Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,
1.De procedure
2.De feiten
- 10% bij opdrachtverlening,
- 5% bij start funderingsherstel,
- 5% bij start overig,
- 10 maal 7% naar rato werkzaamheden,
- 5% naar rato werkzaamheden,
- 2,5% na oplevering en één maand na onderhoudstermijn bouw,
- 2,5% na oplevering en drie maanden na onderhoudstermijn installaties.
- facturen hebben een betaaltermijn van veertien dagen (artikel 7 lid Pro 2),
- kleine gebreken die in de onderhoudstermijn kunnen worden hersteld, mogen voor de opdrachtgever geen reden zijn op het werk af te keuren, mits deze een eventuele ingebruikneming niet in de weg staan (artikel 9 lid Pro 3),
- de aannemer heeft door onder andere meerwerk recht op verlenging van de termijn waarbinnen het werk zal worden opgeleverd (artikel 10 lid Pro 2),
- als de opdrachtgever niet tijdig betaalt, is vanaf de vervaldatum van een factuur wettelijke rente verschuldigd en vanaf veertien dagen daarna ook een contractuele rente van 2% (artikel 11 lid Pro 1),
- de aannemer mag van de opdrachtgever zekerheid verlangen als de opdrachtgever hetgeen de aannemer volgens de overeenkomst toekomt niet of niet tijdig betaalt (artikel 11 lid Pro 3),
- als de opdrachtgever een op hem rustende verplichting niet nakomt en de aannemer hem hierop schriftelijk heeft gewezen, mag de aannemer onder andere het werk opschorten tot het moment waarop de opdrachtgever deze verplichting is nagekomen (artikel 11 lid Pro 4).
- op 20 februari 2024: € 107.612,08 (hierna: 13e termijnfactuur),
- op 4 maart 2024: € 76.865,78 (hierna: 14e termijnfactuur),
- op 18 maart 2024: € 84.505,44 (hierna: 2e meerwerkfactuur).
- € 38.432,89 (hierna: de 15e termijnfactuur),
- € 38.432,88 (hierna: de 16e termijnfactuur),
- € 23.887,30 (hierna: de 3e meerwerkfactuur),
- € 38.963,66 (hierna: de verrekenfactuur).
3.Het geschil
4.De beoordeling
binnen de nader op te stellen/overeen te komen detailplanning, daarin opgenomen 40 werkbare werkweken (…)”en dat het werk aanvangt minimaal dertig werkdagen na de overeenkomst. Dertig werkdagen na datum overeenkomst komt neer op week 9 van 2023. Toen is [eiser] ook begonnen met de verbouwing. Dat betekent dat – rekening houdend met een bouwvak van drie weken – [eiser] in principe moest opleveren in week 51 van 2023. De rechtbank kan niet vaststellen dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] eerder dan dat moest opleveren. In het verslag van de eerste bouwvergadering van 24 maart 2023 staat weliswaar dat een aangepaste planning is ontvangen, die eind oktober 2023 “
sluit”, maar daarbij is ook vermeld dat een en ander afhankelijk is van de in te plannen derden en dat de planning wekelijks zal worden bijgehouden. Vervolgens wordt uit de verslagen van de bouwvergaderingen erna duidelijk dat de planning opschoof. Daaruit valt af te leiden dat niet is afgesproken dat [eiser] eind oktober 2023 moest opleveren. Daarom moet worden uitgegaan van wat in de overeenkomst is afgesproken: week 51 van 2023.
Daarnaast had [gedaagden] de ingeplande oplevering op 12 april 2024 niet mogen weigeren, omdat het niet aan de opdrachtgever is om te weigeren mee te werken aan de oplevering wanneer de aannemer aangeeft dat hij kan opleveren. Een oplevering dient juist om eventuele gebreken vast te stellen. Om deze redenen is [eiser] geen contractuele boete aan [gedaagden] verschuldigd.
5.De beslissing
27 mei 2026voor akte uitlating door [gedaagden] , zoals overwogen onder 4.11 en 4.12, waarna [eiser] op de rol van vier weken later een antwoordakte kan nemen,