Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4251

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/13/776249 / HA ZA 25-1532
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:171 BWArt. 152 Rv (oud)Art. 194 Rv (oud)Art. 202 Rv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens verzakking buitentrap na dijkverbeteringswerkzaamheden

Eiser vordert schadevergoeding van Waternet c.s. wegens verzakking van de buitentrap en vervorming van schanskorven bij zijn woning, die volgens hem is veroorzaakt door onzorgvuldige dijkverbeteringswerkzaamheden waarbij stalen damplanken zijn getrild.

De rechtbank stelt vast dat de verzakking is ontstaan door inklinking van de veenlaag onder de trap, veroorzaakt door veranderingen in de vochthuishouding. Deskundigenrapporten, waaronder een voorlopig deskundigenonderzoek door een door de rechtbank benoemde deskundige, wijzen op meerdere mogelijke oorzaken, waaronder droge zomers en de damwandconstructie.

Hoewel eiser aanvullende partijdeskundigenrapporten overlegt die een causaal verband met de werkzaamheden aannemelijk maken, weegt de rechtbank het door de rechter benoemde deskundigenrapport zwaarder. De omkeringsregel wordt niet toegepast omdat eiser geen specifieke normschending heeft aangetoond.

De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van causaal verband tussen de werkzaamheden van Waternet c.s. en de schade aan de woning.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776249 / HA ZA 25-1532
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.W. Gierman,
tegen

1.de stichtingWATERNET,gevestigd te Amsterdam,2. de publiekrechtelijke rechtspersoonWATERSCHAP AMSTEL GOOI EN VECHT,

zetelende te Amsterdam,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Waternet c.s.,
advocaat: mr. J.J. Jacobse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 mei 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte vermeerdering van eis plus overlegging producties 19 t/m 23 aan de zijde van [eiser] ,
- de akte overlegging productie 8 aan de zijde van Waternet c.s.,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, en de aantekeningen die door de griffier van de mondelinge behandeling zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres 1] .
2.2.
In de periode van 29 april tot en met 19 mei 2019 heeft Waternet c.s. in het kader van dijkverbeteringswerkzaamheden stalen damplanken in de bodem langs de watergang/ [locatie] getrild, ook ter hoogte van de woning van [eiser] (hierna: de werkzaamheden).
2.3.
Voordat deze werkzaamheden plaatsvonden heeft Sweco Nederland B.V. (hierna: Sweco) in opdracht van Waternet c.s. bouwkundige vooropnamen uitgevoerd aan de panden aan de [locatie] , waaronder de woning van [eiser] .
2.4.
In het rapport van Sweco staat, voor zover hier relevant:
1.2 Doelstelling
Het doel van de opname is het vastleggen van de ‘nul situatie’ van de panden, voordat er met de werkzaamheden begonnen wordt. Deze rapportage beperkt zich tot het beschrijven en weergeven van de aanwezige geconstateerde onvolkomenheden/gebreken, bijvoorbeeld naden en scheuren. Dit rapport doet geen uitspraak over de oorzaak en/of het gevolg ervan.
(…)
2.1
Algemene uitgangspuntenHet opnamerapport bevat een opsomming van aanwezige bouwkundige gebreken die met het blote oog waarneembaar zijn. De geconstateerde gebreken worden alleen gerapporteerd indien deze door de voorgenomen werkzaamheden kunnen verergeren.(…)
34.1
Opname informatie
Adres: [adres 1]
Eigenaar/bewoner: de heer [eiser] , aanwezig bij de opname
Gebruik: woning
Bouwjaar: 1915 (bron: bagviewer)
Fundering: woning op palen volgens eigenaar de trap buiten staat niet op palen.(…)”
2.5.
Op 19 mei 2020 heeft [eiser] een brief gestuurd naar Waternet c.s. Hierin heeft [eiser] melding gemaakt van schade aan zijn woning. In de brief staat onder meer:
“De schade heeft zich recent gemanifesteerd, en er was in een eerdere periode nog niet duidelijk waarneembaar. Naar ik aanneem is de schade ingezet na het intrillen van de damwand en de daardoor veranderde waterhuishouding van de dijk.
