Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4213

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
779072
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.C.J. Hamming
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 202 RvArt. 1019aa lid 1 RvArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot medewerking aan deskundigenonderzoek en vergoeding buitengerechtelijke kosten na verkeersongeval

Op 25 augustus 2018 raakte verzoeker betrokken bij een verkeersongeval waarbij zij van achteren werd aangereden, wat leidde tot ernstig letsel en langdurige klachten. De aansprakelijkheid werd erkend door de verzekeraar Baloise, maar er bleef discussie bestaan over de causaliteit van bepaalde klachten en de omvang van de schade.

Verzoeker verzocht de rechtbank om medewerking aan een oogheelkundig en neuropsychologisch deskundigenonderzoek, een voorschot op schadevergoeding, en vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De rechtbank oordeelde dat medewerking aan het oogheelkundig onderzoek gerechtvaardigd is om de impasse in de onderhandelingen te doorbreken, maar wees het neuropsychologisch onderzoek af omdat hierover geen afgebakend geschilpunt bestond.

Daarnaast werd het verzoek tot een nadere bevoorschotting afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van causaal verband en omvang van de schade. De rechtbank kende een gedeeltelijke vergoeding van buitengerechtelijke kosten toe, gelet op de redelijkheid en noodzaak, en begrootte de kosten van de deelgeschilprocedure, waarbij een deel van de gevorderde kosten werd afgewezen als bovenmatig.

De beschikking draagt bij aan het bevorderen van een minnelijke regeling door het faciliteren van medisch onderzoek en het regelen van kostenvergoedingen binnen de civiele procedure.

Uitkomst: De rechtbank beveelt medewerking aan oogheelkundig onderzoek en kent gedeeltelijke vergoeding van buitengerechtelijke kosten toe, terwijl het verzoek tot neuropsychologisch onderzoek en nadere bevoorschotting wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/779072 / HA RK 25-411
Beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. L.J.V. van de Ven,
tegen

1.BALOISE BELGIUM N.V.,

te Brussel (België),
advocaat: mr. P. Oskam,
2.
CBC NETHERLANDS B.V.,
te Capelle aan den IJssel,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: Baloise en CBC.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 november 2025,
- de tussenbeschikking van 8 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 februari 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 25 augustus 2018 heeft [verzoeker] een verkeersongeval gehad. Zij werd met hoge snelheid van achteren aangereden, waardoor zij in een slip raakte met haar auto, meerdere keren over de kop sloeg en in de sloot belandde met haar auto. Degene die haar aanreed is verzekerd bij Balosie.
2.2.
De rechtsvoorganger van Baloise (“
CED”), ingeschakeld door CBC, heeft op 17 december 2018 aansprakelijkheid erkend voor het ongeval.
2.3.
In december 2018 kreeg [verzoeker] een subretinale bloeding in haar linkeroog.
2.4.
In augustus 2019 heeft [naam 1], in opdracht van CED, een eerste medisch rapport uitgebracht. Daarin schrijft hij onder andere over het oogletsel:

