Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4288

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
AMS 24/2421
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel bij weigering stadsbrede autodeelvergunning voor bestelbussen

City Vans B.V. vroeg stadsbrede autodeelvergunningen aan voor bestelbussen, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze af omdat de regelgeving dit niet toestaat. Na een bezwaarprocedure bleef het besluit in stand. City Vans werd failliet verklaard, waarna de curator het beroep voortzette. De rechtbank oordeelde dat ondanks het faillissement procesbelang bestond vanwege mogelijke schadevergoeding ten behoeve van schuldeisers.

City Vans stelde dat het college het gerechtvaardigde vertrouwen had gewekt dat de vergunningen verleend zouden worden, mede door positieve communicatie en voorbeelden van andere bedrijven. De rechtbank stelde dat er geen toezegging was gedaan en dat de communicatie algemeen van aard was, zonder specifieke garanties. Bovendien kon City Vans geen redelijke verwachting ontlenen aan de e-mail van augustus 2023, waarin alleen werd aangegeven dat een vergunning aangevraagd kon worden.

De rechtbank benadrukte dat City Vans als professionele partij zelf onderzoek had moeten doen naar de vergunningvoorwaarden, zeker gezien de grote investering. Ook waren de beweringen over andere contacten met de gemeente onvoldoende onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en de curator kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van City Vans wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2421

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

mr. [eiser], in zijn hoedanigheid van curator van City Vans B.V., uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. H. Stradmeijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Procesverloop