De trap verzakt naar noordelijke zijkant en aan de dijkzijde.”
2.6.
Waternet c.s. heeft hierop contact met haar aansprakelijkheidsverzekeraar opgenomen. Die verzekeraar heeft op 2 juli 2020 aan Lengkeek B.V. (hierna: Lengkeek) opdracht gegeven om de situatie te onderzoeken. Lengkeek heeft op 3 augustus 2020 een inspectie verricht. In een brief van 4 november 2020 van Lengkeek aan [eiser] staat, voor hier zover relevant:
(…) Tijdens de inspectie wees u ons op de verzakking van de prefab trappen naar de noordelijke kant en aan de dijkzijde. U wees ons ook erop dat de korven aan de weerszijden onder spanning staan en dat de poorten van het hekwerk deels verzakt zijn. U gaf aan dat deze verzakking ontstaan is in de loop der tijd na het intrillen van de damplanken.
(…) Uit peilbuis [nummer] is gebleken dat na het plaatsen van de damplanken de grondwaterstand in de winterperiode hoger is geweest, omdat er ook meer neerslag is gevallen, zie KNMI weergegeven alsbijlage 1.
Ook is gebleken dat de grondwaterstandverlaging in de zomer van 2019 niet lager was dan in de zomer van 2018. De grondwaterstandverlaging van afgelopen zomer (2020) is wat groter dan de voorgaande jaren, dit komt doordat wij een zeer droge zomer hebben gehad.
(…) Op grond van de beschikbare gegevens en inzichten zijn wij dan ook van mening dat de invloed van de droge zomers en de seizoenmatige fluctuaties van de grondwaterstand een effect heeft op de inklinking van de ondergrond onder de prefab trapconstructie. Een direct verband tussen inklinking van de ondergrond en de aangebrachte damwand ter hoogte van de [adres 1] en [adres 2] is ons niet gebleken.
Verder vernamen wij van u dat de prefab trappen niet zijn onderheid, dit in tegenstelling tot de woningen. Voorts verklaarde u dat er vooraf geen zettingsberekeningen zijn gemaakt en er uitgegaan werd van een beperkte initiële zetting wat betreft de trapconstructies. Waarop die aanname is gebaseerd is onduidelijk. Vanwege de wijze waarop de trappen zijn gefundeerd zal inklinking van het grondpakket onder de trappen dan ook direct invloed hebben op de stabiliteit en positie van de trapconstructies. De verzakking van de prefab trappen moet naar ons oordeel dan ook worden gezocht in de ongelijke zetting onder invloed van de belasting van het samendrukbare grondpakket onder de trapconstructies in combinatie met natuurlijke fluctuaties in de grondwaterstanden in de loop der tijd wat door inklinking van het grondpakket heeft geleid.
Tijdens onze inspectie wees u ons tenslotte ook op scheuren in en verzakking van het wegdek. Daarin zag u een bewijs dat het aanbrengen van de oeverbeschoeiing/damwand tot verzakking van het maaiveld had geleid. Los van het feit dat de afstand tussen het wegdek en de damwand veel kleiner is dan de afstand van de damwand tot uw trap, ins ons gebleken, uit openbare bronnen, dat de scheuren in en verzakking van het wegdek al sinds 2016 aanwezig waren. Naar ons oordeel hebben de gebreken in het asfaltwegdek dan ook geen verband met de uitgevoerde dijkwerkzaamheden.
Gezien het voorgaande concluderen wij dat niet is aangetoond, en het overigens ook niet aannemelijk is, dat er een oorzakelijk verband aanwezig is tussen de door u geclaimde schade aan/verzakking van de prefab constructie en het aanbrengen van de nieuwe oeverbeschoeiing in april/mei 2019.(…)”
2.7.
