Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4286

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
12063204 \ CV EXPL 26-817
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 lid 3 RvArt. 143 lid 2 RvArtikel 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter handhaaft huurovereenkomst Friends-concept ondanks huurachterstand

De huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder betreft een woning in Amsterdam-Noord volgens het Friends-concept, waarbij twee niet-relationele personen samen huren. Na het vertrek van een medehuurder ontstond een huurachterstand. Verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens deze achterstand.

Huurder kwam in verzet tegen een verstekvonnis dat grotendeels in het voordeel van verhuurder was. De kantonrechter oordeelde dat huurder ontvankelijk was in het verzet, omdat hij tijdig bekend werd met het verstekvonnis. De huurachterstand bestond, maar huurder was hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele huurprijs.

De kantonrechter weegt dat de vertraging in het vinden van een nieuwe medehuurder deels aan beide partijen te wijten is en dat verhuurder onredelijk snel een ontbindingsprocedure startte zonder overleg. Gezien het Friends-concept en de mogelijkheid om een nieuwe medehuurder te accepteren, is ontbinding en ontruiming niet gerechtvaardigd.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens een oneerlijk beding. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het verstekvonnis wordt vernietigd en de huurovereenkomst blijft van kracht.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de huurovereenkomst blijft van kracht ondanks de huurachterstand; betaling van achterstallige huur wordt opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12063204 \ CV EXPL 26-817
Vonnis van 30 april 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats],
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: huurder,
gemachtigde: mr. F. Zivkovic-Laurenta,
tegen
STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,
gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: verhuurder,
gemachtigde: mr. P.P. Hart.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke dagvaarding van 9 oktober 2025, met producties;
- het verstekvonnis van 28 november 2025;
- de verzetdagvaarding van 13 januari 2026, met producties;
- de akte van verhuurder van 21 januari 2026, met producties;
- het instructievonnis van 5 februari 2026;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De gemachtigde van verhuurder heeft bij bericht van 17 februari 2026 aan de rechtbank verzocht te verduidelijken waarom voorafgaand aan de geplande mondelinge behandeling geen beslissing is genomen op het bij akte van 21 januari 2026 door verhuurder opgeworpen incident strekkende tot niet-ontvankelijkheid. De griffier heeft daarop bericht dat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden aangemerkt als een verweer in de hoofdzaak en niet als een incident, zodat daarop niet afzonderlijk voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt beslist.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Huurder is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verhuurder is [naam 1] verschenen. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft verhuurder aanvullende producties in het geding gebracht. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Verhuurder heeft op de zitting, neergelegd in de spreekaantekeningen, haar eis vermeerderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Verhuurder heeft op 1 augustus 2021 met huurder en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt laatstelijk € 1.896,19 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Het gehuurde is ontwikkeld en gerealiseerd ten behoeve van verhuur volgens het “Friends-concept”. In de considerans van de huurovereenkomst, is daarover het volgende toegelicht:

- Het Friends-concept gaat uit van verhuur aan twee personen die geen relationele band hebben, maar wel samen een appartement willen huren;
- Voor de invulling van het Friends-concept is het van belang dat huurders daadwerkelijk samen in het appartement wonen. In het verlengde daarvan is het niet mogelijk voor één van de huurders om deze huurovereenkomst eenzijdig op te zeggen. Wel is verhuurder onder voorwaarden bereid akkoord te gaan met een indeplaatsstelling van een nieuwe huurder onder de huurovereenkomst.
2.2.
In artikel 28 van Pro de huurovereenkomst, is het volgende geregeld ten aanzien van opzegging:

