Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4201

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
762575 HA ZA 25-61
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 AVA 2013Art. 11 lid 1 AVA 2013Art. 11 lid 3 AVA 2013Art. 11 lid 4 AVA 2013Art. 7 lid 2 AVA 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg bouwtermijn en betaling bij renovatie woning met opschorting en retentierecht

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor renovatie van een woning met een bouwtermijn van veertig werkbare weken en een aanneemsom van ruim 1,5 miljoen euro. De aannemer begon in week 9 van 2023, maar haalde de afgesproken bouwtermijn niet. De opdrachtgever was volgens de aannemer in verzuim met betalingen vanaf de 13e termijnfactuur.

De rechtbank stelde vast dat de bouwtermijn door het overeengekomen meerwerk verlengd mocht worden en dat de opdrachtgever de ingeplande oplevering niet mocht weigeren. De aannemer mocht daarom haar werkzaamheden opschorten en retentierecht uitoefenen. De woning werd op 4 juni 2024 in gebruik genomen, wat als oplevering geldt, ondanks dat niet alle oplevergebreken waren verholpen.

Niet alle facturen waren direct opeisbaar; de 13e en 14e termijnfacturen waren opeisbaar en niet tijdig betaald, waardoor de opdrachtgever in verzuim was. De 15e en 16e termijnfacturen waren ook opeisbaar. De verrekenfactuur en sommige meerwerkfacturen zijn nog onderwerp van nadere akte. De rechtbank wees de meeste vorderingen van de opdrachtgever af wegens onvoldoende onderbouwing van schade en onterecht ingeroepen boetes.

De procedure wordt voortgezet voor nadere toelichting op meerwerkfacturen en oplevergebreken. De rechtbank wees de retentierechtaanwending van de aannemer toe en bepaalde dat de opdrachtgever de verschuldigde facturen met rente moet voldoen.

Uitkomst: Aannemer mocht bouwtermijn verlengen, opdrachtgever was in verzuim met betaling, aannemer mocht opschorten en retentierecht uitoefenen, en opdrachtgever moet opeisbare facturen met rente voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762575 / HA ZA 25-61
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.M. Breedijk,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.D. Poot.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 januari 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- het tussenvonnis van 2 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een aannemingsbedrijf.
2.2.
[gedaagden] is eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning).
2.3.
Op 17 januari 2023 zijn partijen overeengekomen dat [eiser] tegen betaling van [gedaagden] van € 1.537.315,53 (hierna: de aanneemsom) de woning zou renoveren (hierna: de overeenkomst). Partijen hebben in de overeenkomst de volgende afspraken gemaakt. Bij oplevering moet 95% van de aanneemsom zijn betaald. De aanneemsom brengt [eiser] in zestien termijnen in rekening:
  • 10% bij opdrachtverlening,
  • 5% bij start funderingsherstel,
  • 5% bij start overig,
  • 10 maal 7% naar rato werkzaamheden,
  • 5% naar rato werkzaamheden,
  • 2,5% na oplevering en één maand na onderhoudstermijn bouw,
  • 2,5% na oplevering en drie maanden na onderhoudstermijn installaties.
De dag nadat het werk als opgeleverd geldt, gaat een onderhoudstermijn van dertig dagen in.
[eiser] begint minstens dertig werkdagen na datum overeenkomst met haar werkzaamheden en zal opleveren binnen veertig werkbare werkweken. Als de termijn wordt overschreden en dit is toe te rekenen aan [eiser] , is [eiser] een boete van € 150 per werkdag verschuldigd aan [gedaagden] [eiser] zal zorgen voor een snelle oplevering, omdat [gedaagden] daarbij belang heeft. [gedaagden] is zich ervan bewust dat externe factoren van invloed kunnen zijn op de bouwtermijnen. Het werk moet van hoge kwaliteit met hoog afwerkingsniveau volgens de tekeningen, materialen en instructies van [gedaagden] of door [gedaagden] ingeschakelde derden zijn.
2.4.