1.1.
City Vans B.V. (hierna: City Vans) heeft op 26 september 2023 een aanvraag ingediend voor elf stadsbrede autodeelvergunningen voor bestelbussen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 december 2023 (het primaire besluit) afgewezen, omdat op grond van de toepasselijke regelgeving deze vergunningen niet verleend kunnen worden voor bestelbussen. Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 heeft het college het bezwaar van City Vans tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.
1.2.
City Vans heeft op 26 april 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
City Vans is op 17 december 2024 failliet verklaard. Eiser heeft aangegeven de procedure te willen voortzetten.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] ([functie] van City Vans), eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
2.1.
De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiser procesbelang heeft. De rechtbank ziet zich gesteld voor deze vraag, omdat gelet op het faillissement van City Vans, het oorspronkelijke doel van het ingestelde beroep, namelijk het alsnog verkrijgen van de vergunningen, niet meer kan worden bereikt.
2.
2.2.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. City Vans is in 2022 gestart met de voorbereidingen van de bedrijfsactiviteiten om deelbestelbussen te verhuren in de gemeente Amsterdam. De Rabobank werd als financier aangetrokken. De Rabobank verzocht City Vans om na te gaan of de gemeente openstaat voor het concept van City Vans en of de gemeente dat kan bevestigen. City Vans heeft vervolgens contact gehad met de gemeente over het deelconcept. City Vans kon echter pas een stadsbrede vergunning voor de deelbestelbussen aanvragen, nadat deze waren aangeschaft. Met de financiering van de Rabobank zijn de bestelbussen vervolgens aangeschaft. Vervolgens heeft City Vans de vergunningen aangevraagd. Deze aanvraag werd met het primaire besluit afgewezen. Hierdoor konden de bestelbussen niet worden gebruikt zoals City Vans voor ogen had. De aflossingsverplichtingen en overige kosten, zoals verzekeringen, liepen wel door. Op de zitting is toegelicht dat City Vans wel heeft geprobeerd om de bestelbussen op een andere manier te exploiteren, maar dit was niet winstgevend. Uiteindelijk heeft de Rabobank vanwege betalingsachterstanden meegedeeld over te gaan op het uitwinnen van haar zekerheden en de verkoop van de bestelbussen in gang te zetten. De bestuurders van City Vans zagen zich daardoor genoodzaakt om faillissement aan te vragen.
2.3.
Eiser heeft toegelicht dat de bestuurders van City Vans het weigeren van de vergunningen als belangrijkste oorzaak van het faillissement hebben aangewezen. Als de rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onrechtmatig is, zal eiser overgaan tot het vorderen van een schadevergoeding van het college. Dit dient de belangen van de schuldeisers van City Vans, omdat er nu beperkt verhaal mogelijk is op de boedel.
2.4.
Belang bij een inhoudelijk oordeel over het beroep kan bestaan als de indiener stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk en als gevolg van het door hem bestreden besluit heeft geleden. De rechtbank acht aannemelijk dat het niet verlenen van de stadsbrede vergunning aan City Vans tot op zekere hoogte een oorzaak is van het faillissement en dat er sprake is van een boedeltekort. Het ligt in de lijn der verwachting dat met de verkoop van de bestelbussen niet de gehele lening van de Rabobank kan worden afgelost omdat de bestelbussen zijn gebruikt en minder waard zijn geworden. Eiser heeft verder op de zitting toegelicht dat er nog andere schuldeisers zijn. Indien er sprake is van onrechtmatige besluitvorming kan eiser, in het belang van de schuldeisers, een schadevergoeding vorderen van het college, waardoor de verhaalsmogelijkheden worden vergroot. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Vertrouwensbeginsel
3.1.
Eiser voert aan dat het college het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat het deelautoconcept van City Vans vergunbaar was. In maart 2023 heeft City Vans contact gezocht met het college en gedeeld dat zij het deelconcept wilde starten met bestelbussen. De reactie van de beleidsadviseur van de Afdeling Ondernemersklimaat was positief. In een e-mail van 18 augustus 2023 heeft een ambtenaar van het Programma Deelmobiliteit geschreven:
Het is inderdaad mogelijk om een stadsbrede parkeervergunning voor elektrische deelauto’s aan te vragen.Het onderwerp van deze mail was: “RE:TAV: [persoon 2] – Vestigen deelautobedrijf in Amsterdam (bestelbussen)”. City Vans is er nooit op gewezen dat een vergunning alleen wordt verleend voor voertuigen met classificatie M1 (bijvoorbeeld personenauto’s) en niet voor bestelbussen. Er is in de e-mail verwezen naar voorwaarden, maar ook in die voorwaarden staat die beperking niet. Omdat City Vans niet over enige deskundigheid beschikte op juridisch vlak, zocht zij juist vooraf contact met het college. Er was geen aanleiding om verder onderzoek te doen. Eiser wijst er hierbij ook op dat zowel Sixt B.V. als Greenwheels Shared Service B.V. bestelbussen hebben geëxploiteerd ten behoeve van een free floating autodeelconcept, waaruit kon worden afgeleid dat het verlenen van stadsbrede parkeervergunningen voor bestelbussen mogelijk was.
3.
3.2.
Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van het bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en, zo ja, hoe.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat er in de e-mail van 18 augustus 2023 geen toezegging is gedaan dat de vergunningen daadwerkelijk zouden worden verleend. Er is alleen geschreven dat een vergunning kan worden aangevraagd en er is verwezen naar de voorwaarden. Ook spreekt de e-mail over deelauto’s en niet over bestelbussen. In de e-mail is ook verder geen sprake van andere uitlatingen waaruit City Vans heeft kunnen afleiden dat de vergunningen zouden worden verleend. Hoewel het City Vans geholpen had als de medewerkers van het college specifieker op haar situatie waren ingegaan en City Vans hadden geïnformeerd dat de vergunningen niet voor bestelbussen worden verleend, kan niet gezegd worden dat, nu die medewerkers dat niet hebben gedaan, daarmee het vertrouwensbeginsel is geschonden. Een professionele partij heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid om na te gaan wat de voorwaarden voor een vergunning zijn of eventueel juridisch advies in te winnen. Dit geldt te meer indien een grote investering wordt gedaan en, zoals in dit geval, de gegeven inlichtingen algemeen van aard zijn. Niet is gebleken dat City Vans, los van de e-mailcontacten met het college, op verzoek van de Rabobank, op eigen initiatief onderzoek heeft gedaan naar de benodigde vergunningen. City Vans kon aan de communicatie van het college dan ook geen verwachtingen ontlenen. Ter zitting heeft de [functie] van City Vans nog aangevoerd dat er meerdere malen contact is geweest met de gemeente en dat er nooit is gezegd dat er voor bestelbussen geen vergunning kon worden verleend, terwijl het voor de gemeente wel steeds duidelijk moet zijn geweest dat City Vans bestelbussen wilde gaan exploiteren. Deze uitlatingen of gedragingen van de gemeente zijn niet onderbouwd en kunnen daarom niet leiden tot een ander oordeel. Tot slot is gebleken dat Sixt B.V. en Greenwheels Shared Service B.V. ook geen stadsbrede autodeelvergunning hebben gekregen. Onjuist gedane aannames kunnen ook niet tot gerechtvaardigd vertrouwen leiden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, mr. L. Dolfing en
mr. M.H.W. Franssen, leden, in aanwezigheid van mr.M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.