De werknemer trad in 2015 in dienst bij de oorspronkelijke eigenaar van een supermarkt. In december 2025 werd de supermarkt verkocht aan een andere vennootschap, waarbij een overeenkomst werd gesloten over de overname van inventaris, goodwill en voorraad, maar niet expliciet personeel. De werknemer ontving na 24 december 2025 geen loon meer en betwistte het einde van zijn arbeidsovereenkomst, omdat hij de vaststellingsovereenkomst niet had ondertekend.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet door vaststellingsovereenkomst was geëindigd, omdat geen aanvaarding was gebleken. Vervolgens werd vastgesteld dat sprake was van overgang van onderneming, omdat de nieuwe eigenaar de supermarkt feitelijk voortzette met dezelfde bedrijfsmiddelen en slechts een korte onderbreking van activiteiten was geweest.
De werknemer was daardoor van rechtswege bij de nieuwe eigenaar in dienst gekomen en had recht op loonbetaling vanaf 24 december 2025. De wettelijke verhoging werd gematigd tot 10%. De nieuwe eigenaar werd veroordeeld tot loonbetaling, het overleggen van salarisspecificaties en proceskosten, terwijl de werknemer in proceskosten ten opzichte van de oude eigenaar werd veroordeeld.