Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de procureur-generaal bij het gerechtshof van Parijs, Frankrijk. De opgeëiste persoon, geboren in Marokko in 1950, werd in deze zaak geconfronteerd met een verzoek tot overlevering aan Frankrijk. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op verschillende zittingen besproken, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, en een tolk in de Arabische taal. Tijdens de zittingen zijn er verschillende beslissingen genomen, waaronder verlengingen van de beslistermijn en schorsingen van de gevangenhouding.
In de tussenuitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de officier van justitie de gelegenheid gegeven om aanvullende informatie op te vragen. Uiteindelijk heeft de rechtbank op basis van de Overleveringswet (OLW) geoordeeld dat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk moet worden geweigerd. De rechtbank heeft daarbij de weigeringsgrond van artikel 6a OLW toegepast, omdat de opgeëiste persoon inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft en er geen aanleiding was om van deze weigeringsgrond af te wijken.
De rechtbank heeft echter wel besloten om de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf van twee jaren in Nederland te bevelen. Dit besluit werd genomen in het licht van de medische omstandigheden van de opgeëiste persoon, die een operatie moest ondergaan. De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon geschorst tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, onder dezelfde voorwaarden als eerder. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.