Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4236

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/13/760454 / FA RK 24-8290
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 sub a Brussel II-terArt. 10:56 BWArt. 4 lid 3 aanhef en sub a RvArt. 5 lid 1 Verordening HuwelijksvermogensstelselsArt. 4 lid 2 aanhef en onder a Haags Huwelijksvermogensverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en huurrecht met complexe afwikkeling huwelijksgemeenschap onder Pools en Nederlands recht

Partijen, gehuwd in Polen in 2007 en beiden Pools van nationaliteit, verzoeken de echtscheiding uit te spreken en het huurrecht van de echtelijke woning toe te kennen aan de vrouw. De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is op het echtscheidingsverzoek en het huurrecht.

De afwikkeling van de huwelijksgemeenschap is complex vanwege het 'wagonstelsel' van toepasselijk recht: het Poolse recht was van toepassing tot 30 december 2017, daarna het Nederlandse recht tot 16 mei 2024, waarna huwelijkse voorwaarden met scheiding van goederen gelden. Partijen hebben nagelaten concrete en inzichtelijke standpunten en bewijsstukken te overleggen over de vermogensposities in de verschillende periodes.

De rechtbank oordeelt dat zonder volledige en onderbouwde informatie geen beslissing kan worden genomen over de verdeling van het huwelijksvermogen. Daarom wijst zij het verzoek tot verdeling af. De echtscheiding wordt uitgesproken en het huurrecht aan de vrouw toegekend. Iedere partij draagt eigen proceskosten.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, huurrecht toegekend aan vrouw, verzoek tot verdeling huwelijksgemeenschap afgewezen wegens onvoldoende inzicht.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/760454 / FA RK 24-8290 (echtscheiding)
C/13/782495 / FA RK 26-696 (verdeling)
Beschikking van 28 april 2026 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de man],
blijkens de huwelijksakte [de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. T. Dreiling, gevestigd te Leiden,
tegen
[de vrouw],
blijkens de huwelijksakte [de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.R. Brouwer, gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 27 november 2024;
- het verweerschrift van de vrouw, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen op 31 januari 2025;
- het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen op 14 maart 2025;
- het F9-formulier van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 23 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Poolse taal.
1.3.
Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 29 december 2007 met elkaar gehuwd te [plaats 1] , Polen .
2.2.
Uit het huwelijk van partijen zijn geen (minderjarige) kinderen geboren.
2.3.
Beide partijen hebben de Poolse nationaliteit.