[eiser] heeft de rechtbank verzocht (zaaknummer: 9253306 EA VERZ 21-368) een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten. Waternet c.s. is in die verzoekschriftprocedure verschenen. De rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2021 een deskundigenonderzoek gelast en heeft ing. E.P.G. Borgers van Bureau voor Bouwpathologie B.V (hierna: Borgers) tot deskundige benoemd. In het deskundigenrapport van Borgers staat onder andere:
1.2 Werkwijze
Op vrijdag 20 mei 2022 heeft het deskundigenonderzoek aan de [adres 1] plaatsgevonden. Uitgangspunt en zoals gebruikelijk is gezamenlijk met beide partijen het geschil besproken en de situatie onderzocht. De partijen zijn hierdoor bij het onderzoek beide in de gelegenheid gesteld opmerkingen te plaatsen of verzoeken te doen.(…)
2.1
Mededelingen
De heer [eiser] heeft navolgende mededelingen gedaan:(…) 5. Onder de woning is een palenfundering aanwezig, waarbij prefab betonpalen zijn geheid tot aan de vaste grondslag, de zandlaag welke zich op ongeveer 12 meter onder het maaiveld bevindt.(…) 10. De buitentrap is op een betonnen plaat gefundeerd en is dus niet onderheid. De betonplaat bestaat uit prefab betonplaten waarop de trap en de schanskorven zijn geplaatst.De platen steken net iets door voorbij de buitenzijde van de schanskorven.11. De schanskorven zijn onderling onder de traptreden door, met elkaar verbonden met stalen staven.12. De ruimte tussen de schanskorven is opgevuld met zand.13. Volgens de heer [eiser] is de oorzaak van de verzakking van de buitentrap gelegen i het feit dat de aangebrachte damwand onvoldoende water doorlaat om de dijk nat te houden. Hierdoor klinkt de grond in en zakt alles wat hier op staat mee, zoals de trappen.14. De aanwezige peilbuizen hebben laten zien dat het waterpeil in de dijk ongeveer 15 cm per jaar is gezakt sinds het aanbrengen van de nieuwe waterkering (damwand).
(…)4. Beantwoording van de vragen
Op het moment van het onderzoek hebben beide partijen de mogelijkheid gekregen hun opmerkingen in te brengen omtrent de te beantwoorden vragen. De antwoorden op de vragen zijn gebaseerd op de eigen waarnemingen van ondergetekende, mededelingen van partijen en relevante informatie uit het procesdossier.
Vraag 1: Is er sprake van schade(s) en/of verzakkingen met betrekking tot de woning of delen daarvan van [eiser] , meet specifiek:(i) aan de trappen ten noordzijde en aan de dijkzijde;
(ii) de schanskorven;(iii) de poorten van het hekwerk.
Antwoord: Ja de schanskorven staan duidelijk niet (meer) recht en volledig in lijn van elkaar, deze vertonen duidelijk vervormingen. Ook de traptreden liggen niet (meer) vlak. Ondergetekende gaat er vanuit dat bij de aanleg van de trap en de plaatsing van de schanskorven de schanskorven volledig recht en strak waren en de treden volledig waterpas en vlak lagen. Verder is de poort in het hek niet meer goed te sluiten. Het hek hangt engszins scheef.
(…)
Vraag 3: Wat is naar uw oordeel de oorzaak hiervan? Kunt u dit per geconstateerde schade en/of verzakking specificeren?
Antwoord: Voor alle ontstane gebreken geldt dat sprake is van een (ongelijke) verzakking van de funderingsplaat waarop de trap met de schanskorven is vervaardigd. Ten tijde van de vooropname op 2 oktober 2018 lijkt het er op (afgaande op de foto’s in het rapport van Sweco) dat de schanskorven nog niet zijn vervormt en ook nog mooi in lijn staan. Ook de traptreden lijken nog vlak te liggen. Er is feitelijk afgaande op zowel de voor- als de controle opname van Sweco geen sprake van vervormingen of duidelijke verzakkingen aan de trap en de bijbehorende schanskorven. Toch zijn nu duidelijke vervormingen (verzakkingen) van de gehele constructie waarneembaar.