Het tijdsbeloop sluit in deze het ongeval als oorzaak niet uit, de vastgestelde vaatafwijking in/onder het netvlies (voornoemde vasculopathie) wijst echter niet direct in die richting en laat toevallige comorbiditeit als oorzaak over (...).
Dat ik vanwege het vermoedelijk belangrijke aandeel van de oogproblematiek niet uitsluit dat t.z.t. in ieder geval een oogheelkundige expertise wenselijk is.
(…) Alvorens het zo ver is, moet ik echter allereerst hechten aan een nadere actualisering van de hand van alle betrokken artsen/specialisten en paramedici/therapeuten.
2.5.
In september 2019 is [verzoeker] geopereerd aan netvliesloslating in haar linkeroog.
2.6.
Op 15 november 2021 heeft [naam 2], op verzoek van CED, een medisch advies uitgebracht. Daarin concludeert [naam 2]: “
De oogproblematiek komt met name voort uit vaatproblematiek in de ogen, waarvoor injecties gegeven worden. Dit is geen ongevalsgevolg en dat geldt ook voor de staar.”.
2.7.
Partijen hebben lange tijd met elkaar onderhandeld over de afwikkeling van de schade zonder overeenstemming te bereiken. CBC en Baloise zijn de onderhandelingen gestopt op 4 juli 2025.
2.8.
[verzoeker] ervaart op dit moment klachten in haar linkeroog, cognitieve klachten, neurologische klachten en orthopedische klachten. Daarnaast heeft zij psychische klachten ontwikkeld, waarvoor de diagnose PTSS is gegeven.
2.9.
[verzoeker] heeft in totaal € 57.000 aan voorschot ontvangen van CBC en Baloise. Verder heeft zij € 15.481,84 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ontvangen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank, bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover mogeijk hoofdelijk:
I. te bevelen dat Baloise en CBC medewering dienen te verlenen aan oogheelkundig onderzoek door oogarts drs. [naam 3], dr. [naam 4] of dr. [naam 5] van het [bedrijf] te [plaats] conform de sinds 1 november 2025 geldende IWMD-vraagstelling, en medewerking aan neuropsychologisch onderzoek door neuropsycholoog [naam 6], conform zowel de NvN-vraagstelling als de zogenaamde Tromp-Elemans vraagstelling;
II. te bepalen dat Baloise en CBC een voorschot op de schade onder algemene titel aan [verzoeker] dienen uit te keren ten bedrage van € 50.000;
III. te bepalen dat Baloise en CBC de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 13.959,31 aan [verzoeker] dienen te vergoeden,
IV. de kosten van de deelgeschilprocedure te begroten en Baloise en CBC te veroordelen tot vergoeding daarvan aan [verzoeker], zoals hiervoor begroot, te vermeerderen met het door [verzoeker] verschuldigde griffierecht.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. De weigering van CBC en Baloise om causaal verband te erkennen tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker], belemmert het vaststellen van de schade en het bereiken van een minnelijke regeling. Om deze impasse te doorbreken, is het nodig om twee deskundigen aan te wijzen. [naam 1] zag aanleiding om een oogarts aan te wijzen en - gelet op nog bestaande klachten - is daarnaast een neuropsychologisch onderzoek nodig. [verzoeker] heeft de schade zelf op € 258.885 begroot, waardoor een extra voorschot van € 50.000 bovenop de reeds betaalde € 57.000 rechtvaardig is. Ook is de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten nodig, omdat de verleende juridsich hulp noodzakelijk was en direct verband houdt met de schade.
3.3.
Baloise en CBC voeren verweer. De omstandigheden waaronder in een deelgeschil medewerking aan een deskundigenonderzoek kan worden bevolen, zijn in deze zaak niet aan de orde. [verzoeker] had hiervoor een verzoek moeten doen tot een voorlopig deskundigenonderzoek (artikel 202 Rv Pro). Voor het toekennen van een (nader) voorschot is volgens Baloise en CBC geen ruimte en de gevorderde kosten zijn niet toewijsbaar.

