naar school dan wel het kinderdagverblijf bij de man;
- in de oneven weken verblijven de kinderen van maandagmiddag uit school dan wel het kinderdagverblijf en naschoolse opvang tot en met woensdagochtend naar school dan wel het kinderdagverblijf bij de vrouw en vanaf woensdagochtend naar school dan wel het kinderdagverblijf tot en met vrijdagmiddag verblijven de kinderen bij de man en is de man verantwoordelijk voor de opvang van de kinderen waarna de kinderen van vrijdagmiddag uit school dan wel het kinderdagverblijf en naschoolse opvang tot en met maandagochtend naar school dan wel het kinderdagverblijf bij de vrouw verblijven;
- gedurende de schoolvakanties, de feest en overige vrije dagen verblijven de kinderen bij een van beide partijen in overeenstemming met het vastgestelde vakantieschema dat door de vrouw als productie 3 in randnummer 10 is overgelegd. De vrouw verzoekt de rechtbank de door partijen in het vakantieschema getroffen regeling voor zover mogelijk in de echtscheidingsbeschikking op te nemen door waarmerking en aanhechting van het schema;
IV. te bepalen dat ieder der partijen de verblijfskosten van de kinderen voldoet uit de eigen draagkracht, zijnde € 543,- voor iedere ouder per maand. Voorts te bepalen dat de vrouw de volledige kinderbijslag en de volledige kinderopvangtoeslag zal ontvangen zodat zij naast haar aandeel in de verblijfskosten van € 543,- per maand alle kindgebonden kosten (verblijfsoverstijgende kosten) zoals kleding, sport, sportuitrusting, schoolkosten, oppaskosten, etc. volledig voor haar rekening dient te nemen;
V. te bepalen dat de peildatum bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap 15 augustus 2024 is;
VI. te bepalen dat de vrouw, met ingang van de dag van inschrijving van de in deze te wijzen beschikking in de registers van de burgerlijke stand, huurder zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres 1] en dat de man met ingang van die datum huurder zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres 2] ;
VII. te bepalen dat de inboedelgoederen worden verdeeld in overeenstemming met de door de vrouw overgelegde inboedellijst die als productie 4 in randnummer 18 is overgelegd, waarbij de man aan de vrouw een bedrag van € 1.734,- dient te voldoen wegens overbedeling. De vrouw verzoekt de door partijen getroffen verdeling zover mogelijk in de echtscheidingsbeschikking op te nemen door waarmerking en aanhechting van de inboedellijst;
VIII. te bepalen dat aan ieder van partijen wordt toegescheiden de eigen betaal- en spaarrekening onder verdeling bij helfte van de saldi per peildatum tussen partijen en te bepalen dat de gemeenschappelijke rekening wordt opgeheven na verdeling van het saldo bij helfte tussen partijen;
IX. te bepalen dat ieder van partijen de helft van de studieschulden bij DUO dient te dragen;
althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.3.
De man voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar verzoeken dan wel tot afwijzing daarvan. De man verzoekt zelfstandig en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a.
primairde tussen partijen overeengekomen regelingen in het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten.
subsidiairte bepalen dat:
- de hoofdverblijfplaats en de brp-inschrijving van de kinderen bij de man worden vastgesteld;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen conform het verzoek van de vrouw genoemd onder IV van het aanvullend verzoekschrift;
- te bepalen dat de vrouw, met ingang van de datum van het verweerschrift, dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen met een bedrag van € 300,- per kind per maand, door haar bij vooruitbetaling aan de man te voldoen, althans terzake hiervan een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
te bepalen dat de vrouw, met ingang van de datum van de echtscheiding, dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de man met een bedrag van € 1.679,- bruto per maand, althans met een bedrag gelijk aan de maximale draagkracht van de vrouw, voor zover dat bedrag lager ligt, door haar bij vooruitbetaling aan de man te voldoen, althans terzake hiervan een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
de peildatum voor de bepaling van de omvang en samenstelling van de gemeenschap van goederen vast te stellen op 16 augustus 2024, te weten de datum van binnenkomst en inschrijving van het verzoekschrift tot echtscheiding;
te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van echtscheiding huurder zal zijn van de woning gelegen aan het adres [adres 1] en dat de man met ingang van deze datum huurder zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres 2] ;
te bepalen dat de inboedelgoederen zijn verdeeld conform de door de vrouw als productie 4 overgelegde inboedellijst en dat derhalve aan ieder der partijen de in zijn/haar bezit zijnde inboedelgoederen worden toebedeeld, zonder nadere verrekening;
te bepalen dat de onder I genoemde bankrekening ten name van beide partijen dient te worden opgeheven onder verdeling van het restantsaldo per datum opheffing bij helfte, dat de onder II en III genoemde bank- en spaarrekening met bijbehorende saldi worden toebedeeld aan de man en de onder IV en V genoemde bank- en spaarrekeningen met bijbehorende saldi aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
te bepalen dan wel voor recht te verklaren dat ieder van partijen zijn/haar eigen studieschuld bij DUO draagt en zorgt voor de aflossing daarvan onder vrijwaring van de ander;
te bepalen dan wel voor recht te verklaren dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan de ouders van de man, te weten de heer [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] ad € 42.062,-;
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

4.De verdere beoordeling

4.1.
Aanhechten ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant
4.1.1.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun verzoeken ten aanzien van het aanhechten van een convenant en ouderschapsplan ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.
4.2.
Hoofdverblijfplaats / inschrijving brp
4.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de kinderen op haar adres in [plaats 2] staan ingeschreven. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij geen gegronde redenen ziet om de huidige inschrijving te wijzigen. Daarbij komt dat de vrouw – gelet op de verstoorde communicatie tussen partijen – bezorgd is dat de man de vrouw niet zal betrekken of informeren over zaken rondom de kinderen wanneer zij bij hem staan ingeschreven in de brp. De vrouw zal dit wel doen. Als de kinderen bij de vrouw ingeschreven blijven, leidt dat ook tot minder strijd en onduidelijkheid. Verder stelt de vrouw dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet hoeft te worden vastgesteld. Immers doet dit geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders vervullen in de co-ouderschapsregeling.
