ECLI:NL:RBAMS:2026:4283

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/13/754072 / FA RK 24-4781
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:253c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling zorgregeling in belang van kind

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over het minderjarige kind toe te kennen en een uitgebreide zorgregeling vast te stellen. De moeder verzocht om een reguliere omgangsregeling en een specifieke vakantieverdeling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde gezamenlijk gezag toe te kennen en een omgangsregeling waarbij het kind om de week bij de vader verblijft.

De moeder stelde dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld door de vader, wat zij onderbouwde met medische en psychologische behandelingen. Zij ervaart angst en beperkte communicatie met de vader, die het geweld ontkent. De rechtbank concludeerde dat er een reëel risico bestaat dat het kind klem komt te zitten tussen de ouders bij gezamenlijk gezag, mede door de slechte communicatie en het trauma van de moeder.

De rechtbank wees het verzoek om gezamenlijk gezag af en stelde de zorgregeling van de moeder vast, waarbij het kind van zondag tot maandag bij de vader verblijft met overdracht via derden. De rechtbank vond uitbreiding van de zorgregeling niet wenselijk vanwege de spanningen en de fysieke en psychische klachten van het kind, waaronder obstipatie en nachtmerries.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een gedetailleerde vakantieverdeling en feestdagenregeling, waarbij het belang en de veiligheid van het kind centraal staan.

Uitkomst: Verzoek om gezamenlijk gezag afgewezen; zorgregeling van moeder vastgesteld wegens risico's voor het kind.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/754072 / FA RK 24-4781
Beschikking van 14 april 2026 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.M. de Vries te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.F. Yap te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank houdt rekening met de beschikking van 13 januari 2025 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het door de Raad op 28 oktober 2025 uitgebrachte rapport met advies;
- een F9-formulier van 7 november 2025 van de man;
- een F9-formulier van 7 november 2025 van de vrouw;
- een F9-formulier van 1 december 2025 van de man;
- een F9-formulier van 1 december 2025 van de vrouw;
- een F4-formulier van 23 februari 2026 van de vrouw;
- het F9-formulier van 24 februari 2026 van de man;
- een F9-formulier met bijlagen van de moeder van 9 maart 2026;
- een aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 maart 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026.
Verschenen zijn:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten,
- mevrouw [persoon] namens de Raad.
2. De (aanvullende) verzoeken.
2.1.
De vader heeft, met wijziging van zijn verzoek op 24 september 2024, verzocht:
- te bepalen dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezamenlijk gezag over [mindejarige] ;
- een omgangs- dan wel zorgregeling te bepalen waarbij [mindejarige] elke maandagochtend van 8.00 uur tot en met donderdagmiddag 13.00 uur bij zijn vader verblijft en waarbij:
- moeder [mindejarige] op maandagochtend 08.00 uur naar het kinderdagverblijf brengt;
- vader [mindejarige] op maandagmiddag om 13.00 uur bij het kinderdagverblijf ophaalt;
- vader [mindejarige] op donderdagochtend om 08.00 uur weer naar het kinderdagverblijf brengt; en
- moeder [mindejarige] op donderdagmiddag om 13.00 uur bij het kinderdagverblijf ophaalt.
- een zodanige beslissing te nemen als Uw Rechtbank in goede justitie juist acht.
2.2.
De moeder heeft bij brief van 10 maart 2026 verzocht:
Primair, een reguliere omgangsregeling vast te stellen waarbij [mindejarige] van zondag (10.00 uur) tot maandag (uit school) bij vader verblijft, waarbij de overdracht plaatsvindt op zondag via een derde (familie van moeder) bij grootmoeder moederszijde (mz) thuis en de overdracht op maandag plaatsvindt op school. Als er geen school is brengt vader [mindejarige] om 17.00 uur bij een derde (familie van moeder) bij grootmoeder mz thuis of haalt moeder het kind om 17.00 uur op bij grootmoeder vz thuis;
Subsidiair, de voorlopige omgangsregeling definitief vast te stellen waarbij [mindejarige] van maandag (uit school of 13.00 uur) tot woensdag 17.00 uur bij vader verblijft, waarbij de overdracht op maandag plaatsvindt op school en als er geen school is overdracht plaatsvindt via een derde (familie van moeder) bij grootmoeder mz thuis en de overdracht op woensdagen plaatsvindt bij grootmoeder vaderszijde thuis.
Een vakantieregeling vast te stellen als volgt:
Voorjaarsvakantie: oneven jaren bij moeder en even jaren bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *)
Herfstvakantie: even jaren moeder en oneven jaren bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *)
Meivakantie: eerste week bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *) /tweede week bij moeder;
Kerstvakantie: eerste week bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *)/tweede week bij moeder
Zomervakantie: twee keer en maximaal een week aaneengesloten bij vader van zondag 10.00 tot zondag 17.00 uur *)
Feestdagen regeling:
[mindejarige] is op de verjaardag van vader bij vader en op de verjaardag van moeder bij moeder;
[mindejarige] is op zijn eigen verjaardag bij de ouder bij wie hij volgens reguliere omgangsregeling is;
[mindejarige] is op 1e en 2e Kerstdag bij vader;
[mindejarige] is op Suiker- en Offerfeest bij moeder.
*) Overdracht op zondag vindt plaats via een derde (familie van moeder) bij grootmoeder mz thuis.
Overdracht op donderdagen vindt plaats bij grootmoeder vz thuis.