4.De beoordeling

Verzoek medewerking aan medische expertise
4.1.
De deelgeschilprocedure is bedoeld om een persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid te bieden om de rechter te verzoeken te beslissen op bepaalde geschilpunten, zodat de vastgelopen buitengerechtelijke onderhandelingen weer op gang gebracht kunnen worden en de totstandkoming van een minnelijke regeling wordt bevorderd. Uit de wetsgeschiedenis van de deelgeschillenregeling volgt dat deze procedure een aanvulling vormt op de reeds bestaande procesrechtelijke instrumenten, waaronder het voorlopig deskundigenbericht. [1] De memorie van toelichting noemt de vraag of een deskundige geraadpleegd moet worden als voorbeeld van een geschilpunt dat in een deelgeschil aan de rechter kan worden voorgelegd.
4.2.
Een voorlopig deskundigenbericht kan worden toegewezen binnen de deelgeschilprocedure, als dat bijdraagt aan het doorbreken van de impasse tussen partijen en het bereiken van een minnelijke regeling. Daarvan is in dit geval sprake voor wat betreft het aanstellen van een oogarts. In augustus 2019 heeft [naam 1] in zijn medisch rapport, dat hij heeft opgesteld in opdracht van CED, aangegeven dat oogheelkundige expertise wenselijk is. Daarbij gaf [naam 1] wel aan dat het medisch dossier geactualiseerd moet worden. Tussen partijen is discussie blijven bestaan over welke klachten en welke schade als ongevalsgerelateerd zijn aan te merken. [naam 2] heeft in een later rapport beschreven dat de oogproblematiek geen ongevalsgevolg is, maar het is de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan de door [naam 1] genoemde mogelijkheid dat dit wel ongevalsgerelateerd is, door [naam 2] volledig is uitgesloten. Dit onderwerp is tussen partijen nog onverminderd in geschil.
4.3.
De rechtbank weegt mee dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij bereid is om een geactualiseerd medisch dossier over te leggen, zodat ook aan de voorwaarde wordt voldaan die [naam 1] voor het verrichten van oogheelkundige expertise noemde. Een oogarts kan op basis van de actuele informatie duidelijkheid verschaffen voor de beoordeling van de eventuele aanwezigheid van causaal verband. Dit kan bijdragen aan het voortzetten van de onderhandelingen tussen partijen in het bereiken van een minnelijke regeling. Verder zijn partijen het eens over de aan te stellen deskundige, namelijk dr. [naam 4], en de vraagstelling, namelijk de per 1 november 2025 geldende IWMD-vraagstelling. Onder deze omstandigheden zal het verzoek van [verzoeker] voor zover dat betrekking heeft op oogheelkundig onderzoek worden toegewezen.
4.4.
Voor het verzoek tot het aanwijzen neuropscyholoog ligt dit anders. Partijen twisten over de vraag of er aanleiding bestaat voor een neuropsychologisch onderzoek, over de aan te wijzen deskundige en over de vraagstelling. Het is daarom niet een afgebakend geschilpunt dat binnen de deelgeschilregeling afgedaan kan worden om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van [verzoeker] hoort voor wat betreft dit onderdeel meer thuis in een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 202 Rv Pro. De rechtbank wijst het verzoek tot het bevelen van medewerking aan neuropsychologisch onderzoek af.
Nadere bevoorschotting
4.5.
Voor de toewijzing van een nader voorschot moet voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het ongeval, en dat de omvang daarvan de door [verzoeker] reeds ontvangen € 57.000 te boven gaat.
4.6.
Op dit moment kan de rechtbank (voorshands) geen causaal verband aannemen tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval. Ook de omvang van eventuele ongevalsgerelateerde schade is nog volledig in geschil. Dit betekent dat er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten zijn om aanemelijk te achten dat de schade van [verzoeker] de al aan haar verstrekte voorschotten overstijgt. Het verzoek tot nadere bevoorschotting wordt daarom afgewezen.
Verdere vergoeding buitengerechtelijke kosten
4.7.
Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Dit houdt in dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk moet zijn en ook dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is in het kader van de behandeling van de zaak.
4.8.
Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets is onder meer van belang de aard en omvang van de schade en de complexiteit van de zaak. Daarnaast komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten, met dien verstande dat ook als uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden aanspraak op vergoeding van deze kosten kan bestaan. Ook de opstelling van partijen kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang ervan. Verder is van belang dat ook in relatief eenvoudige zaken of in zaken met een (vaak pas achteraf vast te stellen) relatief gering (financieel) belang, de belangen van de benadeelde adequaat behartigd moeten worden.
4.9.
[verzoeker] verzoekt CBC en Baloise te veroordelen tot betaling van € 13.959,31. Vanaf 2019 tot en met oktober 2021 hebben CBC en Baloise € 15.481,84 aan buitengerechtelijke kosten vergoed. Daarna heeft tussen partijen nog onderhandeling plaatsgevonden om tot een minnelijke regeling te komen. CBC en Baloise hebben aangevoerd dat inhoudelijke reacties vanuit [verzoeker] tijdens de onderhandelingen steeds uitbleven en dat zij telkens de medische informatie (ter onderbouwing van haar stellingen) niet heeft geactualiseerd. Dit komt ook terug in de tussen partijen gevoerde correspondentie. Daarmee heeft [verzoeker] het proces onnodig gecompliceerd. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet alle kosten als redelijk zijn aan te merken. De rechtbank wijst daarom de verdere vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand toe tot een bedrag van € 6.979,66.
Kosten deelgeschil
4.10.
De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten, ook indien een verzoek niet of gedeeltelijk wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Voor begroting van de kosten op de voet van artikel 1019aa Rv komen in beginsel alleen de kosten in aanmerking die direct verband houden met de gevoerde deelgeschilprocedure.
4.11.
[verzoeker] vordert € 10.979 aan kosten voor het deelgeschil. Een van de kostenposten is 7 uur aan correspondentie en overleg tussen [verzoeker] en de advocaat. In het kader van de aard, omvang en complexiteit van deze zaak, komt de rechtbank dit enigszins bovenmatig voor, in die zin dat het niet redelijk is om alle kosten voor deze communicatie voor rekening van CBC en Baloise te laten komen. De rechtbank zal daarom 3,5 uur toewijzen voor deze post. CBC en Baloise worden gelet op het voorgaande hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 9.814,38.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt dat Baloise en CBC medewerking dienen te verlenen aan oogheelkundig onderzoek door oogarts dr. [naam 4] van het [bedrijf] te [plaats] conform de sinds 1 november 2025 geldende IWMD-vraagstelling;
5.2.
veroordeelt Baloise en CBC tot betaling van € 6.979,66 aan buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand;
5.3.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.814,38 inclusief btw;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.C.J. Hamming, bijgestaan door mr. F.A. Nusman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 3