4.2.2.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Ter onderbouwing voert hij aan dat het in het belang van de kinderen is indien hun hoofdverblijfplaats en brp-inschrijving bij hem worden bepaald. Partijen waren ten tijde van hun huwelijk woonachtig in [plaats 3] . Na hun uiteengaan is de vrouw naar [plaats 2] verhuisd en is de man in [plaats 3] blijven wonen. De kinderen gaan ook in [plaats 3] naar school. Verder is de man de minst verdienende partner waardoor hij aanspraak kan maken op (een hoger) kindgebonden budget. Bij wijze van zelfstandig verzoek, verzoekt de man om de hoofdverblijfplaats en brp-inschrijving van de kinderen bij hem vast te stellen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat de hoofdverblijfplaats niet hoeft te worden vastgesteld en dat het op dit moment ook niet mogelijk is om de kinderen bij hem in te schrijven. Aldus refereert de man zich ten aanzien van dit verzoek aan het oordeel van de rechtbank.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat partijen het erover eens zijn dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet hoeft te worden vastgesteld. De rechtbank zal het hiertoe strekkende verzoek van de man daarom afwijzen.
4.2.4.
Ten aanzien van de brp-inschrijving van de kinderen overweegt de rechtbank dat zij, gelet op de toelichting van de man tijdens de mondelinge behandeling, op dit moment geen aanleiding ziet om de huidige situatie – waarbij de kinderen bij de vrouw staan ingeschreven – te veranderen, temeer nu het hoe dan ook niet mogelijk is om de kinderen op het huidige adres van de man in te schrijven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man ten aanzien van de brp-inschrijving afwijzen. De rechtbank zal eveneens het verzoek van de vrouw ten aanzien van de brp-inschrijving afwijzen wegens gebrek aan belang. Immers staan de kinderen reeds op haar adres ingeschreven in de brp.
4.3.
Zorg- en vakantieregeling
4.3.1.
De vrouw stelt dat partijen al geruime tijd uitvoering geven aan de door haar verzochte zorgregeling. De vrouw ziet graag dat deze zorgregeling wordt vastgelegd in de beschikking. Verder zijn partijen een verdeling van de schoolvakanties, feest- en overige vrije dagen overeengekomen (schema productie 3). De vrouw verzoekt om de onderling getroffen regeling voor zover mogelijk in de echtscheidingsbeschikking op te nemen door waarmerking en aanhechting van het schema.
4.3.2.
De man voert aan dat partijen, sinds hun uiteengaan naar tevredenheid uitvoering geven aan de (zoals door de vrouw verzochte) co-ouderschapsregeling. De kinderen brengen vrijwel evenveel tijd door bij beide ouders. De man voert geen verweer tegen het verzoek van de vrouw. Hij verzoekt eveneens zelfstandig de door de vrouw verzochte regeling vast te stellen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat partijen geen geschil hebben over de vast te stellen zorg- en vakantieregeling. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen en het vakantieschema (productie 3 van de zijde van de vrouw) aan de beschikking hechten.
4.4.
Voorlopige onderhoudsbijdrage(n)
Kinderalimentatie
4.4.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen ieder de verblijfskosten van de kinderen voldoen, zijnde een bedrag van € 543,- per kind per maand. De vrouw verzoekt voorts te bepalen dat zij de volledige kinderbijslag en kinderopvangtoeslag zal ontvangen waarmee zij, naast haar aandeel in de verblijfskosten, alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen zal voldoen (zoals kleding, sport, sportuitrusting, schoolkosten, oppaskosten, etc.).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek aangepast, in die zin dat zij een bedrag van € 352,- per maand voor beide kinderen aan kinderalimentatie verzoekt.
4.4.2.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en hij voert aan dat het verzoek dient te worden afgewezen. De man verzoekt zelfstandig dat de vrouw maandelijks een bedrag aan kinderalimentatie aan hem dient te voldoen ter hoogte van € 300,- per kind per maand.
De conclusie
4.4.3.
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 47,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
4.4.4.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
4.4.5.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie (artikel 1:402 BW Pro). Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
4.4.6.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking, omdat er bij beschikking voorlopige voorzieningen van 18 november 2025 een door de man te betalen kinderalimentatie is bepaald voor de duur van deze procedure.
Nu de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie zal vaststellen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stelling van de man ten aanzien van de ingangsdatum.
Behoefte van de kinderen
4.4.7.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen vast op een bedrag van € 1.995,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.
4.4.8.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. Daarbij wordt gekeken naar wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren en gebruik gemaakt van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld.
4.4.9.
Tussen partijen staat vast dat voor de behoefte van de kinderen uit dient te worden gegaan van het maximale tabelbedrag in 2023, te weten € 730,- per kind per maand, zijnde € 1.460,- per maand voor beide kinderen. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 1.727,- per maand.
4.4.10.
Partijen verschillen van mening of de behoefte van de kinderen moet worden verhoogd met de netto opvangkosten. De vrouw stelt dat de behoefte hiermee dient te worden verhoogd, terwijl de man aanvoert dat indien partijen de kinderopvangtoeslag anders zouden aanvragen de netto kosten zullen afnemen. Daarom moet er wat de man betreft voor het vaststellen van de behoefte van de kinderen slechts worden uitgegaan van het tabelbedrag.
4.4.11.