De trap en schanskorven zijn niet onderheid wat bij de woning wel het geval is. Afgaande op de verstrekte sondering (bijlage 2) blijkt dat de eerste meters onder het maaiveld een zeer slappe grondlaag betreft bestaande uit veen. Deze laag is naast dat deze zeer weinig draagkrachtig is ook zeer gevoelig voor veranderingen in vochtigheid van de bodem. Pas vanaf ongeveer 10 meter onder het maaiveld is sprake van een zeer draagkrachtige laag. Op deze vaste grondslag zullen de palen van de fundering van de woning zijn geplaatst. De woning is dientengevolge dan ook niet gevoelig voor veranderingen in de vochtigheid van de bodem, iets wat voor de trapconstructie wel geldt.
De ergste vervormingen aan de trap hebben zich pas voorgedaan na de nacontrole door Sweco op 15 augustus 2019. De damwanden langs de oever (aan de andere zijde van de dijk waarachter onderhavige woning is gebouwd) waren toen al aangebracht. Vanaf het moment van aanbrengen van de damwanden is het niet geheel uit te sluiten dat de vochtigheid van de grond achter de dijk en daarmee onder de constructie van de trap, is veranderd. Er is immers een andere constructie qua damwand aangebracht dan welke voorheen aanwezig was. Door deze afwijkende constructie is niet uit te sluiten dat dit enige invloed heeft gehad op de grondwaterstand achter de dijk. Volgens het sonderingsrapport bevindt het grondwater zich op 40 tot 60 cm onder het maaiveld. De verandering kan invloed hebben gehad op de vochthuishouding van de veenlaag direct onder het maaiveld. Echter, zal de invloed minimaal zijn geweest. De veranderingen in de vochthuishouding van de veenlaag kan net zo goed het gevolg zijn van de zeer warme en droge zomers van 2018 en 2019.
Overigens zou alleen met een langduur pijlbuismeting voor- en achter de dijk aantoonbaar zijn in hoeverre de nieuwe damwand veranderingen teweeg heeft gebracht. Dan had voor- en achter de dijk (in de tuin van [eiser] )een pijlbuis moeten hebben gestaan gedurende enige jaren voor de verandering en deze had er dan nu nog moeten staan. Aangezien deze er niet zijn is geen onomstotelijk oordeel te geven of er daadwerkelijk iets is veranderd aan de het grondwater sinds de nieuwe damwand is aangebracht.
Conclusie: De oorzaak van de verzakking van de trap is gelegen in een sterk afwijkende en minder draagkrachtige fundering van de trap ten opzichte van de woning. Dit in combinatie met veranderende vochtigheid van de veenlaag onder de fundering (dan wel onder de draagkrachtige laag) heeft geleidt tot een verzakking van de gehele trap met schanskorven en al. De volledige grondlaag onder te trap lijkt te zijn ingeklonken. Dit kan het gevolg zijn van de aangebrachte damwand maar net zo goed van de zeer droge zomers van 2018 en 2019.