28.1 In aanvulling op het gestelde in artikel 17 van Pro de algemene bepalingen geldt het volgende. Verhuurder heeft belang bij behoud van het Friends-concept. Voorwaarde hiervoor is dat het gehuurde door twee personen wordt bewoond die geen relationele band hebben, maar wel samen willen wonen.
28.2
Verhuurder zal nooit instemmen met een eenzijdige opzegging door één van de huurder, of medewerking verlenen aan de doorhaling van één van de huurders op de huurovereenkomst, omdat dit in strijd is met het Friends-concept.
28.3
Opzegging door één van de huurders heeft tot gevolg dat de huurovereenkomst voor beide huurders eindigt en beide huurders het gehuurde leeg- en ontruimd op moeten leveren aan verhuurder.
28.4
Indien één van de huurders wenst te verhuizen, dan kan hij een derde in zijn plaats stellen. Indeplaatsstelling is uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de verhuurder.
28.5
Verhuurder is niet verplicht goedkeuring tot indeplaatsstelling te geven en kan aan zijn goedkeuring voorwaarden verbinden.
2.3.
[naam 2] heeft het gehuurde in november 2024 verlaten. Verhuurder heeft toen huurder in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 1 december 2024 een nieuwe medehuurder te vinden. Huurder heeft op 29 november 2024 een nieuwe kandidaat- medehuurder aangedragen. Verhuurder heeft deze kandidaat-medehuurder op 3 december 2024 afgewezen wegens ‘interne afwegingen en selectiecriteria’. Vervolgens heeft verhuurder op 11 maart 2025 voornoemde termijn verlengd tot 1 april 2025. Verhuurder heeft tot slot op 23 april 2025 nog één keer de termijn verlengd tot 14 mei 2025, waarna huurder op die dag een nieuwe kandidaat-medehuurder heeft aangedragen. Daarna heeft het een aantal maanden geduurd totdat partijen het in november 2025 eens zijn geworden over de nieuwe medehuurder, waarna partijen een allonge hebben opgesteld. Op 21 november 2025 heeft de gemachtigde van huurder nog een aantal vragen aan MVGM, de beheerder van verhuurder, gesteld inzake de allonge. Een reactie hierop van verhuurder is uitgebleven.
2.4.
Ondertussen heeft verhuurder de oorspronkelijke dagvaarding betekend op 9 oktober 2025, waarin verhuurder heeft gevorderd dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst wordt ontbonden, dat huurder en [naam 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en dat huurder en [naam 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 20.819,07, bestaande uit huurachterstand en de vervallen wettelijke rente. Daarnaast heeft verhuurder een gebruiksvergoeding gevorderd tot het moment waarop het gehuurde daadwerkelijk is ontruimd, alsmede veroordeling van huurder en [naam 2] in de nog te vervallen wettelijke rente en de proceskosten. Grondslag van de vordering was dat de ontstane huurachterstand ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
2.5.
Bij verstekvonnis van 28 november 2025 van de kantonrechter Amsterdam, met zaaknummer 11937742 CV EXPL 25-14779 heeft de kantonrechter de vorderingen van verhuurder grotendeels toegewezen, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, vanwege een oneerlijk beding in de voorwaarden.
2.6.
De gemachtigde van verhuurder heeft op 10 december 2025 het verstekvonnis op het verzoek van de gemachtigde van huurder gemaild aan hem. Waarna de gemachtigde van huurder op 11 december 2025 het volgende, voor zover relevant, heeft geantwoord:

Ik ben benieuwd hoe MVGM het vervolg verder voor zich ziet en of er bereidheid is tot een gesprek of dat wij een verzetdagvaarding moeten gaan opstellen. Wij opteren voor een gesprek.
2.7.
Op 14 december 2025 stuurt de gemachtigde van huurder de volgende mail aan de gemachtigde van verhuurder:

Ik heb nog geen reactie mogen ontvangen op mijn onderstaande mail. Kunt u uiterlijk 15-12-2025 bevestigen dat er niet over zal worden gegaan tot ontruiming. Indien MVGM hier niet toe bereid is zal ik direct een kort geding starten en vragen om schorsing van de uitvoerbaarheid van het verstekvonnis in afwachting van uw antwoord.
2.8.
De gemachtigde van huurder heeft op 15 december 2025 de volgende mail aan de gemachtigde van verhuurder gestuurd:

Cliënt kiest dus dit adres. U kunt het vonnis ook hier betekenen zodat voor mij ook helder is wanneer de termijnen zullen gaan lopen. (…)
klopt het dat er nog niet betekend is en dat er dus nog geen termijnen voor een verzetdagvaarding lopen?
2.9.
Bij vonnis in kort geding van 9 januari 2026 (zaaknummer 1204396 KK 26-2) heeft de voorzieningenrechter de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis geschorst.