De rechtbank overweegt dat volgens de richtlijn van de Expertgroep Alimentatie een correctie voor bijzondere kosten kan plaatsvinden als het kosten zijn die niet of onvoldoende in de kosten van de kinderen zijn verdisconteerd en die bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de netto opvangkosten op dit moment € 535,- per maand zijn. De vraag is aldus of deze opvangkosten dermate hoog zijn dat het niet redelijk is om ervan uit te gaan dat deze kosten volledig kunnen worden betaald uit 30% van bovengenoemd tabelbedrag van € 1.727,- (30% van dit eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen ziet op de verblijfsoverstijgende kosten waaronder opvangkosten) verhoogd met de kinderbijslag en dat die hoge opvangkosten bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten.
De rechtbank is van oordeel dat € 535,- aan netto opvangkosten een dermate hoog bedrag is ten opzichte van de verblijfsoverstijgende kosten waarmee in het tabelbedrag en de kinderbijslag rekening is gehouden, zodat de rechtbank het redelijk acht om de helft van de netto kinderopvangkosten als behoefteverhogend aan te merken, te weten (afgerond) een bedrag van € 268,-. De rechtbank gaat dan ook uit van een behoefte van de kinderen in 2026 van (€ 1.727,- + 268,- =) € 1.995,- per maand.
De draagkracht van de ouders
4.4.12.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien (artikel 1:397 lid 2 BW Pro).
4.4.13.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
4.4.14.
Bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan € 2.100,- per maand in 2026 gebruikt de rechtbank de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand (de bijstandsnorm). Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
De draagkracht van de man
4.4.15.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 900,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.4.16.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man een bruto jaarinkomen geniet van € 59.456,-. De rechtbank zal in de berekening voorts meenemen de door de man af te dragen pensioenpremie en AAOP. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Daarmee heeft de man een netto besteedbaar inkomen van € 3.807,- per maand.
4.4.17.
Partijen verschillen van mening of er bij de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan dient te worden van zijn werkelijke woonlasten ter hoogte van € 700,- per maand.
De vrouw stelt dat dit het geval is nu de werkelijke woonlasten van de man substantieel lager zijn dan het woonbudget.
4.4.18.
De man voert aan dat er rekening gehouden dient te worden met het woonbudget zodat hij de (financiële) mogelijkheid heeft een vaste woning te vinden. Zijn feitelijke lasten zijn op dit moment inderdaad lager, echter betreffen het geen structurele woonlasten. De man verblijft in een tijdelijke opvang (maximaal één jaar) waar hij een unit huurt met gedeelde faciliteiten. De man is al twee jaar opzoek naar vaste woonruimte voor zichzelf en de kinderen maar hij zit financieel klem; hij komt niet in aanmerking voor een particuliere huurwoning vanwege de inkomenseisen, maar ook niet voor een sociale huurwoning vanwege de wachttijden.
4.4.19.
De rechtbank overweegt dat het hanteren van een woonbudget de voorspelbaarheid en rechtszekerheid dient en voorkomt dat elke verandering van woonsituatie tot een wijziging van de bijdrage leidt. Het woonbudget is er om discussies over de hoogte van de vaste (woon)lasten te voorkomen en is gegrond op normen die het Nibud hanteert. Gelet hierop, wordt slechts van het budget afgeweken als er bijzondere omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) kan daarbij voor het hanteren van een lagere werkelijke woonlast dan het woonbudget pas aanleiding zijn indien met de berekende draagkracht van partijen niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait [(0,3 x NBI).
4.4.20.
Zoals hierna bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, bestaat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank ziet reeds daarom geen aanleiding om bij de man van het woonbudget af te wijken. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij het eveneens van belang acht de man (financieel) in staat wordt gesteld om een eigen woonruimte te betrekken. Daarbij past dat er voor het bepalen van de draagkracht van de man wordt gerekend met het gehele woonbudget.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat er voorts rekening gehouden dient te worden met het maandelijkse bedrag dat de man aan aflossing ten behoeve van zijn studieschuld betaalt, zijnde een bedrag van € 70,- per maand.
4.5.1.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van € 900,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
4.5.2.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 1.671,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.5.3.
Tussen partijen is het bruto jaarinkomen van de vrouw in geschil. De vrouw stelt dat er uitgegaan dient te worden van een bruto jaarinkomen van € 119.733,- zoals volgt uit haar jaaropgaaf 2025. Het inkomen van de vrouw is namelijk per 1 januari 2026 onveranderd gebleven.
De man voert aan dat er uitgegaan dient te worden van het bruto jaarinkomen van de vrouw zoals dat volgt uit de berekening in de voorlopige voorzieningenprocedure.
4.5.4.
De rechtbank overweegt dat uit de door de vrouw overgelegde producties 16 en 26 volgt dat de vrouw over de eerste zes maanden in 2025 een bruto maandsalaris ontving van € 7.784,- en vanaf juli 2025 een bruto maandsalaris van € 8.288,-. Nu de jaaropgaaf over 2025 niet representatief is voor de huidige inkomenssituatie van de vrouw zal de rechtbank haar draagkracht berekenen aan de hand van haar salarisspecificaties over januari en februari 2026.
Hieruit volgt dat de vrouw een bruto maandinkomen heeft van € 8.288,-. Verder ontvangt zij een toelage van € 1.184,- per maand, vakantiegeld en een eindejaarsuitkering. Er wordt voorts rekening gehouden met de door de vrouw te betalen pensioenpremie en premie AOP. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank neemt de uitbetaling van € 64,31 onder vermelding “Overige kst FGK” niet mee in de berekening van de draagkracht van de vrouw nu zij voldoende onderbouwd heeft dat deze kosten een voorschot betreffen voor door haar te volgen congressen. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is dan € 6.452,- per maand.
4.5.5.
Partijen verschillen verder van mening in hoeverre er rekening gehouden moet worden met de werkelijke woonlasten van de vrouw. De vrouw stelt dat haar woonlasten niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Zij is medisch specialist bij het AMC en dient in de buurt van het ziekenhuis woonachtig te zijn. Dit maakt dat zij is aangewezen op de dure woningmarkt in [plaats 2] .