Vraag 4: Oordeelt u dat er een verband is tussen de door Waternet uitgevoerde werkzaamheden en zo ja, op welke wijze en in welke mate? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: en onomstotelijk verband tussen de werkzaamheden door Waternet en de schade aan de trap van de woning is er niet. De schade kan net zo goed het gevolg zijn van de zeer droge zomers de afgelopen jaren. Er is destijds gekozen voor een zeer risicovolle wijze van vervaardigen van de trap. Het betreft een relatief zware constructie op een zeer slappe en weinig draagkrachtige ondergrond. Aangezien destijds is gekozen voor een zeer risicovolle constructie van de trap, namelijk een relatief zware constructie op een zeer slappe en weinig draagkrachtige laag, was de kans op verzakking ten opzichte van de woning zeer groot. Veranderingen van vochthuishouding in veen leiden tot inklinking van deze veenlaag en derhalve verzakkingen van alles wat hier volledig op rust. Dit wordt ook veroorzaakt door zeer droge periodes. Derhalve is geen onomstotelijk verband tussen de werkzaamheden van Waternet en de schade aan de trap en ook het hek van de woning.(…)

5.Reactie deskundige op reacties op concept rapport(…)

Reactie [eiser] , d.d. 9 december 2022.Partij [eiser] geeft schriftelijk te kennen diverse opmerkingen te hebben op het opgemaakt concept deskundigenbericht. Onderstaand is per punt aangegeven wat ondergetekende met de opmerking heeft gedaan.Punt 1: Om eventueel berekeningen uit te kunnen voeren, als dit al door ondergetekende zou moeten worden uitgevoerd, zullen eigenlijk eerst nieuwe sonderingen van de huidige situatie moeten worden gemaakt om de huidige draagkracht (voor zover veranderd) van de grond te bepalen. Op dit moment is het alleen mogelijk om te bepalen of de oude situatie (voor zover veranderd) de trap al had kunnen dragen. Bovendien zakte volgens mededeling de trap in beginsel niet maar na de werkzaamheden aan de dijk wel. De draagkracht van de bovenste grondlagen zal dan ook hebben voldaan. Was dit niet het geval geweest dan was de trap vanaf het begin gaan verzakken en dan met name aan de zijde die aansluit op de woning omdat hier sprake is van de hoogte belasting. Dit is niet het geval.Punt 2: De sondering als aangeleverd en toegevoegd in bijlage 2 van het deskundigenbericht.Punt 3: Opmerking ter kennisgeving aangenomen.Punt 4: Betreft puur de gedane mededelingen door partijen.Punt 5: Tekst is enigszins aangepast.Punt 6: Als gevolg van inklinking van de grond doordat de veenlagen zin gaan indrogen, of door de veranderde grondkering of door de droge zomers, dat staat er ook bij.Punt 7: Dit betreft het laatste punt op pagina 2 van de reactie en de zaken op pagina 3 van de reactie. Dit punt is ter kennisgeving aangenomen.Punt 8: Dit betreft alle in rood aangegeven zaken in het rapport. Dit is daar waar ondergetekende dit noodzakelijk achtte aangepast/veranderd.(…)”
2.8.
Nadat het definitieve deskundigenrapport is uitgebracht heeft [eiser] aan Loots Grondwatertechniek B.V. (hierna: Loots) opdracht gegeven om nader onderzoek te doen en rapport uit te brengen. In de conclusie van dit rapport staat:
“(…) met de beschikbare gegevens wordt geconcludeerd dat de damwandconstructie toch enig negatief effect heeft op de grondwaterstand (daling in de zomer). De onderbouwing: als het weer de oorzaak zou zijn dan had 2018 het jaar met de laagste grondwaterstand geweest moeten zijn in de zomer ten opzichte van 2019 en 2020, dit is hier duidelijk niet het geval.”
2.9.
Vervolgens heeft [eiser] een review gevraagd aan CRUX Engineering B.V. (hierna: CRUX). In de conclusie van haar rapport schrijft CRUX:
“(…) CRUX kan zich vinden in de conclusies van de gerechtsdeskundige dat de schade / verzakking aan de trap is opgetreden ná het plaatsen van de damwand en dat verandering in grondwaterstand (mede) oorzaak is van de opgetreden verzakkingen. CRUX is daarnaast van mening dat de door Loots uitgevoerde analyse aantoont dat een direct verband aanwezig is tussen de gewijzigde grondwaterstand en het aanbrengen van de damwanden en dat dus geen verband aanwezig is tussen de droge zomers in 2018, 2019 of 2020 en de opgetreden schade.Hiermee is naar mening van CRUX het voor de gerechtsdeskundige ontbrekende bewijs voor een causaal verband tussen het aanbrengen van de damwand en opgetreden verzakking / schade aan de trap alsnog geleverd.”
2.10.
Op 21 februari 2024 heeft [eiser] een aansprakelijkstelling verstuurd naar Waternet c.s.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat –, na vermeerdering van eis, om bij vonnis zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad Waternet c.s. hoofdelijk te veroordelen tot:
betaling van € 54.454,84 (incl. btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2020,
betaling van € 11.035,74 (incl. btw) aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen twee weken na de betekening van het vonnis is betaald,
betaling van € 1.319,55 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen twee weken na de betekening van het vonnis is betaald,
de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Waternet c.s. haar werkzaamheden onzorgvuldig heeft verricht waardoor hij schade heeft geleden. Deze schade bestaat onder andere uit het verzakken van de trap naar de voordeur van de woning. Ook de schanskorven zijn gedeformeerd en staan onder spanning, aldus [eiser]
3.3.