3.De verzoeken en het verweer

3.1.
De man verzoek voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
2. te bepalen dat de vrouw huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2];
3. de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen, waarbij:
o de auto met kenteken [kenteken] aan de man wordt toebedeeld;
o de inboedel van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld;
een en ander kosten rechtens.
3.2.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man, behoudens het verzoek met betrekking tot de echtscheiding en het huurrecht van de echtelijke woning. De vrouw verzoekt zelfstandig voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat de vrouw alleen huurster zal zijn van de voormalige echtelijke woning staande en gelegen aan de [adres] te [plaats 2], althans dat het huurrecht aan haar toekomt met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
de wijze van verdeling, zoals door de vrouw nog nader zal worden verzocht, vast te stellen en aan te houden voor de duur van 2 maanden.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De echtscheiding
4.2.
Beide partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.1.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding (artikel 3 lid 1 sub a Brussel Pro II-ter).
4.2.2.
Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing (artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Inhoudelijke beoordeling
4.2.3.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
4.3.
Het huurrecht van de echtelijke woning
4.3.1.
Beide partijen verzoeken te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegekend.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.3.2.
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 3 aanhef Pro en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning.
4.3.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.4.
Het verzoek om het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toe te kennen, zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
4.4.
De afwikkeling van de huwelijksgemeenschap
4.4.1.
De man verzoekt te bepalen dat de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap wordt verdeeld op de door hem voorgestelde wijze, waarbij de man zich op het standpunt stelt dat Pools recht van toepassing is.
4.4.2.
De vrouw verzoekt de wijze van verdeling – zoals door de vrouw nader zal worden verzocht – vast te stellen, waarbij de vrouw zich op het standpunt stelt dat Pools recht van toepassing is.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek ingetrokken, zodat de rechtbank hier niet meer op hoeft te beslissen. De vrouw heeft verder tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij voornemens is een separate (verdelings)procedure bij de (handels)rechter te starten om tot een afwikkeling van de huwelijksgemeenschap van partijen te kunnen komen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.4.3.
Nu de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 lid 1 sub a Brussel Pro II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft zij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot de huwelijksvermogensstelsels van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening Pro Huwelijksvermogensstelsels).
4.4.4.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat partijen hun huwelijk in ieder geval zijn gestart onder het huwelijksvermogensregime van een gemeenschap van goederen en dat zij op 16 mei 2024 in een notariële akte huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn overeengekomen waarin een scheiding van goederen als huwelijksvermogensstelsel is bepaald.
4.4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat voornoemde notariële akte van 16 mei 2024 huwelijkse voorwaarden betreffen en dat deze rechtsgeldig zijn overeengekomen, zodat de rechtbank daar vanuit gaat. Tussen partijen is verder niet in geschil dat in de huwelijkse voorwaarden van 16 mei 2024 geen rechtskeuze is opgenomen, zodat de rechtbank ook daar vanuit gaat.
4.4.6.
Voor de vraag welk recht van toepassing is op de afwikkeling van het huwelijksvermogensstelsel van partijen is – met inachtneming van het voorgaande – het navolgende van belang. Partijen zijn gehuwd na 1 september 1992 (de datum waarop het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) voor Nederland van kracht is geworden) en vóór 29 januari 2019 (de datum waarop de Europese Verordening Huwelijksvermogensstelsels (nr. 2016/1103) voor Nederland van kracht is geworden), zodat in beginsel het Verdrag bepaalt welk recht het huwelijksvermogensregime beheerst.
4.4.7.
Niet is gesteld of gebleken dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Dit betekent dat de vraag naar het toepasselijke recht moet worden beantwoord op basis van de objectieve verwijzingsregel van artikel 4 van Pro het Verdrag.
4.4.8.
Uit de basisregistratie personen leidt de rechtbank af dat de vrouw zich op 5 juni 2015 in Nederland bij de gemeente heeft laten inschrijven en dat de man heeft zich op 30 april 2020 in Nederland bij de gemeente heeft laten inschrijven. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen desgevraagd verklaard dat zij zich direct na hun huwelijkssluiting in Nederland hebben gevestigd, maar dat zij zich pas op een later moment bij de gemeente hebben laten inschrijven. Aldus gaat de rechtbank op basis van de verklaringen van partijen ervan uit dat de eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland is gelegen.
4.4.9.
Nu de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting de Poolse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit hadden, Polen een nationaliteitsland is en partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland (dat een verklaring in de zin van artikel 5 van Pro het Verdrag heeft afgelegd) hebben gevestigd, wordt op grond van artikel 4 lid 2 aanhef Pro en onder a van het Verdrag het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door het Poolse recht.
4.4.10.