De man voert aan dat er voor de vrouw rekening gehouden moet worden met het woonbudget. Het is niet gebleken dat de vrouw op één van de duurste plekken in [plaats 2] een woning dient te huren. Ook is niet gebleken dat de vrouw haar best heeft gedaan om een goedkopere woning te vinden. Het is voor de kinderen ook niet noodzakelijk om in [plaats 2] te wonen aangezien zij in [plaats 3] op school zitten. Indien er wel rekening wordt gehouden met de hogere woonlasten van de vrouw, ontstaat er een situatie waarbij de man genoodzaakt is om in de woonunit te blijven zodat de hoge woonlasten van de vrouw worden gecompenseerd, terwijl de kinderen recht hebben op een fijne plek bij beide ouders.
4.5.6.
Voor het juridische kader van het woonbudget verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.4.19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aangetoond dat haar woonlasten duurzaam aanmerkelijk hoger zijn dan het woonbudget en dat die hogere woonlasten op dit moment niet verwijtbaar en vermijdbaar zijn. Op grond van het woonbudget zou worden uitgegaan van een bedrag van € 1.936,- aan maandelijkse woonlasten, terwijl uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij € 2.598,- per maand aan huur betaalt. De vrouw heeft voorts onbetwist gesteld dat de lasten van een (huur)woning in (de omgeving van) [plaats 3] bij benadering net zo hoog zijn als die van een huurwoning in [plaats 2] . Gelet op de huidige woningmarkt kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden verwacht dat de vrouw binnen afzienbare tijd een woning betrekt die wel binnen haar woonbudget valt. Dit neemt niet weg dat de vrouw zich wel dient in te spannen om uiteindelijk een goedkopere huurwoning te kunnen betrekken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw ook toegelicht dat zij dit zelf graag wil. De rechtbank betrekt in haar beoordeling verder dat de woonsituatie van de vrouw ten opzichte van de voorlopige voorzieningenprocedure ongewijzigd is gebleven, zodat zij geen aanleiding ziet om de woonlasten van de vrouw nu op een andere manier in de draagkrachtberekening te betrekken. Aldus zal de rechtbank in de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening houden met haar werkelijke woonlasten van € 2.598,- per maand.
4.5.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat er rekening gehouden moet worden met de maandelijkse aflossing die de vrouw ten behoeve van haar studieschuld betaalt, zijnde een bedrag van € 157,- per maand.
4.5.8.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van € 1.671,- per maand.
De verdeling van de kosten
4.5.9.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.5.10.
De ouders hebben samen een draagkracht van € 2.571,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn € 1.995,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van € 698,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van € 1.297,- per maand.
De zorgkorting
4.5.11.
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van de kinderen (de ‘behoefte’). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van de man te verlagen met een percentage van de behoefte van de kinderen of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’. De zorgkorting wordt berekend over de basisbehoefte van de kinderen.
4.5.12.
De kinderen verblijven ongeveer evenveel tijd bij ieder van de ouders. Daarbij past een zorgkorting van 35% van de behoefte, dus € 604,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van € 94,- per maand, zijnde € 47,- per kind per maand, moet betalen aan de vrouw.
Alimentatie vooruitbetalen
4.5.13.
De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Kinderbijslag en kinderopvangtoeslag
4.5.14.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de kinderbijslag en kinderopvangtoeslag bij gebrek aan belang afwijzen, nu de vrouw reeds de aanvrager bij de SVB is en de betreffende kind gerelateerde toeslagen ontvangt.
Partneralimentatie
4.5.15.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 1.679,- bruto per maand aan partneralimentatie aan haar gaat betalen, met ingang van de echtscheidingsdatum, dan wel een zodanig bedrag gelijk aan de maximale draagkracht van de vrouw. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat hij een aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. Op basis van de hofnorm kan de huwelijksgerelateerde behoefte van de man worden vastgesteld op € 3.946,- per maand in 2023. Uitgaande van het eigen inkomen van de man resteert een aanvullende bruto behoefte van € 1.679,- per maand.
4.5.16.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man. Zij wil dat het verzoek van de man wordt afgewezen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de man zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het dient te worden afgewezen. Immers heeft de man niet voldaan aan de stelplicht die op hem rust ex artikel 150 Rv Pro. Het had op de weg van de man gelegen om zijn behoefte zoveel als mogelijk aan de hand van concrete gegevens te onderbouwen. Daarnaast betwist de vrouw dat de man behoefte heeft aan partneralimentatie.
Ingangsdatum
4.5.17.
Op grond van artikel 1:157 lid 6 BW Pro zal de te betalen partnerbijdrage ingaan op de dag waarop de echtscheiding tot stand komt door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Huwelijksgerelateerde behoefte
4.5.18.
Voor de berekening van partneralimentatie moet eerst worden vastgesteld welk bedrag de alimentatiegerechtigde nodig heeft om de kosten van te kunnen betalen. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de puur noodzakelijke kosten die de onderhoudsgerechtigde moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de onderhoudsgerechtigde daardoor gewend was om tijdens het huwelijk uit te geven. Dit wordt ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
4.5.19.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de bepaling van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. De hoogte van de behoefte is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Dit betekent dat de rechter niet alleen in aanmerking moet nemen wat de inkomsten tijdens de laatste periode van het huwelijk zijn geweest, maar ook een globaal inzicht moet hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk tot uitgangspunt wordt genomen. Deze norm biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte. Indien de behoefte in geschil is, kan het hanteren van de hofnorm als (enige) maatstaf voor die behoefte echter op gespannen voet komen te staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk.
4.5.20.
De man heeft gesteld dat zijn huwelijksgerelateerde behoefte dient te worden vastgesteld op basis van de hofnorm. Op basis daarvan begroot de man zijn behoefte op € 1.679,- per maand.
4.5.21.