Waternet c.s. voert verweer. Waternet c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Bij de beoordeling van de zaak is van belang dat de dagvaarding is uitgebracht op een datum vóór 1 januari 2025. Dat betekent dat het oude bewijsrecht van toepassing is. Het voorlopige deskundigenonderzoek is destijds door de rechtbank gelast op de voet van artikel 202 e.v. Rv (oud) en is tot stand gekomen met betrokkenheid van zowel [eiser] als ook Waternet c.s. Gelet op artikel 207 lid 1 Rv Pro (oud) heeft het voorlopig deskundigenrapport daarom dezelfde bewijskracht als een deskundigenrapport dat op grond van artikel 194 Rv Pro. (oud) in deze bodemprocedure zou zijn verkregen.
[eiser] is ontvankelijk in zijn vordering
4.2.
Waternet c.s. voert aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat niet de civiele rechter, maar de bestuursrechter volgens hem bevoegd is te oordelen over de vraag of Waternet c.s. aansprakelijk is voor schade die [eiser] lijdt als gevolg van de dijkverbeteringswerkzaamheden. Waternet c.s. betoogt dat de werkzaamheden het resultaat zijn van het Dijkverbeteringsplan. Dat plan heeft formele rechtskracht en kwalificeert als een rechtmatige overheidsdaad. Een verzoek tot vergoeding van schade die het gevolg is van deze rechtmatige overheidsdaad dient, gelet op het toepasselijke overgangsrecht, ook nu nog op grond van artikel 7.14 Waterwet (oud) ingediend te worden bij Waternet waarna– met uitsluiting van de civiele rechter – uitsluitend beroep bij de bestuursrechter openstaat, aldus Waternet c.s.
4.3.
Dit verweer slaagt niet. [eiser] baseert zijn vordering niet op de stelling dat hij schade heeft geleden als gevolg van overheidshandelen dat op zichzelf genomen rechtmatig was (het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een dijk). [eiser] stelt daarentegen dat Waterschap c.s. onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij schade heeft geleden als gevolg van de wijze waarop die onderhoudswerkzaamheden zijn verricht (het intrillen van stalen damplanken). Over de vraag of [eiser] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen dient de civiele rechter te oordelen.
Geen causaal verband
4.4.
De trap voor de woning van [eiser] is geplaatst op grond waarvan de bovenste laag bestaat uit veen. Tussen partijen is niet in geschil dat de verzakking van de trap is ontstaan doordat een verandering is opgetreden in de vochthuishouding van de veenlaag direct onder het maaiveld. Daardoor is die bovenste grondlaag ingeklonken en de trap verzakt. De vraag is echter of die verandering in de vochthuishouding van de veenlaag het gevolg is van het feit dat Waterschap c.s. stalen damplanken hebben geplaatst (standpunt [eiser] ) of dat die verandering een andere oorzaak heeft waarvoor Waterschap c.s. niet verantwoordelijk is (standpunt Waterschap c.s.).
4.5.
[eiser] beroept zich ter onderbouwing van zijn standpunt op het voorlopig deskundigenrapport en de twee daarna opgemaakte partijdeskundigenrapporten van Loots en CRUX. Bij de vraag welk gewicht moet worden toegekend aan een deskundigenrapport dat op gemeenschappelijk verzoek van partijen is verkregen of dat, zoals hier het geval is, in opdracht van de rechter is vervaardigd stelt de rechtbank voorop dat partijen in beginsel aan dit rapport zijn gebonden, tenzij er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport bestaan. Hiervan kan sprake zijn als de inhoud van het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica of als de deskundige zijn werkzaamheden niet op een deugdelijke manier heeft verricht. Van de partij die zo’n deskundigenrapport bekritiseert, wordt verlangd dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. In dit verband is niet voldoende dat een partijdeskundige tot een ander oordeel komt dan een gezamenlijk door partijen of door de rechter benoemde deskundige, maar moet blijken dat de gezamenlijk benoemde deskundige in redelijkheid niet tot dat oordeel heeft kunnen komen.