Onderdeel van de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 (hierna: AVA 2013). Daarin staat onder andere het volgende:
  • facturen hebben een betaaltermijn van veertien dagen (artikel 7 lid Pro 2),
  • kleine gebreken die in de onderhoudstermijn kunnen worden hersteld, mogen voor de opdrachtgever geen reden zijn op het werk af te keuren, mits deze een eventuele ingebruikneming niet in de weg staan (artikel 9 lid Pro 3),
  • de aannemer heeft door onder andere meerwerk recht op verlenging van de termijn waarbinnen het werk zal worden opgeleverd (artikel 10 lid Pro 2),
  • als de opdrachtgever niet tijdig betaalt, is vanaf de vervaldatum van een factuur wettelijke rente verschuldigd en vanaf veertien dagen daarna ook een contractuele rente van 2% (artikel 11 lid Pro 1),
  • de aannemer mag van de opdrachtgever zekerheid verlangen als de opdrachtgever hetgeen de aannemer volgens de overeenkomst toekomt niet of niet tijdig betaalt (artikel 11 lid Pro 3),
  • als de opdrachtgever een op hem rustende verplichting niet nakomt en de aannemer hem hierop schriftelijk heeft gewezen, mag de aannemer onder andere het werk opschorten tot het moment waarop de opdrachtgever deze verplichting is nagekomen (artikel 11 lid Pro 4).
2.5.
[gedaagden] had de heer [naam] (hierna: [naam] ) aangesteld als bouwdirectie.
2.6.
In week 9 van 2023 (27 februari tot en met 3 maart) is [eiser] begonnen met de verbouwing.
2.7.
Wekelijks waren er besprekingen tussen in elk geval [eiser] en [naam] , waarbij onder andere de voortgang van de verbouwing werd besproken (hierna: de bouwvergaderingen). Van deze bouwvergaderingen zijn bouwverslagen gemaakt.
2.8.
[eiser] heeft de volgende facturen aan [gedaagden] gestuurd, met ieder een betaaltermijn van veertien dagen:
  • op 20 februari 2024: € 107.612,08 (hierna: 13e termijnfactuur),
  • op 4 maart 2024: € 76.865,78 (hierna: 14e termijnfactuur),
  • op 18 maart 2024: € 84.505,44 (hierna: 2e meerwerkfactuur).
2.9.
Op 19 maart 2024 heeft [eiser] per e-mail aan [naam] de volgende planning voorgesteld: de vooroplevering op 8 april 2024 en de eindoplevering op 12 april 2024.
2.10.
Bij de vooroplevering op 8 april 2024 waren [eiser] en [naam] aanwezig en is er een lijst met opleverpunten opgesteld (hierna: de vooropleverlijst). [eiser] heeft de vooropleverlijst de dag erna gemaild naar [gedaagden] en [naam] .
2.11.
Op 11 april 2024 heeft [naam] namens [gedaagden] aan [eiser] gemaild dat de geplande oplevering van de dag erna niet kan doorgaan, omdat de verbouwing eerst volledig klaar moet zijn.
2.12.
Diezelfde dag heeft [eiser] aan [naam] gemaild dat de 13e termijnfactuur en de 2e meerwerkfactuur uiterlijk de volgende ochtend moesten zijn betaald, anders zou [eiser] haar werk neerleggen en haar retentierecht inroepen.
2.13.
Op 12 april 2024 heeft [eiser] het grootste deel van haar werkzaamheden neergelegd. Ook had [eiser] in april 2024 het slot van de woning vervangen, waardoor [gedaagden] niet meer zelf de woning kon inkomen. Het oorspronkelijk slot is een paar dagen later teruggeplaatst.
2.14.
Op 24 april 2024 heeft [gedaagden] de 13e termijnfactuur volledig betaald – er stond tot dan een restant van € 17.612,08 open. Op 30 april 2024 heeft [gedaagden] als zekerheidsstelling het bedrag van de 14e termijnfactuur en de 2e meerwerkfactuur overgemaakt naar de derdengeldrekening van de advocaat van [eiser] (mr. Breekdijk).
2.15.