De vrouw heeft de toepasselijkheid van de hofnorm niet gemotiveerd betwist. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van deze – in beginsel goed bruikbare – vuistregel voor het bepalen van de netto behoefte van de man en gaat de rechtbank eveneens voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man zijn behoefte onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd.
4.5.22.
De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de man vast op een bedrag van € 4.645,- netto per maand in 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de man € 4.859,- netto per maand. Gelet op de eigen inkomsten van de man en zijn aandeel in de kosten van de kinderen resteert er een netto aanvullende behoefte van € 1.750,- per maand, zijnde een bedrag van € 3.412,- bruto per maand.
Behoeftigheid
4.5.23.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de man redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag te verdienen. Als de man niet in staat is om zelf het bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte te verdienen, dan is hij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de man om partneralimentatie toewijzen.
4.5.24.
Partijen verschillen van mening in hoeverre de man zelf in zijn huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. De vrouw stelt dat van de man verlangd kan worden dat hij zich inspant om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft altijd zijn eigen inkomsten gegenereerd, zowel voor als tijdens het huwelijk. Volgens de vrouw kan de man verder zijn uren uitbreiden aangezien hij niet de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft, omdat de kinderen de helft van de tijd bij de vrouw verblijven. Bovendien heeft de man langere tijd zijn eigen onderneming gehad naast zijn werkzaamheden bij zijn huidige werkgever. Van de man wordt dan ook verwacht dat hij zijn verdiencapaciteit optimaliseert. Er zijn voor hem verder geen beperkingen om fulltime te werken. Het had op de weg van de man gelegen om meer inzage te geven in zijn huidige verdiencapaciteit. Voorts heeft de man geen aanvullende behoefte omdat hij, sinds partijen niet meer samenleven, nimmer om een bijdrage van de vrouw heeft verzocht. In ieder geval kan de partneralimentatie niet meer bedragen dan de draagkracht van de vrouw toelaat. Eigenlijk is de vrouw niet in staat om een partneralimentatie te voldoen nu zij inteert op haar spaargeld (bestaande uit de overwaarde van de verkoop van de echtelijke woning).
4.5.25.
De man voert verweer. Ter onderbouwing voert hij aan dat hij gelet op de huidige situatie niet in staat is zijn werkzaamheden uit te breiden. De man is één dag per week ziekgemeld om uitval te voorkomen. De man zal daarnaast altijd een aanvullende behoefte behouden, zelfs wanneer hij meer uren gaat werken. Wat de man betreft ligt de partneralimentatie besloten in de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt toen zij hun huwelijk sloten. Zij zijn verantwoordelijk voor elkaar en als nawerking van het huwelijk vloeit daar een partneralimentatie uit voort.
4.5.26.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de man momenteel gedeeltelijk is ziekgemeld. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat van de man op dit moment niet kan worden gevergd dat hij zijn verdiencapaciteit uitbreidt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook indien de man op korte termijn wel zijn werkzaamheden zou uitbreiden, het voor hem niet mogelijk is om alsdan volledig in zijn eigen netto behoefte te voldoen, gelet op de hoogte daarvan. Aldus acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de man behoeftig is.
Draagkracht vrouw
4.5.27.
De rechtbank leidt uit de alimentatieberekening af dat de vrouw, nadat zij de kosten van de kinderen heeft voldaan, nog beperkt ruimte heeft voor partneralimentatie. De rechtbank stelt vast dat de vrouw een bedrag van € 86,- bruto per maand kan betalen aan de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
4.6.
De huurwoningen
4.6.1.
Beide partijen verzoeken te bepalen dat het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres 1] aan de vrouw wordt toegekend en dat het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres 2] aan de man wordt toegekend. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.
4.7.
Afwikkeling huwelijksgemeenschap
4.7.1.
Beide partijen hebben verzocht de verdeling van de gemeenschap van goederen te bepalen op de door ieder van hen voorgestelde wijze.
Wettelijke algehele gemeenschap van goederen
4.7.2.
Niet is gesteld of anderszins de rechtbank gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 1:93 en Pro 1:94 BW, zoals deze golden tot 1 januari 2018, bestaat tussen partijen aldus een wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Op grond van artikel 1:100 BW Pro is het uitgangspunt dat de gemeenschap van goederen bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.
Peildatum samenstelling
4.7.3.
De vrouw stelde aanvankelijk dat voor het bepalen van de samenstelling van de gemeenschap uitgegaan diende te worden van het moment waarop het verzoekschrift is ingediend, zijnde 15 augustus 2024.
De man voerde aan dat voor de peildatum 16 augustus 2024 is omdat op die dag het verzoekschrift tot echtscheiding als ingekomen is geregistreerd bij de rechtbank.
4.7.4.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt, namelijk dat er voor de peildatum uitgegaan dient te worden van 16 augustus 2024, zijnde de dag waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is binnengekomen.
Peildatum waardering
4.7.5.
De peildatum voor de waardering is de datum waarop de verdeling plaatsvindt, dan wel een datum zo dicht mogelijk gelegen bij dat moment, te weten de datum van de beschikking. Wat betreft de peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap kunnen partijen in onderling overleg wel een andere peildatum overeenkomen. Zo’n overeenkomst heeft alleen verbintenisrechtelijke werking tussen partijen. De banksaldi en schulden worden gewaardeerd tegen de datum waarop de huwelijksgemeenschap is ontbonden, te weten 16 augustus 2024.
Samenstelling gemeenschap
4.7.6.
Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de gemeenschap van goederen moet voor de verdeling gekeken worden naar de goederen en schulden die op 16 augustus 2024 aanwezig waren. Partijen hebben over en weer – de hieronder genoemde – bestanddelen opgevoerd die op de peildatum tot de huwelijksgemeenschap behoorden:
inboedel;
bank- en spaarrekeningen;
DUO-schulden.
4.7.7.