3.De standpunten

3.1.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft in de rapportage van 28 oktober 2025 geadviseerd het verzoek met betrekking tot gezamenlijk gezag toe te wijzen en de omgangs- of zorgregeling vast te stellen tussen [mindejarige] en de vader als volgt:
[mindejarige] is om de week een weekend bij vader van vrijdag na school tot maandag naar school. Op weekdagen is [mindejarige] van maandag uit school tot woensdag naar school bij vader, en van woensdag uit
school tot vrijdag naar school bij moeder.
De Raad ziet als grootste probleem de slechte communicatie en het gebrek aan vertrouwen tussen de ouders. Zij begrijpen elkaar niet en luisteren onvoldoende naar elkaar, wat zorgt voor spanning. Dit maakt het lastig om samen beslissingen te nemen voor [mindejarige] . De moeder geeft aan zich onveilig te voelen en hiervoor behandeling te krijgen. Vanuit de Blijfgroep en op basis van politie-informatie zijn er op dit moment geen signalen van actuele onveiligheid. De Raad vindt het wenselijk dat ouders, na afronding van de EMDR-behandeling van moeder, gaan werken aan verbetering van de communicatie en samenwerking, bijvoorbeeld middels ouderschapsbemiddeling zijn of een traject Ouderschap Blijft, zodat zij leren om beter te overleggen, elkaar te vertrouwen en afspraken te maken over de zorg voor [mindejarige] . Het doel is dat [mindejarige] veilig, rustig en onbelast contact kan hebben met beide ouders.
De Raad acht gezamenlijk gezag in het belang van [mindejarige] . De Raad heeft gezien dat de ouders een vorm van basiscommunicatie hebben, dat zij overleggen en voor het grootste deel op één lijn zitten wat betreft de opvoeding van [mindejarige] . Als vader gezag heeft kan hij zelf informatie inwinnen over [mindejarige] . Vader heeft tijdens het onderzoek aangegeven zijn gezag op geen enkele manier te willen misbruiken. Hij zal vakanties niet tegenhouden en stemt in met de schoolkeuze van moeder voor [mindejarige] . De Raad ziet op basis van de informatie geen aanwijzingen voor daadwerkelijke onveiligheid zoals o.m. ontvoering van [mindejarige] .
3.2.
De vader is het eens met het standpunt van de Raad zoals verwoord in de rapportage.
3.3.
De moeder is het niet eens met het in de rapportage gegeven advies van de Raad. Zij voert aan dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld, waardoor zij is getraumatiseerd. Zij ontvangt daarvoor medische en psychologische behandeling. Sinds juni 2024 verblijft zij met [mindejarige] op een geheim adres. Zij ziet geen mogelijkheid om zonder angst in persoonlijk contact met de vader samen te werken en te overleggen over [mindejarige] . De verhouding tussen de ouders is onverminderd slecht, de communicatie is beperkt, vindt alleen plaats via WhatsApp en e-mail en is zeer conflictvol. De moeder verstrekt de vader wel informatie over [mindejarige] en heeft de school, medische instanties en de peuterspeelzaal toestemming gegeven de vader te informeren in kwesties aangaande het kind. De vader ontkent het huiselijk geweld en de mishandelingen en bagatelliseert de door haar ervaren veiligheidsrisico’s, wat haar een gevoel van onveiligheid geeft en haar psychisch belast. Gelet op het Verdrag van Istanbul moet onderzoek worden gedaan naar de effecten van het geweld. De moeder voelt zich nog steeds onder druk gezet door de vader door zijn berichten met een agressieve, dwingende toonzetting. De moeder verzoekt het strafrechtelijke aspect in deze zaak mee te wegen bij de beslissing over het gezag, zoals in de zaak ECLI:NL:RBAMS:2024:553. De strafzaak tegen de vader wordt in juni 2026 op zitting behandeld. Er is volgens de moeder geen basis voor gezamenlijk gezag, althans zijn er contra-indicaties die aan de gezamenlijke uitoefening van het gezag in de weg staan. Tevens is er een risico dat het kind klem komt te zitten tussen zijn ouders, althans dat het in het belang van het kind noodzakelijk is dat het gezag niet gezamenlijk wordt uitgeoefend. De angst van de moeder dat de vader zijn gezag zal misbruiken is, anders dan de Raad meent, wel reëel.
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad naar voren gebracht dat, omdat er tussen partijen sprake is geweest van huiselijk geweld, wat de vader voor een deel erkent en het feit dat daarnaar nu nog een strafzaak loopt, er vanwege de verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag van Istanbul, nader onderzoek moet worden verricht in hoeverre het ervaren geweld van invloed is op deze situatie. Tot nu toe is onvoldoende aandacht gegeven aan wat voor rol dit speelt in deze procedure en hoe het verder moet voor het kind. Het is goed dat de moeder SIPI heeft ingeschakeld. De Raad refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.De verdere beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.2.