3.Het geschil

3.1.
Huurder vordert de oorspronkelijke vorderingen van verhuurder af te wijzen, met daarbij veroordeling van verhuurder in de proceskosten.
3.2.
Huurder stelt – kort gezegd – dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde moeten worden afgewezen. Huurder betwist dat er een huurachterstand bestaat. Hij heeft zijn deel van de huur altijd op tijd voldaan. De door verhuurder gestelde huurachterstand is ontstaan na het vertrek van [naam 2] en kan niet aan huurder worden toegerekend, nu hij meerdere kandidaten heeft aangedragen die verhuurder heeft afgewezen. De bedragen van het overzicht van de huurachterstand van verhuurder kloppen ook niet.
3.3.
Verhuurder voert verweer. Verhuurder voert primair aan dat huurder niet ontvankelijk is in deze verzetprocedure, omdat hij de verzetdagvaarding te laat heeft betekend aan verhuurder. Voor zover geoordeeld wordt dat huurder ontvankelijk is in verzet, blijft verhuurder bij haar oorspronkelijke eis en verzoekt zij om het verstekvonnis te bekrachtigen, met inachtneming van de huidige huurachterstand van € 25.609,24.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Alleen huurder is tegen het verstekvonnis in verzet gekomen. Het vonnis zal ten aanzien van alle partijen als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd, zoals volgt uit artikel 140 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.
Huurder is ontvankelijk
4.1.
Nu het meest verstrekkende verweer van verhuurder ziet op de ontvankelijkheid van huurder, zal de kantonrechter dat als eerste behandelen.
4.2.
Uit artikel 143 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat tegen een verstekvonnis verzet kan worden ingesteld binnen vier weken na (kort gezegd) i) betekening van het verstekvonnis aan huurder in persoon, ii) na een door huurder gepleegde daad van bekendheid met het vonnis en iii) na tenuitvoerlegging van het verstekvonnis.
4.3.
Verhuurder stelt dat huurder het verzet niet tijdig heeft ingesteld. Volgens verhuurder is de verzettermijn aangevangen op 10 dan wel 11 december 2025 en dus verstreken op 7 dan wel 8 januari 2026, zodat de op 13 januari 2026 betekende verzetdagvaarding te laat is. In dit kader verwijst verhuurder naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8019, waaruit volgt dat een daad van een gemachtigde onder omstandigheden het vermoeden kan rechtvaardigen dat de veroordeelde zelf bekend is met het verstekvonnis, behoudens door de veroordeelde te stellen bijzondere omstandigheden. In dit geval heeft de gemachtigde van huurder het verstekvonnis op 10 december 2025 ontvangen en reeds op 11 december 2025 per e-mail onder meer de mogelijkheid van verzet aangekondigd. Een dergelijke aankondiging mag niet gedaan worden zonder voorafgaand overleg met de opdrachtgever, in dit geval huurder. Dit rechtvaardigt volgens verhuurder het vermoeden dat huurder op dat moment bekend was met de inhoud van het verstekvonnis.
4.4.
Hoewel op zich door de mails van de gemachtigde van huurder het vermoeden gerechtvaardigd is dat de huurder met het vonnis bekend was, heeft huurder dit vermoeden weerlegd. Huurder heeft ter zitting voldoende gemotiveerd toegelicht dat hij in die periode in het buitenland verbleef en pas op 21 december 2025 is teruggekeerd, en dat hij voordien geen contact heeft gehad met zijn gemachtigde. Deze toelichting is niet, althans onvoldoende, weersproken. Dat de gemachtigde van huurder kort na ontvangst van het verstekvonnis de mogelijkheid van verzet heeft aangekondigd, leidt niet tot een ander oordeel. De gemachtigde heeft immers verklaard dat hij reeds langdurig met huurder aan deze zaak werkt, bekend is met diens standpunt en om die reden zelfstandig heeft gehandeld. Daarbij blijkt uit de overgelegde correspondentie dat hij primair heeft ingezet op een oplossing buiten rechte. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de gedragingen van de gemachtigde het vermoeden rechtvaardigen dat huurder reeds eerder met het verstekvonnis bekend was. Nu het verstekvonnis op 19 december 2025 is betekend en niet is gebleken van een eerdere bekendheid, is de verzettermijn op 19 december 2025 aangevangen. De op 13 januari 2026 uitgebrachte verzetdagvaarding is binnen de termijn van vier weken betekend en dus tijdig, zodat huurder ontvankelijk is in het verzet.
Ambtshalve toetsing
4.5.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). In dit kader verwijst de kantonrechter naar het verstekvonnis van 28 november 2025 waarin de kantonrechter de huurovereenkomst reeds heeft getoetst en geen beding, behoudens artikel 25.2 van de algemene voorwaarden dat ziet op de buitengerechtelijke incassokosten, oneerlijk heeft bevonden.
Huurder moet de huurachterstand betalen
4.6.
