ECLI:NL:RBAMS:2026:428

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
13-282562-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel uit Denemarken met betrekking tot illegale handel in verdovende middelen

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door Denemarken. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1997, die wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 8 januari 2026 gehouden, waarbij de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, aanwezig was. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.A. Blok. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zijn maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden. De rechtbank heeft de garantie van de Deense autoriteiten als voldoende beoordeeld, die waarborgt dat de opgeëiste persoon na overlevering in Nederland zijn straf kan ondergaan. De rechtbank heeft de weigeringsgronden van artikel 12 en 13 van de Overleveringswet (OLW) verworpen, en geconcludeerd dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. De rechtbank heeft daarom de overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-282562-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2025 door
Retten i Odense (the District Court in Odense),Denemarken (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.A. Blok, die waarneemt voor zijn raadsman, mr. L.L. Maassen, beiden advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
ruling handed down on 11 September 2025 by the District Court of Odense, case no.: SS-103653/2025-ODE 10.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Deens recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in verband met onduidelijkheden over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De beslissing die aan het EAB ten grondslag ligt, betreft namelijk een ‘in absentia-beslissing’ en niet is gebleken dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW, nu onderdeel D van het EAB niet is ingevuld.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW hier niet van toepassing is. Zoals uit de wettekst volgt, ziet artikel 12 OLW op de situatie dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering van de opgeëiste persoon is door de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht ten behoeve van de vervolging van de opgeëiste persoon, vanwege het vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Deens recht strafbaar feit. Van een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel na een daartoe gevoerd proces in Denemarken is dus nog geen sprake. Het is daarom correct dat de uitvaardigende justitiële autoriteit onderdeel D van het EAB niet heeft ingevuld. De rechtbank verwerpt daarom het verweer en wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling om hierover nadere vragen te stellen, af.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Special Procecutorbij
Director of Public Prosecutionsheeft op 18 november 2025 de volgende garantie gegeven:
“In compliance with article 5 (3) of the Council Framework Decision on European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States (2002/584/ JHA) and based on the request of the Dutch judicial authorities, the Danish Director of Public Prosecutions hereby guarantees that [opgeëiste persoon], when surrendered to the Danish authorities, will be returned to the Netherlands to serve his sentence there, provided that following his surrender a prison sentence or other measure depriving him of his liberty would be imposed upon him and he requests such a transfer.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft daarom verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen waarom vervolging in Denemarken aangewezen is.
Het standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in Denemarken, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de drugs in Denemarken zijn ingevoerd zodat de rechtsorde daar is geschonden, de medeverdachten daar naar alle waarschijnlijkheid worden vervolgd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat de in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van de zaak om nadere vragen te stellen, af.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Retten i Odense (the District Court of Odense),Denemarken, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.