Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4235

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
12119647 KK EXPL 26-145
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering kort geding wegens toewijzing bodemprocedure

In deze zaak vordert de werknemer in kort geding betaling van achterstallig loon vanaf 24 december 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, alsmede wettelijke verhoging en proceskosten. Deze loonvordering wordt ook in een bodemprocedure (verzoekschriftprocedure) behandeld.

Tijdens de mondelinge behandeling, die gelijktijdig met de bodemprocedure plaatsvond, is gebleken dat de loonvordering in de bodemprocedure reeds is toegewezen. Hierdoor ontbreekt het spoedeisend belang voor de loonvordering in kort geding, zodat deze vordering wordt afgewezen.

Desondanks wordt de werkgever in de proceskosten veroordeeld omdat de werknemer bij aanvang van het kort geding wel degelijk een spoedeisend belang had. De proceskosten worden begroot op €93,00 aan griffierecht, waarbij geen vergoeding voor advocaatkosten wordt toegekend vanwege eerdere toekenning in de bodemprocedure. De vordering tegen de andere gedaagde wordt afgewezen en deze wordt veroordeeld in de proceskosten van de andere partij, begroot op nihil.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter R. Kruisdijk en griffier M.F. van Grootheest en op 17 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De loonvordering in kort geding wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang, proceskosten worden deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12119647 \ KK EXPL 26-145
Vonnis in kort geding van 17 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.T. Willemsen,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: mr. H.A. van Dalsen.
2. de vennootschap onder firma
[gedaagde 2],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
4.
[gedaagde 4],
wonende te [woonplaats 3] ,
gedaagde partij,
5.
[gedaagde 5],
wonende te [woonplaats 4] ,
gedaagde partij,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 6],
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
gedaagden 2 tot en met 6 hierna samen te noemen: [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. D.C. Coppens.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 5 maart 2026 heeft [eiser] een voorlopige voorziening gevorderd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ieder voorafgaand aan de mondelinge behandeling een conclusie van antwoord met (een) productie(s) ingediend.
1.2.
Op 31 maart 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. Deze is gelijktijdig behandeld met een door [eiser] tegen dezelfde partijen (met uitzondering van [gedaagde 6] ) aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure met zaaknummer / rekestnummer: 12114917 \ EA VERZ 26-234. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Willemsen. Voor [eiser] was een tolk Farsi, S.M. Amini , aanwezig. Namens [gedaagde 1] zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. Van Dalsen. Namens [gedaagde 2] zijn verschenen [gedaagde 3] en [gedaagde 5] , vennoten, en [naam 4] , bijgestaan door mr. Coppens, die ook [gedaagde 4] en [gedaagde 6] vertegenwoordigde. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten nader toegelicht, [eiser] mede aan de hand van spreekaantekeningen. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten wordt verwezen naar de heden gewezen beschikking in de onder 1.2. vermelde verzoekschriftprocedure.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat:
I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot (door)betaling van het achterstallig salaris vanaf 24 december 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het onder II verzochte bedrag,
III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben, afzonderlijk van elkaar, verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is.
4.2.
Het loon dat [eiser] in dit kort geding vordert, verzoekt hij ook in de verzoekschriftprocedure, die een bodemprocedure is. Omdat in die procedure de loonvordering van [eiser] jegens [gedaagde 2] (en haar vennoten) wordt toegewezen, heeft [eiser] geen (spoedeisend) belang meer bij zijn loonvordering in dit kort geding. Zijn vordering zal daarom worden afgewezen.
4.3.
Desondanks zal [gedaagde 2] in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. Op het moment dat [eiser] dit kort geding startte, had hij een spoedeisend belang bij zijn vordering. Het is op verzoek van [gedaagde 1] geweest dat dit kort geding en de verzoekschriftprocedure gelijktijdig zijn behandeld, waardoor in die procedures op dezelfde dag uitspraak is gedaan. Het gegeven dat in de verzoekschriftprocedure de loonvordering van [eiser] jegens [gedaagde 2] is toegewezen, maakt dat [eiser] in dat kader in het gelijk is gesteld en hij dit kort geding niet onnodig is gestart.
4.4.
Omdat in de verzoekschriftprocedure reeds aan [eiser] een vergoeding voor advocaatkosten is toegewezen en het verzoekschrift en de kortgedingdagvaarding nagenoeg gelijkluidend waren, wordt in deze procedure geen vergoeding voor advocaatkosten uitgesproken. Aan [eiser] is een toevoeging verleend. Daarom komen in deze zaak de explootkosten ten laste van het rijk. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling aan de griffier van de ten laste van het rijk gekomen exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk. Dit betekent dat de proceskosten van [eiser] worden begroot op € 93,00 aan griffierecht.
4.5.
Omdat [eiser] in de verzoekschrift procedure jegens [gedaagde 1] in het ongelijk is gesteld wordt hij in dit kort geding jegens haar ook in het ongelijk gesteld en in de proceskosten veroordeeld. Omdat niet aannemelijk is dat [gedaagde 1] voor dit kort geding afzonderlijk kosten heeft gemaakt, worden haar proceskosten tot en met heden begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] (en haar vennoten) in de proceskosten van € 93,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 1] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
57170