Huurder betwist dat er een huurachterstand bestaat. Met de stelling van huurder dat hij reeds alles heeft betaald, heeft hij kennelijke bedoeld dat hij zijn helft van de huur heeft betaald, wat in feite erop neerkomt dat de helft van de huur is betaald. In deze stelling miskent huurder dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele huurprijs, die een ondeelbare vordering is. Niet gebleken is dat er in de huurovereenkomst afwijkende afspraken zijn gemaakt. Integendeel, op grond van artikel 22.1 van de Algemene Bepalingen (welk beding niet oneerlijk is) zijn huurder en [naam 2] jegens verhuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de huurprijs. Dat betekent dat beide huurders voor het geheel kunnen worden aangesproken en het aan huurder en [naam 2] zelf is om onderling af te wikkelen wie wat betaalt. Verhuurder staat hierbuiten.
4.7.
Omdat de helft van de huur niet is betaald is er dus een huurachterstand, waarvoor (ook) huurder aansprakelijk is. Huurder heeft de hoogte daarvan tot aan het vertrek van [naam 2] betwist. De kantonrechter gaat aan deze betwisting voorbij. Verhuurder heeft een deugdelijke specificatie van de huurachterstand overgelegd, terwijl huurder deze onvoldoende concreet heeft weersproken. Het had op de weg van huurder gelegen om gemotiveerd aan te geven welke posten onjuist zouden zijn en waarom. Daarbij ziet huurder eraan voorbij dat reeds vóór het vertrek van [naam 2] een huurachterstand was ontstaan. Deze achterstand maakt eveneens deel uit van de vordering. De omstandigheid dat huurder niet op de hoogte was van deze achterstand, ontslaat hem niet van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de nakoming van de betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst.
4.8.
Ten slotte beroept huurder zich op de schadebeperkingsplicht van verhuurder in het kader van een huurachterstand. Dit beroep faalt. Verhuurder vordert betaling van de achterstallige huurpenningen, hetgeen een vordering tot nakoming betreft en geen schadevergoeding. Voor toepassing van de schadebeperkingsplicht is in dat geval geen plaats, zodat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.
4.9.
Bij oorspronkelijke dagvaarding bedroeg de huurachterstand berekend tot en met 31 oktober 2025 € 19.255,62. Ter zitting bedroeg deze volgens verhuurder tot en met maart 2026 € 25.609,24. Verhuurder heeft op de zitting (in de spreekaantekeningen) verzocht deze huurachterstand toe te wijzen, waarmee zij haar vordering heeft vermeerderd. Omdat [naam 2] hier niet op kan reageren geldt deze eiswijziging niet ten opzichte van hem. Huurder heeft zich niet verzet tegen deze eisvermeerdering, zodat deze in beginsel wel tegen hem kan gelden. Echter, het gaat hier enerzijds om een ondeelbare vordering (huur) en anderzijds zijn partijen bij verstek al hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 1.896,19 per maand tot aan de ontruiming. Daar komt bij dat de huurprijs, anders dan bij dagvaarding is gevorderd, volgens de meest recente specificatie van verhuurder al sinds juli 2025 € 1.971,47 per maand bedraagt. Gelet hierop brengt de goede procesorde mee dat [naam 2] en huurder hoofdelijk worden veroordeeld tot de achterstallige huur tot en met oktober 2025 en tot betaling van € 1.896,19 per maand tot en met maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente als hierna bepaald. Voor veroordeling tot betaling van de huur die daarna vervalt ziet de kantonrechter geen aanleiding, gelet op hetgeen ter zitting is besproken. Dat neemt overigens niet weg dat huurder en [naam 2] wel hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de overeengekomen huur tot aan het einde van de huurovereenkomst dan wel tot andere afspraken hierover zijn gemaakt.
De ontbinding en ontruiming
4.10.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat verhuurder heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.11.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst op grond van een huurachterstand alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen.
4.12.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand 10 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt inmiddels 13,5 maanden. Deze huurachterstand is in beginsel ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. Huurder doet, naar de kantonrechter begrijpt, echter een beroep op de tenzij-bepaling, omdat de omstandigheden ontbinding van de huurovereenkomst volgens hem niet rechtvaardigen. Huurder voert daartoe aan dat hij zijn deel van de huur altijd heeft betaald en de gestelde huurachterstand is ontstaan in een periode waarin verhuurder de voortzetting van de huurovereenkomst zelf heeft gefrustreerd. Zo heeft verhuurder een kandidaat-medehuurder zonder redelijke grond afgewezen en heeft verhuurder onredelijke eisen gesteld bij de toetsing van de tweede kandidaat-medehuurder, die uiteindelijk alsnog is goedgekeurd, terwijl ondertussen de dagvaarding werd uitgebracht tot ontbinding van de huurovereenkomst. Als dit niet was gebeurd, dan was er een andere huurder die de huur had betaald en was de huur nooit zo hoog opgelopen, zo stelt huurder.