4.6.
Het voorgaande neemt niet weg dat op grond van artikel 152 Rv Pro (oud) de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Dit geldt voor zowel een door de rechter benoemde deskundige als een niet door de rechter benoemde deskundige.
4.7.
Als de rechter een door een deskundige bereikte conclusie overneemt, geldt daarbij een beperkte motiveringsplicht. Wel dient de rechter bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Indien een partij, door zich te beroepen op de zienswijzen van een door haar zelf geraadpleegde deskundige, voldoende gemotiveerde standpunten heeft ingenomen en voldoende duidelijk heeft aangegeven waarom zij het oordeel van een door de rechter benoemde deskundige al dan niet aanvaardbaar acht, geldt het volgende. Indien de rechter in een geval waarin de opinie van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van deze deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. Volgt de rechter echter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet, dan gelden in beginsel de gewone motiveringseisen en dient hij zijn oordeel dan ook van een zodanige motivering te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken (zie voor een en ander HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74; HR 19 oktober 2007, LJN BB5172 en HR 8 juli 2011, LJN BQ3519). [1]
4.8.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt. Het rapport van Borgers is in hoofdlijnen goed gemotiveerd, goed onderbouwd, logisch en consistent. In lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad geldt in dat geval dat er op bezwaren van partijen tegen het rapport van Borgers moet worden ingegaan mits deze een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van Borgers. De betwisting van de zienswijze van Borgers door [eiser] blijkt uit het commentaar dat hij bij brief van 9 december 2022 op het conceptdeskundigenrapport heeft gegeven (zie 2.7) en verder uit de rapporten van Loots en CRUX. In de rapporten van Loots en CRUX worden, zoals de rechtbank begrijpt, volgens [eiser] niet zozeer specifieke bezwaren tegen de zienswijze van Borgers geuit, maar die rapporten bevatten nader / aanvullend onderzoek. De conclusie die Loots en CRUX trekken en die [eiser] aan die partijrapporten verbindt, wijken vervolgens af van de conclusie van Borgers, namelijk dat, anders dan Borgers concludeert, wél causaal verband bestaat tussen de verandering in de vochthuishouding van de veenlaag en het aanbrengen van de stalen damplanken. Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader van de Hoge Raad is de vraag of dat gekwalificeerd kan worden als voldoende gemotiveerde betwisting van het rapport van Borgers, in het licht van het gehele partijdebat.
4.9.
In de brief van 9 december 2022 heeft [eiser] het conceptrapport van Borgers van commentaar voorzien. Borgers heeft vervolgens het commentaar van [eiser] – Waternet c.s. heeft aangegeven geen commentaar op het deskundigenrapport te hebben – in het definitieve deskundigenrapport verwerkt (zie r.o. 2.7 onder 5). Zo heeft Borgers in een afzonderlijk hoofdstuk van het definitieve rapport puntsgewijs gereageerd op het commentaar. Verder heeft Borgers een bijlage toegevoegd op verzoek van [eiser] en is het rapport enigszins aangepast op basis van het gegeven commentaar. Op andere punten heeft Borgers uitleg gegeven, bijvoorbeeld dat bepaalde berekeningen niet gemaakt kunnen worden. Daarmee staat vast dat voor zover [eiser] al dusdanig grote bezwaren had tegen de inhoud van het rapport van Borgers dat zijn rapport daarmee onaanvaardbaar zou zijn, Borgers hierop heeft gereageerd en met die bezwaren rekening heeft gehouden.
4.10.