Voor gezamenlijk ouderlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn om afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend, maar er dient wel een zeker basisniveau van communicatie te zijn. Anders dan de Raad in zijn rapportage leidt de rechtbank uit de stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling af dat hier geen sprake van is. Daar komt bij dat er meer dan alleen een vermoeden is van (ernstig) huiselijk geweld en /of mishandelingen door de man. De moeder heeft voldoende onderbouwd dat zij nog steeds psychische klachten heeft als gevolg van het haar door de vader aangedane fysieke en mentale geweld en dat, op dit moment, niet van haar kan worden gevergd om geregeld in overleg te gaan met de man.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om gezamenlijk gezag van de vader dient te worden afgewezen, omdat er een reëel risico is dat het kind klem en verloren zal geraken tussen de ouders in geval van gezamenlijk gezag en tevens omdat dit anderszins in het belang is van het kind.
Zorgregeling:
4.4.
Zoals hiervoor overwogen dient contact tussen de ouders nu nog zo veel mogelijk worden vermeden. De rechtbank vindt het wel belangrijk dat de vader [mindejarige] met regelmaat ziet, maar een verdeling van de zorgtaken bij helfte, oftewel co-ouderschap, vergt zeker bij een jong kind zoals [mindejarige] juist een redelijk goede verstandhouding en veel overleg tussen ouders, hetgeen, zoals hiervoor overwogen, niet het geval is. Op dit moment zijn er te veel spanningen tussen partijen wat zijn weerslag kan hebben op het kind. Voordat de door de vader gewenste uitbreiding van de zorgregeling naar co-ouderschap kan plaatsvinden moeten de ouders enigszins normaal met elkaar kunnen communiceren. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de moeder nu nog te veel angst heeft voor de man, gelet op met name het fysieke geweld dat hij tegenover haar heeft uitgeoefend. Als de moeder er op kan vertrouwen dat dit niet meer gebeurt en zij zich voldoende veilig voelt om direct persoonlijk met de vader in contact te zijn, kunnen ouders zich gezamenlijk gaan inspannen om hun communicatie (met name over [mindejarige] ) te verbeteren en ligt de weg open naar co-ouderschap.
4.5.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat op dit moment een uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang is van [mindejarige] , gelet op het feit dat er bij hem (fysieke en psychische) kindsignalen zijn dat de huidige regeling al teveel spanningen met zich brengt en te veel van hem vergt. Uit de stukken blijkt namelijk dat [mindejarige] al een paar jaar ernstige obstipatie heeft, waarvoor hij zelfs medicatie krijgt. Als [mindejarige] deze medicatie niet inneemt, wat nog al eens gebeurt als hij bij de vader is, nemen de obstipatieklachten toe en moet dat met klysma's verholpen worden, aldus de moeder. Daarnaast heeft [mindejarige] last van woedeaanvallen, nachtmerries en verlatingsangst als hij bij de vader is geweest. De moeder zoekt hulp voor [mindejarige] , waaronder SIPI, maar de vader neemt de zorgen niet serieus en reageert hier niet op. De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden niet wenselijk om de door de vader voorgestelde zorgregeling vast te stellen. De rechtbank zal de zorgregeling en verdeling van de vakanties zoals door de moeder verzocht vaststellen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: [mindejarige] van zondag (10.00 uur) tot maandag (uit school) bij vader verblijft, waarbij de overdracht plaatsvindt op zondag via een derde (familie van moeder) bij grootmoeder moederszijde (mz) thuis en de overdracht op maandag plaatsvindt op school. Als er geen school is brengt vader [mindejarige] om 17.00 uur bij een derde (familie van moeder) bij grootmoeder mz thuis of haalt moeder het kind om 17.00 uur op bij grootmoeder vz thuis;
De verdeling van de vakanties is als volgt:
Voorjaarsvakantie: oneven jaren bij moeder en even jaren bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *)
Herfstvakantie: even jaren moeder en oneven jaren bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *)
Meivakantie: eerste week bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *) /tweede week bij moeder;
Kerstvakantie: eerste week bij vader van zondag 10.00 tot donderdag 17.00 uur *)/tweede week bij moeder;
Zomervakantie: twee keer en maximaal een week aaneengesloten bij vader van zondag 10.00 tot zondag 17.00 uur *);
Feestdagen regeling:
[mindejarige] is op de verjaardag van vader bij vader en op de verjaardag van moeder bij moeder;
[mindejarige] is op zijn eigen verjaardag bij de ouder bij wie hij volgens reguliere omgangsregeling is;
[mindejarige] is op 1e en 2e Kerstdag bij vader;
[mindejarige] is op Suiker- en Offerfeest bij moeder.
*) Overdracht op zondag vindt plaats via een derde (familie van moeder) bij grootmoeder mz thuis.
Overdracht op donderdagen vindt plaats bij grootmoeder vz thuis;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. L. van der Heijden, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier, op 14 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).