Op 16 mei 2024 heeft [eiser] haar werkzaamheden in de woning hervat.
2.16.
Op 4 juni 2024 is [gedaagden] verhuisd naar de woning.
2.17.
Op 29 juli 2024 heeft [eiser] de volgende facturen aan [gedaagden] gestuurd, met ieder een betaaltermijn van veertien dagen:
  • € 38.432,89 (hierna: de 15e termijnfactuur),
  • € 38.432,88 (hierna: de 16e termijnfactuur),
  • € 23.887,30 (hierna: de 3e meerwerkfactuur),
  • € 38.963,66 (hierna: de verrekenfactuur).
2.18.
Op 15 november 2024 heeft [eiser] [gedaagden] gesommeerd om de nog openstaande facturen te betalen: de 14e termijnfactuur, de 2e meerwerkfactuur en de onder 2.17 genoemde facturen. [gedaagden] heeft niet betaald.
2.19.
[eiser] heeft niet alle oplevergebreken verholpen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank [gedaagden] veroordeelt om te betalen aan [eiser] : € 301.087,95 plus rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Daarnaast vordert [eiser] dat de rechtbank bepaalt dat [gedaagden] ook meteen aan het vonnis moet voldoen als hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[eiser] baseert haar vorderingen op de volgende stellingen. Met [gedaagden] is afgesproken dat de woning zou worden opgeleverd binnen veertig werkbare werkweken na start van de verbouwing, maar [eiser] mocht de bouwtermijn verlengen omdat [gedaagden] veel meerwerk had aangevraagd en traag was in besluiten nemen. [gedaagden] is sinds de 13e termijnfactuur in verzuim, omdat hij vanaf toen zijn betalingsverplichting niet of te laat is nagekomen. De 14e termijnfactuur is zoals afgesproken verstuurd toen 95% van het werk klaar was. Ook was sprake van schuldeisersverzuim, omdat [gedaagden] heeft geweigerd mee te werken aan de oplevering. Om die reden mocht [eiser] haar werkzaamheden tijdelijk opschorten. Als opleverdatum geldt 12 april 2024, primair omdat [gedaagden] de uitnodiging tot oplevering niet binnen de gestelde termijn van acht dagen heeft geweigerd. Als de rechtbank dat standpunt niet volgt, stelt [eiser] (subsidiair) dat [gedaagden] per die datum oplevering niet mocht weigeren, omdat het werk al klaar was. [gedaagden] is verschuldigd: de 14e termijnfactuur, de 2e meerwerkfactuur en de onder 2.17 genoemde facturen. [gedaagden] moet ook de rente over die facturen en de 13e termijnfactuur betalen.
3.3.
[gedaagden] is het niet eens met de vorderingen en licht dat als volgt toe. De afspraak was dat [eiser] eind oktober 2023 de woning zou opleveren, maar dat is niet gebeurd. [gedaagden] en zijn gezin hebben hierdoor veel stress ervaren. De ontstane vertraging komt voor rekening en risico van [eiser] , want dat is zo afgesproken in de overeenkomst. Ook heeft [eiser] niet gewaarschuwd dat het meerwerk voor vertraging zou zorgen en [gedaagden] heeft steeds op tijd zijn besluiten doorgegeven. Daarnaast mocht [eiser] niet opschorten, want [gedaagden] was niet in verzuim. De 13e termijnfactuur was pas opeisbaar als 95% van het werk klaar was en de 14e termijnfactuur als alles klaar zou zijn. Het werk is nog steeds niet gereed, omdat te veel opleverpunten openstaan. [eiser] heeft dan ook nog niet opgeleverd. In juni 2024 is [gedaagden] noodgedwongen naar de woning verhuisd, omdat het vorige huis al was verkocht en moest worden opgeleverd aan de nieuwe eigenaren. Die gedwongen ingebruikneming geldt niet als oplevering.
in reconventie
3.4.