Partijen twisten over de vraag of een schuld aan de ouders van de man deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap.
Ad a: inboedel
4.7.8.
Uit de processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat partijen overeenstemming hebben over de feitelijke en financiële verdeling van de inboedelgoederen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat voor hem akkoord is om het bedrag van € 1.734,- in verband met overbedeling aan de vrouw te voldoen zoals dat volgt uit productie 4 (de inboedellijst) van de zijde van de vrouw. De rechtbank zal conform de afspraak van partijen beslissen en de inboedellijst aan deze beschikking hechten.
4.7.9.
De vrouw heeft aanvankelijk nog verzocht om de toedeling van een vijftal specifieke inboedelgoederen. De vrouw heeft dit verzoek voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.
Ad b: bank- en spaarrekeningen
4.7.10.
De rechtbank stelt vast dat partijen de volgende bankrekeningen hebben:
- een betaalrekening op naam van beide partijen met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;
- een betaalrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ;
- een spaarrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;
- een betaalrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;
- een Oranje Spaarrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer 5] .
4.7.11.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat er tussen partijen wat betreft de gezamenlijke betaalrekening bij de ING Bank in feite geen geschil bestaat. Partijen zijn het erover eens dat deze rekening zal worden opgeheven waarbij het (resterende) saldo tussen partijen wordt verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat dit inmiddels ook is gebeurd. Aldus hoeft de rechtbank hierop niet meer te beslissen.
4.7.12.
Verder blijkt uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat partijen het erover eens zijn dat ieder de bankrekeningen zal voortzetten die op zijn/haar naam staan. Partijen hebben afgesproken dat de saldi op de betaalrekeningen tussen partijen bij helfte worden verdeeld en dat ieder het saldo op de eigen spaarrekening behoudt, zonder nadere verrekening met de ander. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Op de peildatum had de man een bedrag van € 2.705,36 op zijn betaalrekening. De vrouw had op 15 augustus 2024 een bedrag van € 933,72 op haar betaalrekening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat haar banksaldo op 16 augustus 2024 niet substantieel afweek van het saldo op 15 augustus 2024, zodat de man ermee akkoord is om uit te gaan van het saldo op de betaalrekening van de vrouw op 15 augustus 2024. De man dient in dit kader aan de vrouw nog een bedrag van € 885,82 te voldoen.
Ad c: DUO-schulden
4.7.13.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ten aanzien van de schulden bij DUO overeenstemming bereikt. Zij hebben met elkaar afgesproken dat ieder van partijen draagplichtig is voor zijn/haar eigen studieschuld. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Schuld aan ouders van de man
4.7.14.
De man verzoekt te bepalen dan wel voor recht te verklaren dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan zijn ouders ter hoogte van € 42.062,-. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat partijen op 2 augustus 2022 een mondelinge schenkingsovereenkomst zijn aangegaan met zijn ouders. De ouders van de man hebben aan partijen een bedrag van € 70.000,- geschonken, welk bedrag in twee delen door de man is ontvangen (te weten op 3 augustus 2022 een bedrag van € 50.000,- en op 4 augustus 2022 een bedrag van € 20.000,-). Op 4 augustus 2022 zijn aanvullende afspraken gemaakt over deze betalingen (productie 2 van de zijde van de man) waaruit volgt dat een bedrag van € 25.000,- daadwerkelijk een schenking betrof ten behoeve van de woning van partijen. De resterende € 45.000,- zou van de ouders van de man blijven maar ‘gestald’ worden op de rekening van partijen. Ook is afgesproken dat toekomstige giften dan wel terugbetalingen zouden worden bijgehouden, hetgeen ook is gebeurd. Op 1 september 2022 is verder een bedrag van € 2.900,- en op 14 december 2022 is een bedrag van € 38,- geschonken door de ouders van de man. Deze bedragen zijn in mindering gebracht op het ‘gestalde’ geld. Aldus dienen partijen nog een bedrag van € 42.062,- aan de ouders van de man terug te betalen.
4.7.15.
De vrouw voert verweer en ontkent dat partijen € 45.000,- van de ouders van de man hebben geleend. Ter onderbouwing voert zij aan dat de ouders van de man het bedrag van € 70.000,- op 4 augustus 2022 aan partijen hebben geschonken. Dit wordt bevestigd in de schenkingsovereenkomst van 16 augustus 2022. Ook uit de omschrijving (“schenking huis”) die staat vermeld bij de overschrijving van het geschonken bedrag volgt dat het een schenking betreft. Verder is op het formulier ‘Herkomst eigen middelen’– welk formulier partijen naar waarheid en op basis van hun huidige financiële positie hebben ingevuld – eveneens aangegeven dat partijen een schenking van € 70.000,- hadden ontvangen. Voorts wordt de schenking bevestigd in de aangifte schenkbelasting over 2022. Volgens de vrouw willen de ouders van de man het bedrag terug omdat de vrouw het initiatief heeft genomen tot de echtscheiding. Niet is gebleken dat het bedrag van € 45.000,- aangemerkt dient te worden als lening dan wel een schuld die moet worden terugbetaald. Indien partijen een lening zouden zijn aangegaan bij de ouders van de man was er wel een leningsovereenkomst opgesteld. Uit de afspraken schenking [de man] & [de vrouw] (productie 2 van de zijde van de man) volgt eveneens dat het bedrag is geschonken. Immers is opgenomen dat de ouders van de man voornemens zijn het volledige bedrag te schenken en dat indien zij het geld ‘nodig’ hebben, zij dit bedrag of een deel daarvan terug ontvangen. Dat hiervan sprake is, is niet gebleken. De ouders van de man hebben op 11 februari 2024 aan de man laten weten dat zij ‘gezien de ontstane situatie’ het geld terug willen ontvangen. Aldus is er geen sprake van een schuld aan de ouders van de man ter hoogte van € 42.062,- waar de vrouw bij helfte draagplichtig is. Het verzoek van de man dient te worden afgewezen.
