Uitspraak
2. de vennootschap onder firma
[gedaagde 3],
[gedaagde 4],
[gedaagde 5],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak vordert de werknemer in kort geding betaling van achterstallig loon vanaf 24 december 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, alsmede wettelijke verhoging en proceskosten. Deze loonvordering wordt ook in een bodemprocedure (verzoekschriftprocedure) behandeld.
Tijdens de mondelinge behandeling, die gelijktijdig met de bodemprocedure plaatsvond, is gebleken dat de loonvordering in de bodemprocedure reeds is toegewezen. Hierdoor ontbreekt het spoedeisend belang voor de loonvordering in kort geding, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Desondanks wordt de werkgever in de proceskosten veroordeeld omdat de werknemer bij aanvang van het kort geding wel degelijk een spoedeisend belang had. De proceskosten worden begroot op €93,00 aan griffierecht, waarbij geen vergoeding voor advocaatkosten wordt toegekend vanwege eerdere toekenning in de bodemprocedure. De vordering tegen de andere gedaagde wordt afgewezen en deze wordt veroordeeld in de proceskosten van de andere partij, begroot op nihil.
Het vonnis is gewezen door kantonrechter R. Kruisdijk en griffier M.F. van Grootheest en op 17 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De loonvordering in kort geding wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang, proceskosten worden deels toegewezen.