4.13.
De kantonrechter overweegt als volgt. In deze zaak is sprake van een bijzondere vorm van huur van woonruimte, het zogenoemde Friends-concept. Uit de considerans (zie 2.1) volgt dat het gehuurde is bestemd voor bewoning door twee huurders die geen gemeenschappelijke huishouding voeren, overeenkomstig de eisen van de gemeente Amsterdam. Verhuurder heeft er dus recht en belang bij dat dit concept wordt nageleefd. In de huurovereenkomst is verder in artikel 28.2 (zie 2.2) bepaald dat een medehuurder de huur niet zelfstandig kan opzeggen; een opzegging door één huurder geldt voor beide huurders (artikel 28.3). Vaststaat dat verhuurder niet heeft ingestemd met de eenzijdige opzegging door alleen [naam 2]. Uit artikel 28.4 van de huurovereenkomst volgt voorts dat de vertrekkende huurder verantwoordelijk is voor het aandragen van een nieuwe medehuurder. [naam 2] heeft daarin, wegens persoonlijke omstandigheden, niet voorzien. Omdat huurder kennelijk toch graag in de woning wilde blijven wonen is deze verantwoordelijkheid logischerwijs bij huurder komen te liggen. Het lag vervolgens op de weg van huurder om voortvarend een nieuwe medehuurder aan te dragen, terwijl van verhuurder mocht worden verwacht dat hij tijdig en deugdelijk gemotiveerd op voorgestelde kandidaten zou reageren. Dat is over en weer niet goed verlopen. Verhuurder heeft de eerste voorgedragen kandidaat afgewezen zonder de afwijzing (tijdig) te motiveren. De in deze procedure alsnog gegeven toelichting komt te laat. Daarna is gedurende langere tijd geen nieuwe kandidaat aangedragen door huurder, ondanks dat verhuurder meerdere verlengingen heeft verleend. Op 14 mei 2025 heeft huurder uiteindelijk een nieuwe kandidaat voorgedragen, waarna opnieuw vertraging is ontstaan, mede doordat verhuurder aanvullende stukken heeft opgevraagd die deels al waren verstrekt dan wel eerder hadden kunnen worden verlangd. Uiteindelijk heeft verhuurder in oktober 2025 ingestemd met de nieuwe medehuurder. Op het moment dat partijen op het punt stonden de allonge te ondertekenen en daarover nog overleg voerden, heeft verhuurder, zonder huurder daarover te informeren, een dagvaarding uitgebracht, hetgeen heeft geleid tot het verstekvonnis.
4.14.
Deze gang van zaken in onderlinge samenhang bezien, maakt dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is. Hoewel de vertraging van het vinden van een nieuwe huurder en de daardoor opgelopen achterstand het gevolg is van handelen en nalaten aan beide zijden, had de huurachterstand aanzienlijk beperkter kunnen blijven. De kantonrechter rekent het verhuurder verder aan dat zij, terwijl partijen nog in overleg waren over de allonge, een ontbindingsprocedure is gestart zonder huurder daarover te informeren. Bij afweging van de belangen neemt de kantonrechter verder in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de beoogde medehuurder nog steeds als zodanig kan worden geaccepteerd, dat daarvoor niet is vereist dat deze de bestaande huurachterstand overneemt en dat die nog steeds elk moment de woning kan betrekken, waardoor het Friends-concept kan worden nagekomen.
4.15.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zullen op grond van het voorgaande worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
Zoals reeds is overwogen in punt 12 van het verstekvonnis, is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden aan te merken als een oneerlijk beding. De kantonrechter zal de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten daarom afwijzen. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar het verstekvonnis.
De proceskosten
4.17.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 28 november 2025 onder zaaknummer en rolnummer 11937742 CV EXPL 25-14779 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw beslissend,
5.2.
veroordeelt huurder en [naam 2] hoofdelijk om te betalen aan verhuurder € 19.255,62 aan achterstallige huur tot en met 31 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 oktober 2025 tot 1 november 2025 en vervolgens steeds over elke huurtermijn van november 2025 tot en met maart 2026 vanaf de respectieve vervaldag tot de volledige voldoening,
5.3.
veroordeelt huurder om te betalen aan verhuurder € 1.187,84 aan vervallen wettelijke rente, berekend tot 9 oktober 2025,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289