Inhoudelijke beoordeling
4.7.16.
In zijn algemeenheid geldt in de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten op grond van artikel 1:100 BW Pro dat voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel worden gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
4.7.17.
De rechtbank kan uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, afleiden dat partijen een bedrag van € 70.000,- hebben ontvangen van de ouders van de man onder de vermelding “schenking huis” (productie 11 van de zijde van de vrouw). Op 3 augustus 2022 is een bedrag van € 50.000,- overgemaakt en op 4 augustus 2022 een bedrag van € 20.000,-. Dat er sprake is geweest van een mondelinge schenkingsovereenkomst op 2 augustus 2022 zoals de man stelt, is door de vrouw niet betwist zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van deze stelling. Op 4 augustus 2022 is door partijen een document ondertekend genaamd “
Afspraken document schenking [de man] & [de vrouw]”. Hierin staat vermeld dat partijen het bedrag van € 70.000,- hebben ontvangen, dat dit bedrag voor de Belastingdienst als eenmalige schenking geldt voor het huis dat partijen hebben gekocht en dat er op 4 augustus 2022onderhands nog aanvullend is afgesproken dat (1) € 25.000,- daadwerkelijk een schenking betrof voor het huis, dat (2) € 45.000,- eigendom zou blijven van de ouders van de man maar zou worden gestald op de rekening van partijen, dat (3) indien de ouders van de man het volledige of een deel van het bedrag nodig hebben zij dat terug ontvangen van partijen en dat (4) de ouders van de man voornemens zijn om in de toekomst aan partijen een aantal geldbedragen te geven, welke bedragen dan worden afgetrokken van de € 45.000,-. Toekomstige giften zouden worden bijgehouden op de tabel op de overeenkomst, hetgeen ook is gedaan. Uit de tabel volgt dat op 1 september 2022 partijen een schenking van € 2.900,- hebben ontvangen en op 14 december 2022 een schenking van € 38,-. Partijen hebben verder op 5 augustus 2022 het formulier “Herkomst eigen middelen” ondertekend waarop de schenking van € 70.000,- staat vermeld. Op 16 augustus 2022 hebben de man en zijn ouders een schenkingsovereenkomst getekend waarop staat vermeld dat op 2 augustus 2022 een schenking is overeengekomen en het bedrag van € 70.000,- is gestort op de betreffende rekening. De man heeft over het jaar 2022 aangifte schenkbelasting gedaan bij de belastingdienst waarin een schenking staat genoemd van 70.000,-. Vervolgens hebben de ouders van de man op 11 februari 2024 een e-mail gestuurd waarin staat: “
Hierbij willen wij, gezien de ontstane situatie tussen jou en [de vrouw] , het uitgeleende bedrag van € 42.062,- bij verkoop van jullie woning direct terug ontvangen. Dit conform de gemaakte afspraken op 4 augustus 2022”.
4.7.18.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de bedragen van € 25.000,-, € 2.900,- en € 38,- in ieder geval door de ouders van de man aan partijen zijn geschonken. Aldus spitst het geschil van partijen zich toe op het bedrag van € 42.062,-. Partijen zijn het niet eens in hoeverre dit bedrag in de onderlinge verhouding tussen partijen en de ouders van de man gekwalificeerd dient te worden. Zij hebben hier uiteenlopende opvattingen over. Nu de standpunten van partijen zodanig tegenover elkaar staan en uit de processtukken niet onomstreden volgt of het geldbedrag een schenking of een schuld betreft, is het voor de rechtbank niet mogelijk om hier een oordeel over te geven.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man het bestaan van de schuld naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De man heeft evenmin een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.
4.7.19.
Nu het bestaan van de schuld (op de peildatum) niet is komen vast te staan, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/755545 / FA RK 24-5602
5.1.
stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen als volgt vast:
- in de even weken verblijven de kinderen van maandag uit school dan wel het kinderdagverblijf en naschoolse opvang tot en met woensdagmiddag 17:15 uur bij de vrouw en van woensdagmiddag 17:15 uur tot en met maandagochtend (begin oneven week) naar school dan wel het kinderdagverblijf bij de man;
- in de oneven weken verblijven de kinderen van maandagmiddag uit school dan wel het kinderdagverblijf en naschoolse opvang tot en met woensdagochtend naar school dan wel het kinderdagverblijf bij de vrouw en vanaf woensdagochtend naar school dan wel het kinderdagverblijf tot en met vrijdagmiddag verblijven de kinderen bij de man en is de man verantwoordelijk voor de opvang van de kinderen waarna de kinderen van vrijdagmiddag uit school dan wel het kinderdagverblijf en naschoolse opvang tot en met maandagochtend naar school dan wel het kinderdagverblijf bij de vrouw verblijven;
- gedurende de schoolvakanties, de feest en overige vrije dagen verblijven de kinderen bij een van beide partijen in overeenstemming met het vastgestelde en aan deze beschikking gehechte vakantieschema (productie 3 van de zijde van de vrouw).
5.2.
beslist dat de man vanaf heden een bedrag van € 47,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;
5.3.
beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
5.4.
beslist dat de vrouw vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 86,- bruto per maand moet betalen aan de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
5.5.
beslist dat de vrouw vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 89,96 bruto per maand moet betalen aan de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
5.6.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres 1] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
5.7.
bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres 2] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
5.8.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/780322 / FA RK 25-9636
5.10.