Tijdens het huwelijk van partijen heeft zich echter wel een automatische wijziging voorgedaan in het toepasselijk recht op grond van artikel 7 lid 2 onder Pro 2 van het Verdrag, omdat partijen vanaf 30 december 2017 langer dan tien jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Het gevolg is dat vanaf dat moment het Nederlandse recht van toepassing is geworden, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen vanaf 30 december 2017 een algehele gemeenschap van goederen hebben gehad. De eerder verkregen goederen blijven vallen onder het recht waaronder zij zijn verkregen, zijnde het Poolse recht.
4.4.11.
Vervolgens zijn partijen in mei 2024 huwelijkse voorwaarden overeengekomen waarin zij een algehele scheiding van goederen zijn overeengekomen. In deze huwelijkse voorwaarden lijken partijen aansluiting te zoeken bij het Poolse Familiewetboek.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.12.
Het voorgaande betekent dat gedurende de eerste tien jaar van het huwelijk van partijen – aldus tot 30 december 2017 – het Poolse recht van toepassing was op hun huwelijksvermogensregime. Niet is gesteld of gebleken dat partijen destijds, bijvoorbeeld door het maken van huwelijkse voorwaarden, van het wettelijke uitgangspunt zijn afgeweken. Het uitgangspunt van het Poolse wettelijke huwelijksvermogensregime is de beperkte gemeenschap van goederen, bestaande uit drie vormen van vermogen, te weten het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, het privévermogen van de vrouw en het privévermogen van de man. Bij echtscheiding hebben de ex-echtgenoten, voor zover hier relevant, recht op een gelijk aandeel in de gemeenschap van goederen
(artikel 31 tot Pro en met 46 van het Poolse Familiewetboek).
4.4.13.
Sinds 30 december 2017 is het Nederlandse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Het Nederlandse recht kende tot 1 januari 2018 als wettelijk huwelijksvermogensregime de algehele gemeenschap van goederen. Niet gesteld of gebleken is dat partijen destijds bij huwelijkse voorwaarden een daarvan afwijkend huwelijksgoederenregime zijn overeengekomen, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat er tussen partijen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen op grond van artikel 1:93 en Pro 1:94 (oud) BW. Bij verdeling van de ontbonden gemeenschap hebben partijen op grond van artikel 1:100 BW Pro een gelijk aandeel in die ontbonden gemeenschap.
4.4.14.
Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door de algehele gemeenschap van goederen tot 16 mei 2024. Immers zijn partijen op die datum huwelijkse voorwaarden met elkaar overeengekomen waarin zij een afwijkend huwelijksvermogensregime zijn overeengekomen, namelijk een algehele scheiding van goederen. Partijen hebben in deze huwelijkse voorwaarden verder aansluiting gezocht bij het Poolse Familiewetboek. Aldus wordt vanaf 16 mei 2024 het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door de overeengekomen huwelijkse voorwaarden.
4.4.15.
De rechtbank overweegt dat partijen hebben nagelaten concrete en inzichtelijke standpunten in te nemen ten aanzien van het toepasselijk recht, de verschillende periodes en wat de gevolgen daarvan zijn voor de verdeling van hun huwelijksgemeenschap. Het is voor de rechtbank onduidelijk of partijen nog een onverdeelde huwelijksgemeenschap hebben die ziet op de periode van vóór inwerkingtreding van het Nederlandse huwelijksvermogensregime dan wel vóór inwerkingtreding van de akte huwelijkse voorwaarden. In zijn petitum heeft de man slechts verzocht om verdeling van twee vermogensbestanddelen, namelijk de auto (aan hem) en de inboedel van de echtelijke woning (aan de vrouw). De vrouw heeft op haar beurt in haar verweerschrift van 31 januari 2025 geen concrete verdelingsverzoek(en) ingediend, maar zij heeft wel uitgebreid stilgestaan bij de inhoud van het Poolse recht alsook verschillende vermogensbestanddelen benoemd, die volgens haar in de verdelingsverzoeken van de man ontbreken. De man heeft dit standpunt van de vrouw vervolgens niet betwist en hij is, hoewel hij hier in zijn petitum geen concrete verdelingsverzoeken aan koppelt, in zijn verweerschrift van 31 maart 2025 uitgebreid ingegaan op de wijze waarop deze door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen volgens hem dienen te worden verdeeld naar Pools recht. Zoals uit het voorgaande blijkt, is er echter sprake van een zogenaamd ‘wagonstelsel’ waarin naast het Poolse recht ook het Nederlandse recht en de huwelijkse voorwaarden een rol spelen. Wil de rechtbank tot een algehele afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen kunnen komen dan dienen partijen in ieder geval toe te lichten hoe de verschillende huwelijksvermogensregimes zich tot elkaar verhouden en dienen partijen ten aanzien van de verschillende regimes met stukken onderbouwd volledig inzichtelijk te maken wat de vermogenspositie van ieder van partijen is in de betreffende periodes. Alleen op die manier kan de rechtbank vaststellen of en welk van de door partijen genoemde vermogensbestanddelen behoren tot (een van) de (deel)vermogens naar Pools of Nederlands recht dan wel of deze betrokken dienen te worden in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Gelet op het gegeven dat het verzoekschrift geruime tijd geleden is ingediend, had het op de weg van partijen gelegen om hierover tijdig concrete verzoeken in te dienen, duidelijke standpunten in te nemen en ter onderbouwing van deze standpunten de nodige bewijsstukken op te vragen en in te dienen.
4.4.16.
Nu de rechtbank geen (volledig) zicht heeft op de vermogenspositie(s) van partijen in de verschillende huwelijksvermogensregime(s), is zij van oordeel dat zij geen beslissing kan nemen op het verzoek van de man met betrekking tot de (gedeeltelijke) afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen. Aldus zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/760454 / FA RK 24-8290
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 29 december 2007 te [plaats 1] , Polen ;
5.2.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 2] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
5.3.
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/782495 / FA RK 26-696
5.5.
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 28 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze beschikking kan voor zover er definitief is beslist door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).