[gedaagden] vordert na vermeerdering van eis, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat [eiser] ten onrechte een retentierecht heeft ingeroepen en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [gedaagden] ,
II. voor recht verklaart dat [eiser] de werkzaamheden die zijn opgesomd in producties 11 en 13 bij conclusie van antwoord tijdig en correct moet uitvoeren, dat niet heeft gedaan en aansprakelijk is voor alle schade die [gedaagden] daardoor lijdt,
III. op straffe van een dwangsom, [eiser] veroordeelt om binnen dertig dagen de werkzaamheden die zijn opgesomd in producties 11 en 13 bij conclusie van antwoord deugdelijk en kwalitatief op hoog niveau uit te voeren.
Daarnaast vordert [gedaagden] dat de rechtbank [eiser] veroordeelt om te betalen aan [gedaagden] :
IV. € 42.750 aan vertragingsboete tot en met 7 januari 2025 en daarna € 150 per dag totdat de woning van [gedaagden] deugdelijk is opgeleverd,
V. de schade die [gedaagden] door toedoen van [eiser] lijdt, op te maken bij staat,
VI. € 84.505,44 plus rente,
VII. de proceskosten.
3.5.
[gedaagden] baseert zijn vorderingen op het volgende. [gedaagden] heeft derden ingeschakeld om de woning op tijd bewoonbaar te maken, omdat [eiser] weigerde de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. De kosten die daarmee gemoeid zijn moet [eiser] vergoeden. De rest van de openstaande opleverpunten moet [eiser] nog steeds uitvoeren. Tot die tijd is [eiser] een contractuele boete verschuldigd. Ook mocht [eiser] geen retentierecht inroepen, want dat was disproportioneel en heeft geleid tot schade bij [gedaagden] Verder heeft [gedaagden] onder dwang de 2e meerwerkfactuur overgemaakt naar de derdengeldrekening van de advocaat van [eiser] , maar dat moet worden terugbetaald. Die factuur klopt niet. Niet al het gefactureerde meerwerk is uitgevoerd en ook is niet al het meerwerk (volledig) gecrediteerd.
3.6.
[eiser] voert gemotiveerd verweer.

4.De beoordeling

in conventie
veertig weken bouwtermijn, bouwtijdverlenging, geen contractuele boete
4.1.
Partijen verschillen van mening over wanneer [eiser] moest opleveren. [eiser] stelt dat zij zonder meerwerk zou opleveren binnen veertig werkbare werkweken nadat zij was gestart met haar werkzaamheden. Dat zou volgens [eiser] uitkomen op week 51 van 2023, omdat zij is gestart in week 9 van 2023 en tussendoor drie weken bouwvak was. Ook stelt [eiser] op grond van artikel 10 lid 2 AVA Pro 2013 recht te hebben op bouwtijdverlenging, omdat er veel meerwerk is bijgekomen en [gedaagden] zijn beslissingen vaak niet op tijd heeft doorgegeven. Volgens [gedaagden] is vanwege zijn gezinssituatie afgesproken dat [eiser] eind oktober 2023 zou opleveren, en was dit een harde vereiste.
4.2.
In de overeenkomst staat dat het werk wordt opgeleverd “
binnen de nader op te stellen/overeen te komen detailplanning, daarin opgenomen 40 werkbare werkweken (…)”en dat het werk aanvangt minimaal dertig werkdagen na de overeenkomst. Dertig werkdagen na datum overeenkomst komt neer op week 9 van 2023. Toen is [eiser] ook begonnen met de verbouwing. Dat betekent dat – rekening houdend met een bouwvak van drie weken – [eiser] in principe moest opleveren in week 51 van 2023. De rechtbank kan niet vaststellen dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] eerder dan dat moest opleveren. In het verslag van de eerste bouwvergadering van 24 maart 2023 staat weliswaar dat een aangepaste planning is ontvangen, die eind oktober 2023 “
sluit”, maar daarbij is ook vermeld dat een en ander afhankelijk is van de in te plannen derden en dat de planning wekelijks zal worden bijgehouden. Vervolgens wordt uit de verslagen van de bouwvergaderingen erna duidelijk dat de planning opschoof. Daaruit valt af te leiden dat niet is afgesproken dat [eiser] eind oktober 2023 moest opleveren. Daarom moet worden uitgegaan van wat in de overeenkomst is afgesproken: week 51 van 2023.