Daarna heeft [eiser] alsnog rapporten door Loots en CRUX laten opstellen. Deze rapporten zijn echter niet dusdanig overtuigend dat kan worden geconcludeerd dat dit voldoende gemotiveerde betwistingen van het rapport van Borgers zijn. De rechtbank wijst in dat kader erop dat het gewicht van partijdeskundigen (in dit geval Loots en CRUX) niet hetzelfde is als een door de rechtbank benoemde deskundige, zoals Borgers. Het gaat er namelijk niet alleen om of een deskundige over de vereiste deskundigheid beschikt, maar ook is van belang dat een door de rechter benoemde deskundige een onafhankelijke positie ten opzichte van partijen inneemt. Verder is van belang dat bij de totstandkoming van een rapport van een door de rechter benoemde deskundige hoor en wederhoor geldt en ook door Borgers is toegepast. Dit beginsel uit zich door het afleggen van een locatiebezoek door de deskundige in aanwezigheid van partijen, waarbij partijen ook in de gelegenheid worden gesteld om ter plaatse mededelingen te doen. Ook krijgen partijen de gelegenheid om te reageren op het conceptrapport, voordat het definitieve rapport wordt opgemaakt. Hierover is reeds vastgesteld in 4.9 dat deze kenmerken door de deskundige zijn gewaarborgd.
4.11.
Aan een rapport van een door de rechter benoemde deskundige, zoals Borgers, komt daarom een bijzonder gewicht toe en de bevindingen en conclusies van die deskundige kunnen niet licht opzij worden gezet. De rapporten van Loots en CRUX doen dat gelet op het voorgaande ook niet. Waternet c.s. heeft de rapporten van Loots en CRUX op haar beurt weer uitvoerig betwist. Mede met het oog op het voorkomen van een ‘battle of experts’ is het gewicht van een door de rechter benoemde deskundige evident van belang. Het komt er, kort gezegd, op neer dat het rapport van Borgers, waar op zichzelf genomen geen fundamentele bezwaren tegenin zijn gebracht, niet terzijde kan worden gesteld op grond van het feit dat [eiser] twee partijdeskundigen heeft gevonden die tot een andere conclusie komen dan Borgers. Die rapporten van Loots en CRUX kunnen in het licht van het partijdebat niet gekwalificeerd worden als een voldoende gemotiveerd betwisting van het rapport van Borgers.
4.12.
Het voorgaande betekent dat de conclusie van Borgers wordt gevolgd. Aan de hand daarvan is het door [eiser] gestelde en door hem te bewijzen causaal verband tussen de werkzaamheden van Waternet c.s. en de schade aan de woning van [eiser] niet komen vast te staan.
Omkeringsregel
4.13.
[eiser] voert aan dat het causaal verband op grond van de zogenoemde omkeringsregel door de rechter moet worden vermoed aanwezig te zijn en dat het aan Waternet c.s. is om het tegenbewijs te leveren.
4.14.
Voor een geslaagd beroep op de omkeringsregel is nodig dat indien een normschending een risico op verwezenlijking van gevaar schept, en dat gevaar (lees: de schade aan het eigendom van [eiser] ) zich daadwerkelijk verwezenlijkt, het causaal verband tussen de verweten gedraging en de schade voorshands wordt aangenomen, tenzij de Waternet c.s. bewijst dat de schade ook zonder de normschending zou zijn ontstaan. Dit gaat niet op. Voor toepassing van de omkeringsregel is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vereist dat een gedraging heeft plaatsgevonden die in strijd is met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. Door [eiser] is onvoldoende duidelijk gemaakt welke specifieke veiligheidsnorm die bedoeld is om verzakkingsschade te voorkomen, door Waternet c.s. is geschonden.
4.15.
Daarbij komt dat indien de omkeringsregel wel van toepassing is dit zou leiden tot het aannemen van causaal verband behoudens door Waternet c.s. te leveren tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan in dit geval worden ontleend aan het rapport van Borgers waarin is beschreven dat het causaal verband tussen de werkzaamheden van Waternet c.s. en de verzakkingsschade niet kan worden vastgesteld.
4.16.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Daarom kan ook voorbij worden gegaan aan het beroep van [eiser] op artikel 6:171 BW Pro.
4.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Waternet c.s. wordt begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.506,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921.