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast:
- aan de man wordt toebedeeld:
 de inboedelgoederen conform de aan deze beschikking gehechte inboedellijst, onder de verplichting om aan de vrouw een bedrag van € 1.734,- te vergoeden;
 het saldo op de bankrekening ( [rekeningnummer 2] ) die op zijn naam staat, onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te vergoeden;
 het saldo op de spaarrekening ( [rekeningnummer 3] ) die op zijn naam staat, zonder nadere verrekening van het saldo met de vrouw;
- aan de vrouw wordt toebedeeld:
 de inboedelgoederen conform de aan deze beschikking gehechte inboedellijst;
 het saldo op de bankrekening ( [rekeningnummer 4] ) die op haar naam staat, onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum aan de man te vergoeden;
 het saldo op de spaarrekening ( [rekeningnummer 5] ) die op haar naam staat, zonder nadere verrekening van het saldo met de man;
- stelt vast dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat ieder van partijen draagplichtig is voor zijn/haar eigen studieschuld bij DUO;
5.11.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.12.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.C.M. Oude Hengel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 22 april 2026. [1]
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
9.736
Af: kosten van de kinderen
-
1.995
Saldo
7.741
Netto behoefte obv 60%
4.645
Netto behoefte
4.645
#
Indexeren
ja
Startjaar
2025
Eindjaar
2026
Netto behoefte geïndexeerd
4.859
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
4.859
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
3.807
Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen
698
Kosten kinderen uit eigen inkomen
698
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
3.109
Netto aanvullende behoefte
1.75
Bruto aanvullende behoefte
3.412
Specificatie Berekening Bruto aanvullende Behoefte
zonder PA
met PA
59
Inkomsten / verdiencapaciteit
55.724
55.724
78*
Te ontvangen bruto partneralimentatie
40.944
113*
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
55.724
96.668
95*
Inkomensheffing box 1
20.247
37.978
114*
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
20.247
37.978
115*
Heffingskortingen
-
9.099
-
7.762
(met een algemene heffingskorting van)
1.337
117*
Verschuldigde inkomensheffing
11.148
30.216
Inkomen na aftrek inkomstenheffing
44.576
66.452
117a*
Af: Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
-
863
119a
Bij: Netto inkomsten
1.104
1.104
#
Af: Bijdrage kosten kinderen uit eigen inkomen
-
-
8.376
120b*
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
45.68
58.317
(per maand)
3.807
4.86
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
59.456
Bruto inkomsten
59.456
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
3.66
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
72
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
55.724
59
Inkomsten
55.724
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
55.724
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
55.724
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
6.478
95
Inkomensheffing box 1
20.247
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
55.724
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
20.247
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
9.099
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
11.148
Inkomen na aftrek inkomensheffing
44.576
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.337
jaar
Arbeidskorting
4.776
jaar
Combinatiekorting
2.986
jaar
119a
Bij: Netto inkomsten
1.104
120
Besteedbaar inkomen
45.68
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
45.68
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.807
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
45.68
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
3.807
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
3.807
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.142
134a
Extra lasten opnemen
70
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.522
136a
Draagkrachtruimte
1.285
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
900
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
900
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
3.807
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
1.142
134b
Extra lasten opnemen
70
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.522
136b
Draagkrachtruimte
1.285
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
1.285
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
771
140
Beschikbaar
771
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
698
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
698
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
73
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
73
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
116
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 876 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
55.724
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 876, € 876 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
1.401
jaar
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
1.401
jaar
Of per maand
116
maand
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
99.456
44
Vakantietoeslag
9.084
46a
Inkomsten uit overwerk waarover geen vakantietoeslag wordt berekend
14.208
48
Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering
8.244
Bruto inkomsten
130.992
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
6.744
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
264
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
123.984
59
Inkomsten
123.984
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
123.984
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
123.984
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
23.347
95
Inkomensheffing box 1
51.499
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
123.984
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
51.499
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.318
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
48.181
Inkomen na aftrek inkomensheffing
75.803
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
332
jaar
Combinatiekorting
2.986
jaar
Bij: Kindgebonden budget
1.625
120
Besteedbaar inkomen
77.428
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
77.428
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
6.452
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
1.625
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
75.803
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
6.317
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
6.452
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Werkelijke woonlasten
2.598
134a
Extra lasten opnemen
157
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
4.065
136a
Draagkrachtruimte
2.387
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.671
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.671
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
6.317
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Werkelijke woonlasten
2.598
134b
Extra lasten opnemen
157
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
4.065
136b
Draagkrachtruimte
2.252
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
2.252
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
1.351
140
Beschikbaar
1.351
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
1.297
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
1.297
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
54
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
54
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
86
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 648 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
123.984
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 648, € 648 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
1.036
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
jaar
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
1.036
jaar
Of per maand
86
maand
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Tarieven
2025-2
Alimentatieplichtige
Alimentatiegerechtigde
Kindgebonden budget na scheiding
81
Alleenstaande ouderkop
55
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
3.807
6.452
Aantal kinderen
2
Kind 1
Kind 2
Leeftijd
6
4
Woont bij
AP
AG
1
1
Ex-partner
Zorgkorting Alimentatiegerechtigde
%
Zorgkorting Alimentatieplichtige
%
35
35
Zorgkorting tbv.
AP
AP
Kind 1
Kind 2
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
863
864
1.727
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
134
134
268
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
997
998
1.995
Zorgkorting
€ p/m
302
302
604
Draagkracht
Alimentatieplichtige
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
450
450
900
Draagkracht Alimentatieplichtige per kind
€ p/m
450
450
900
Draagkracht Alimentatieplichtige
€ p/m
450
450
900
Alimentatiegerechtigde
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
835
836
1.671
Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind
€ p/m
835
836
1.671
Draagkracht Alimentatiegerechtigde
€ p/m
835
836
1.671
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
1.285
1.286
2.571
Bijdrage kosten kinderen
Aandeel Alimentatieplichtige
€ p/m
349
349
698
Af: zorgkorting
€ p/m
- 302
- 302
- 604
Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting
€ p/m
47
47
94
Aandeel Alimentatiegerechtigde
€ p/m
648
649
1.297
Af: zorgkorting
€ p/m
- 0
- 0
- 0
Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting
€ p/m
648
649
1.297

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).