4.3.
Vaststaat dat [eiser] de overeengekomen bouwtermijn niet heeft gehaald. Toch is [eiser] geen contractuele boete van € 150 per werkdag verschuldigd, zoals [gedaagden] stelt. Vanwege het meerwerk had [eiser] recht op verlenging van de overeengekomen bouwtermijn. Dat volgt uit artikel 10 lid 2 AVA Pro 2013. Dat moet voor [gedaagden] ook duidelijk zijn geweest. In de overeenkomst staat dat [gedaagden] zich ervan bewust is dat externe factoren van invloed kunnen zijn op de bouwtermijnen. Ook staat in de bouwverslagen meerdere keren aangegeven dat (door extra werk) de planning zal worden aangepast. Zo wordt in het bouwverslag van 16 juni 2023 voor de eerste keer melding gemaakt dat de uitgebreide constructie voor het dakterras en de levertijd van een pui gevolgen hebben voor de oplevering. In de bouwverslagen van 15 september 2023 en daarna staat dat door de constructie van de zolder en de pui de planning tot minimaal januari 2024 doorloopt, en daarbij nog diverse derden ingepland moeten worden. In het bouwverslag van 10 november 2023 staat dat de planning inmiddels is opgeschoven naar februari 2024. In de bouwverslagen van 24 november 2023 en verder staat dat de nieuwe planning ervan uitgaat dat wordt opgeleverd in week 11 van 2024 (11 tot en met 15 maart). Weliswaar is in meerdere bouwverslagen vermeld dat [gedaagden] ontevreden is met de bouwtijdverlenging en een oplevering wenst in oktober 2023, maar nergens volgt dat [gedaagden] niet akkoord gaat met de bouwtijdverlenging en eist dat [eiser] binnen een bepaalde periode oplevert, die [eiser] vervolgens niet is nagekomen.
Daarnaast had [gedaagden] de ingeplande oplevering op 12 april 2024 niet mogen weigeren, omdat het niet aan de opdrachtgever is om te weigeren mee te werken aan de oplevering wanneer de aannemer aangeeft dat hij kan opleveren. Een oplevering dient juist om eventuele gebreken vast te stellen. Om deze redenen is [eiser] geen contractuele boete aan [gedaagden] verschuldigd.
[eiser] heeft opgeleverd
4.4.
Op 4 juni 2024 heeft [gedaagden] de woning in gebruik genomen. Dat betekent dat in elk geval vanaf die datum is opgeleverd. De rechtbank gaat niet mee in het verweer van [gedaagden] dat het een gedwongen ingebruikname was omdat hij met zijn gezin moest verhuizen terwijl hij de woning grotendeels niet kon gebruiken. Vaststaat dat [eiser] niet alle oplevergebreken heeft verholpen, maar [gedaagden] heeft niet duidelijk gemaakt welke door hem gestelde gebreken ingebruikneming van de woning niet mogelijk maakten.
opeisbaarheid facturen: 13e termijn bij 90%, 14e termijn bij 95%
4.5.
In de overeenkomst hebben partijen afspraken gemaakt over welke facturen wanneer opeisbaar zouden zijn (zie 2.3). Afgesproken is dat de dertiende factuur – dus de 13e termijnfactuur – zou worden betaald als 90% van de werkzaamheden klaar zou zijn (10% plus 5% plus 5% plus 10 maal 7%). De veertiende factuur – dus de 14e termijnfactuur – moest worden betaald als 95% van het werk gereed was.
4.6.
[gedaagden] voert aan dat toen de 14e termijnfactuur werd verzonden, [eiser] nog 4,4% van haar werkzaamheden moest uitvoeren. Dat betekent dat ook volgens het standpunt van [gedaagden] op dat moment minimaal 95% van het werk van [eiser] klaar was. De 14e termijnfactuur was dus opeisbaar op het moment dat deze werd verstuurd. [gedaagden] is dan ook in verzuim sinds vervaldatum van die factuur. [gedaagden] is daarom de 14e termijnfactuur verschuldigd.
4.7.
De rechtbank gaat ervan uit dat de 13e termijnfactuur opeisbaar was op het moment dat [eiser] deze had gestuurd (20 februari 2024, zie 2.8), omdat [gedaagden] niet heeft betwist dat [eiser] toen 90% van het werk af had. [gedaagden] heeft deze factuur niet op tijd voldaan, omdat de factuur een vervaltermijn heeft van veertien dagen maar pas (volledig) werd betaald op 24 april 2024 (zie 2.14). [gedaagden] was dus ook in verzuim vanwege de 13e termijnfactuur.
[eiser] mocht opschorten en retentierecht inroepen
4.8.
Aangezien [gedaagden] in verzuim was, mocht [eiser] op grond van artikel 11 lid 4 AVA Pro 2013 haar werkzaamheden op 12 april 2024 opschorten totdat [gedaagden] zou voldoen aan zijn betalingsverplichting. Daardoor mocht [eiser] ook gebruik maken van haar retentierecht.
15e termijnfactuur opeisbaar
4.9.
In de overeenkomst is afgesproken dat de 15e termijnfactuur moet worden betaald na oplevering en één maand na de onderhoudstermijn van de bouw. De onderhoudstermijn van dertig dagen gaat in op de dag nadat het werk als opgeleverd geldt (zie 2.3). De 15e termijnfactuur is op 29 juli 2024 verstuurd, dus nadat de termijn zoals afgesproken in de overeenkomst is verstreken. Dat betekent dat die factuur inmiddels ook opeisbaar is. [gedaagden] moet dus de 15e termijnfactuur betalen.
16e termijnfactuur opeisbaar
4.10.
In de overeenkomst is afgesproken dat de 16e termijnfactuur moet worden betaald na oplevering en drie maanden na de onderhoudstermijn van de installaties. Uitgaande van een opleverdatum van 4 juni 2024 (zie 4.4), betekent dit dat de factuur opeisbaar werd op 5 september 2024. [gedaagden] moet dan ook de 16e termijnfactuur betalen.
verrekenfactuur: nadere aktes
4.11.
[eiser] vordert betaling van de verrekenfactuur van € 38.963,66 (zie 2.17). Die factuur is (nog) niet opeisbaar. [gedaagden] hoeft deze factuur pas te betalen als alle oplevergebreken zijn verholpen. Dat is nog niet gebeurd.
Partijen zullen zich bij akte uit mogen laten over de stand van zaken met betrekking tot de oplevergebreken.
2e en 3e meerwerkfactuur: nadere aktes
4.12.
[eiser] vordert de 2e meerwerkfactuur van € 84.505,44 (zie 2.8) en de 3e meerwerkfactuur van € 23.887,30 (zie 2.17). [gedaagden] heeft voldoende onderbouwd toegelicht dat hij niet alle op die facturen vermelde werkzaamheden is verschuldigd, omdat [eiser] niet al het minderwerk (volledig) in mindering heeft gebracht. Zo heeft [gedaagden] op zitting uitgelegd dat [eiser] in eerste instantie inbouwkasten in de grote slaapkamer zou bouwen en daarvoor kosten in rekening heeft gebracht, maar dat [eiser] die opdracht heeft teruggegeven en slechts een gedeelte van € 147 heeft gecrediteerd. De rechtbank ziet daarom aanleiding om [gedaagden] bij akte in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over deze twee meerwerkfacturen, waarbij hij duidelijk maakt welke daarop vermelde posten hij niet (volledig) hoeft te betalen en waarom niet, en welk eventueel minderwerk nog in mindering moet worden gebracht en waarom. [eiser] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte daarop te reageren.
contractuele rente toegestaan
4.13.
[eiser] vordert bij niet of te laat betaalde facturen op grond van artikel 11 lid 1 AVA Pro 2013 veertien dagen na de vervaldatum van de desbetreffende facturen een contractuele rente van 2% bovenop de wettelijke rente.
4.14.
De rechtbank toetst een beroep op dit beding ambtshalve aan het toepasselijk Nederlands en Europees consumentenrecht en acht dit beding niet onredelijk bezwarend. Het is toegestaan bij overeenkomst van de wettelijke rente af te wijken en de overeengekomen verhoging leidt niet tot een onaanvaardbaar hoge rente, want deze blijft beneden de wettelijke handelsrente die in de rechtspraak als bovengrens als toelaatbaar wordt gezien. Indien [eiser] per saldo een vordering heeft zal daarom de wettelijke rente vermeerderd met deze verhoging van 2% worden toegewezen.
4.15.
Daarom is [gedaagden] vanaf vervaldatum van de 13e,, 14e, 15e en 16e termijnfacturen de daarover gevorderde contractuele rente verschuldigd. Voor de 14e termijnfactuur geldt dat de gevorderde rente is verschuldigd totdat het bedrag dat als zekerheidsstelling is overgemaakt naar de derdengeldrekening van mr. Breedijk is vrijgegeven. Voor de rest van de facturen is de rente verschuldigd tot volledige betaling daarvan.
verder verloop procedure
4.16.
De zaak wordt verwezen naar de rol zoals onder de beslissing vermeld. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. Bij eindvonnis zal de rechtbank beslissen op de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
in reconventie
4.17.
De rechtbank heeft onder 4.8 vastgesteld dat [eiser] niet ten onrechte een retentierecht heeft ingeroepen. Vordering I. van [gedaagden] (zie 3.4) wordt daarom afgewezen.
4.18.
[gedaagden] vordert een contractuele boete omdat volgens [gedaagden] [eiser] te laat heeft opgeleverd. Die vordering (onder IV.) wordt afgewezen, omdat de rechtbank onder 4.3 heeft vastgesteld dat [eiser] vanwege het opgedragen meerwerk bouwtijdverlenging toekwam, zodat zij niet te laat heeft opgeleverd en [eiser] dus geen contractuele boete is verschuldigd aan [gedaagden]
4.19.
[gedaagden] stelt dat hij derden heeft ingeschakeld om de woning op tijd bewoonbaar te maken en daarvoor kosten heeft gemaakt, die [eiser] moet vergoeden. Die vordering (onder V.) wordt afgewezen, omdat [gedaagden] onvoldoende heeft onderbouwd welke schade hij heeft geleden door toedoen van [eiser] . Zo heeft [gedaagden] niet duidelijk gemaakt dat hij een fatale termijn aan [eiser] heeft gesteld voor (herstel)werkzaamheden en dat als [eiser] de termijn niet zou halen, hij werkzaamheden aan de woning zou laten uitvoeren op kosten van [eiser] . Ook heeft [gedaagden] niet duidelijk gemaakt welke derden hij heeft ingeschakeld voor welke werkzaamheden, en welke kosten daarmee zouden zijn gemoeid.
4.20.
[gedaagden] vordert dat [eiser] het bedrag van € 84.505,44 dat als zekerheidsstelling naar de derdengeldrekening van mr. Breedijk is overgemaakt aan hem wordt terugbetaald (vordering VI.). De rechtbank houdt deze beslissing aan gelet op wat is overwogen onder 4.12.
4.21.
Verder vordert [gedaagden] dat [eiser] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om de oplevergebreken zoals opgenoemd in producties 11 en 13 bij conclusie van antwoord deugdelijk en op kwalitatief hoog niveau uit te voeren (onder III.) De rechtbank houdt deze beslissing aan gelet op wat is overwogen onder 4.12. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden] daarbij schade heeft geleden, die [eiser] moet vergoeden (onder II.), wordt afgewezen, omdat is vastgesteld dat [gedaagden] geen schade heeft geleden door toedoen van [eiser] .
4.22.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van
27 mei 2026voor akte uitlating door [gedaagden] , zoals overwogen onder 4.11 en 4.12, waarna [eiser] op de rol van vier weken later een antwoordakte kan nemen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.3.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.